InterviewKader Abdolah

Hij moest er even over nadenken, maar ja, het schrijversbestaan van Kader Abdolah hangt van rituelen aan elkaar

Schrijver Kader Abdolah: ‘Ik heb mezelf beloofd dat ik tien marathons ga rennen. Zo blijf ik fit genoeg voor de tien romans die ik nog wil schrijven.’ Beeld Rosalie van der Does
Schrijver Kader Abdolah: ‘Ik heb mezelf beloofd dat ik tien marathons ga rennen. Zo blijf ik fit genoeg voor de tien romans die ik nog wil schrijven.’Beeld Rosalie van der Does

Wat doen kunstenaars voordat ze het podium betreden, aan een nieuw doek beginnen of de eerste zinnen op papier zetten? Met welke beginrituelen bezweren ze hun angst of dwingen ze succes af? Vandaag: auteur Kader Abdolah vertaalt Perzische poëzie. ‘Zonder die voorbereiding kan ik niet rustig gaan zitten schrijven.’

Sander Becker

Beginrituelen bij het schrijven? Aan dat soort malligheid doe ik niet, dacht Kader Abdolah in eerste instantie toen Trouw hem ernaar vroeg. Hij kende wel het verhaal van Harry Mulisch. Die begon elke ochtend met theatrale kniebuigingen: met gespreide armen bewoog de Grote Eén ritmisch op en neer, de hielen strak tegen elkaar, zijn voeten op tien voor twee.

Niets voor Abdolah, zulke aanstellerij. “Ik kom uit de Perzische traditie met een drieduizend jaar oude literatuur”, zo verklaart hij in zijn werkkamer met uitzicht op een Delfts kanaal. “In de oosterse cultuur geldt schrijven als van God gegeven. Daar verbind je geen fratsen aan. Bovendien, ik kom uit een familie van verhalenvertellers. Mijn oom sprak als imam duizenden mensen toe, mijn grootvader droeg eigen poëzie voor. Ze déden het gewoon.”

Maar toen Abdolah wat langer op de vraag kauwde, ontdekte hij tot zijn eigen verbazing dat hij wel degelijk rituelen heeft die voor hem belangrijk zijn bij het schrijven. Onmisbaar zelfs.

Zijn voornaamste ritueel: voordat hij ’s ochtends aan de slag gaat met de roman van dat moment, verdiept hij zich één tot anderhalf uur in een oosterse literaire klassieker. Hij vertaalt zo’n werk in het Nederlands. Zo scherpt hij zijn geest en komt hij in een literaire stemming. “Zonder die voorbereiding kan ik niet rustig gaan zitten schrijven.”

Hoe zet je Perzisch om in vochtig Nederlands?

Toen hij de afgelopen twee jaar aan zijn nieuwe roman Ramona werkte, stortte hij zich elke ochtend eerst op Rumi (1207-1273), de grootste Perzischtalige poëet aller tijden. Iedere dag één gedicht. “Rumi’s gedichten zijn puur muziek”, zegt hij. Ter illustratie reciteert hij enkele zangerige versregels. “Mijn uitdaging: hoe zet je al die prachtige klanken om in dat vochtige Nederlands?”

Abdolah blijft aan Rumi werken, ook nu zijn roman Ramona gepubliceerd is. Zijn bureau ligt bezaaid met bundels van de meester. “Als ik me nog één jaar vol op Rumi richt, heb ik een boek bij elkaar. Dan is het ritueel compleet. Daarna begin ik aan een nieuwe roman en een nieuw Perzisch ritueel. Zo gaat het elke keer. Daarom breng ik om en om romans en vertalingen uit.”

Een paar Perzische zinnetjes over Amalia

De schrijver heeft niet alleen een begin-, maar ook een eindritueel, voor als zijn werkdag erop zit. Het houdt opnieuw verband met het Perzisch, een taal die zijn kleinkinderen van huis uit niet meekrijgen. “Mijn oudste dochter heeft drie zoons, maar die jongens kenden helaas niet zo goed Perzisch. Mijn grootouders zouden zich omdraaien in hun graf! Maar ik heb er iets op bedacht.”

Als Abdolah ’s middags rond vier uur stopt met werken, verzint hij in tien minuten een Perzisch tekstje over een actueel of alledaags onderwerp. Gewoon een paar zinnetjes over Amalia, Ajax of hagelslag – met een plaatje erbij. Het geheel appt hij aan zijn kleinzoons, van wie de oudste negen is. Dan stapt hij op de fiets. Hij rijdt vijftien kilometer naar hun huis, leest het tekstje aan hen voor en fietst weer terug.

Het werkt fantastisch. “Mijn kleinzoons spreken nu goed Perzisch. En mij geeft het rust omdat de band met die prachtige oosterse cultuur behouden blijft. Dat heb ik nodig om de volgende dag weer rustig te kunnen schrijven.”

Een heel eigen gebarentaal

Abdolah vluchtte in 1985 als dissident uit Iran. Alles en iedereen moest hij achterlaten. Dat knaagt aan hem. Zijn vader is inmiddels overleden, zijn moeder dementeert. Soms als hij zit te schrijven, voelt hij een enorm schuldgevoel opkomen. Dan belt hij zijn moeder via WhatsApp.

“Ze herkent me vaak niet meer en begrijpt niet wat ik zeg”, vertelt hij. “Nou spraken wij vroeger thuis een heel eigen gebarentaal, omdat mijn vader doofstom was. En het bijzondere is: toen ik laatst via WhatsApp naar mijn moeder gebáárde, begreep ze me ineens wél. Ze herkende me weer. Even bellen met haar is een van de belangrijkste rituelen die ik nodig heb om tegen mezelf te kunnen zeggen: Ga maar weer rustig schrijven, het is goed.”

Kader Abdolah (67) debuteerde in 1980 in het Perzisch met de verhalenbundel Wat willen de Koerden zeggen?. In 1988 kwam de Iraniër als politiek vluchteling naar Nederland. Hier verscheen in 1993 zijn Nederlandstalige debuut: de verhalenbundel De adelaars. In 2005 volgde Het huis van de moskee, Abdolahs doorbraak bij het grote publiek. Hij schreef het Boekenweekgeschenk van 2011, vertaalde de Koran en enkele sprookjes van 1001 nacht en heeft net een nieuwe roman uit, Ramona, over de verworvenheden en de gevaren van de multiculturele samenleving.

Bij nader inzien hangt zijn schrijversbestaan van dit soort gewoontes aan elkaar. Wat er in feite ook onder valt, beseft hij nu, is zijn collectie dagboeken. Daarin reflecteert hij vooral op het schrijven: hij uit zijn twijfel over een passage, zoekt naar oplossingen, enzovoort. En dan zijn er nog de lichamelijke varianten. Met alcohol en tabak is hij bewust spaarzaam, want hij wil de creativiteit in zijn brein beschermen. Hij leeft gezond, wandelt veel en loopt hard. “Ik heb mezelf beloofd dat ik tien marathons ga rennen. Zo blijf ik fit genoeg voor de tien romans die ik nog wil schrijven.”

Vanwege corona liggen zijn optredens nu stil, maar ook daar heeft hij normaal gesproken een vast ritueel bij. “Het bestaat eruit dat ik van tevoren helemaal niets op papier zet. Ik denk wel na over wat ik wil zeggen, maar ik doe alles uit het hoofd. Zo kan ik het publiek beter bespelen. Het nadeel is dat elke lezing gepaard gaat met onzekerheid en faalangst, maar eigenlijk lukt het altijd. En als het toch een keer misgaat, dan gaat het tenminste interessánt mis.”

Lees ook eerdere afleveringen uit de serie Voorspel:

Operazangeres Francis van Broekhuizen: ‘Ik koop voor elke productie nieuwe gympen

Hadewych Minis: ‘Ik geloof niet in God, toch helpt Maria mij op spannende momenten

Voor hij opgaat, poetst acteur Pierre Bokma minutieus zijn schoenen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden