Review

Hindenburg wílde Hitler als opvolger

Nee, Hindenburg was niet half dement toen hij Hitler als zijn opvolger aanstelde, zoals altijd aangenomen wordt. Hij wist wat hij deed. Ook de veelgeprezen loyaliteit van de besnorde staatsman is een mythe. Zo blijkt uit een nieuwe en spannende biografie.

De naam Paul von Hindenburg (1847-1934) zal tegenwoordig door velen slechts in verband worden gebracht met een steile Pruisische ijzervreter-met-indrukwekkende-snor die op hoge leeftijd tegen zijn zin rijkspresident werd en ten slotte, dement als hij was én omringd door een reactionaire hofkliek, Hitler aan de macht hielp.

Van die karakteristiek blijft na lezing van Wolfgang Pyta’s Hindenburg-biografie weinig over. Deze Stuttgarter historicus concludeert namelijk dat de rijkspresident terdege besefte waarmee hij bezig was en wat hij wilde bereiken. In geestelijk opzicht bleef hij, in tegenstelling tot de gangbare opinie,,bijna tot op het einde volkomen helder.

Niet een mogelijke camarilla rondom hem, maar Hindenburg zélf was op 30 januari 1933 de spiritus rector achter Hitlers benoeming tot rijkskanselier.

Na een zorgvuldige afweging – hij koesterde lang twijfels over Hitlers capaciteiten en wantrouwde diens katholieke wortels – was Hindenburg tot de overtuiging gekomen dat de nationaal-socialistische Führer de aangewezen persoon was om de door Hindenburg zo zeer gewenste nationale eenheid onder het Duitse volk te voltooien. Deze Volksgemeinschaft appelleerde aan de ’geest van 1914’, toen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog alle partijpolitieke twisten overwonnen waren en er ook, hoewel slechts tijdelijk, een nationaal (of nationalistisch?) saamhorigheidsgevoel ontstond.

Duidelijk wordt in deze politieke biografie wel dat Hindenburg ervan overtuigd was dat alleen ’traditioneel-rechts’ dat ideaal kon verwezenlijken. Vandaar zijn eenzijdige voorkeur voor samenwerking met politici die zowel in militaire dienst waren geweest, als op frontervaring uit de Eerste Wereldoorlog konden bogen en daarbij ook nog protestants en géén SPD-lid waren.

Pyta heeft wel degelijk oog voor de aanwezigheid van adviseurs rond Hindenburg. Maar met uitzondering van de generaals Groener en Schleicher – de laatste was een echte ’beroepsintrigant’ – moet de invloed van anderen, zoals Hindenburgs zoon Oskar en zijn reactionaire West-Pruisische buurmangrootgrondbezitter Oldenburg-Januschau niet worden overschat, al was het alleen maar omdat Hindenburg er de man niet naar was om zich allerlei dingen te laten voorschrijven.

De nationale eenheid was Hindenburgs ene levensdoel, zijn andere was het in stand houden van de mythe rond zijn persoon. Als de min of meer zelfbenoemde ’Held van Tannenberg’, als charismatisch leider en gezegend met een karakter en een arbeidsethos waarin alle Pruisische deugden waren verenigd, bovendien nog protestants in hart en nieren, was Hindenburg voor veel mensen dé verbindende schakel tussen keizerrijk en republiek.

En de Generalfeldmarschall liet dat beeld bestaan, ook al was de waarheid anders, en minder flatteus. Zijn alom geprezen loyaliteit en kameraadschap eindigden waar zijn eigen positie in het geding dreigde te komen. Geestverwanten als Ludendorff, Groener, Schleicher en Brüning ervoeren het aan den lijve en zelfs Wilhelm II, die in zijn Doorns paleisje op een terugkeer op de Duitse troon hoopte, werd door zijn voormalige legerstafchef buitengesloten. Hindenburg was dan wel volbloed monarchist, hij was vóór alles Realpolitiker: een terugkeer van de ex-keizer zou eerder contraproductief werken bij zijn streven naar de Volksgemeinschaft.

Opzienbarend zijn ook de hoofdstukken over wie Hindenburg als rijkspresident in 1932 zou opvolgen. Pyta beschrijft, steunend op vele nieuwe bronnen, de spannende zoektocht, waarbij duidelijk is dat Hindenburg zijn eigen opvolging wilde regelen. Zo worden admiraal Reinhard Scheer en hertog Adolf Friedrich zu Mecklenburg – zwager van koningin Wilhelmina – aan de vergetelheid ontrukt, maar uiteindelijk, of de duivel ermee speelde – Scheer stierf vroegtijdig en Adolf Friedrich kreeg het non placet van Wilhelm II –, werd Hindenburg zijn eigen opvolger.

Uit deze voorbeeldig gedocumenteerde en met vaart geschreven biografie komt Paul von Hindenburg daardoor niet naar voren als ’een grijsaard met aderverkalking, in de handen van zijn adviseurs kneedbaar als was en volledig apathisch in binnenlandse aangelegenheden’, zoals Joseph Goebbels hem in 1931 beschreef. Tijdgenoten en, toegegeven, ook latere geschiedschrijvers hebben dat beeld nogal eens gemakshalve overgenomen. Wellicht hadden zij en degenen die de mythe van een ’vader des vaderlands’ lang hebben aangehangen, gehoopt dat Hindenburg Hitler uit de Reichskanzlei had kunnen houden en waren ze daarin teleurgesteld. Feit is dat Hindenburg de deur voor Hitler juist wagenwijd openzette. De afloop is bekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden