‘Twee jaar werkte ik aan mijn roman, in een zolderkamer die uitkijkt op een grasveld waar mensen hun hond uitlaten. Ze zien mij niet, maar ik ben er wel, dacht ik vaak.’

EssayPubliceren tijdens de pandemie

Hier ben ik weer!, wilde Jente Posthuma zeggen. Maar de wereld zat op slot

‘Twee jaar werkte ik aan mijn roman, in een zolderkamer die uitkijkt op een grasveld waar mensen hun hond uitlaten. Ze zien mij niet, maar ik ben er wel, dacht ik vaak.’Beeld ANP

Hoe is dat: publiceren tijdens de pandemie? In mei verscheen de tweede roman van Jente Posthuma. ‘Mijn boek behoort nu tot een kwetsbare groep.’

Paul Celan zag geen principieel verschil tussen een handdruk en een gedicht. In Don’t let Me Be Lonely­­ borduurt Claudia Rankine op die gedachte voort. Volgens haar is een handdruk, net als een gedicht, iets waarmee we onszelf laten gelden, maar ook overhandigen aan een ander. Hier. Ik ben hier. Dat we tegelijk aanwezig zijn en onze aanwezigheid aanbieden, schrijft ze, is misschien wel wat leven is.

Nu heb ik het afgelopen jaar niemand een hand gegeven. Wel publiceerde ik mijn tweede roman: Waar ik liever niet aan denk. Het was eind mei 2020, we kwamen net uit de eerste lockdown. Hier, zei ik. Hier ben ik weer. Er verschenen goeie recensies en interviews, net als na mijn debuut, en toch leek er geen vaart in te komen, alsof ik gas gaf met de handrem er nog half op (zo start ik mijn auto vaak, dus dat gevoel ken ik goed).

Natuurlijk was de boekverkoop niet wat hij onder normale omstandigheden zou zijn geweest. Mijn roman behoorde tot een steeds groter wordende ‘kwetsbare groep’, want mensen lazen wel, maar omdat ze niet in boekwinkels konden ronddwalen, op zoek naar iets nieuws, kochten ze alleen wat ze kenden: de nieuwste van Herman Koch.

Was ik maar wat banger voor de dood, dacht ik vroeger, en minder angstig voor het leven

Ook het contact met lezers verliep niet zo soepel als voorheen. Ik herinner me een Zoom-interview dat online was gezet en waarin ik, zag ik later, al mijn antwoorden schreeuwde, omdat ik dacht dat ik anders niet te horen was.

In Waar ik liever niet aan denk zegt de hoofdpersoon: ‘Bij de gedachte aan de eindigheid van alles raakte ik niet in paniek en ook nam ik de metro tijdens de spits zonder te speuren naar bommen, maar het zweet brak me uit als ik een vage kennis in de supermarkt tegenkwam of als ik door een onbekend nummer werd gebeld’.

Toevallig was ik zelf ook nooit bang voor een natuurramp of terroristische aanslag, niet bang voor de dood, omdat ik het gevoel had dat ik geen deel van de wereld uitmaakte, dat ik overal buiten stond, waardoor grote gebeurtenissen me niet raakten. Wel was ik bang om gezien te worden. Ik verstopte mezelf, bijvoorbeeld door grappen te maken als me om mijn mening werd gevraagd. Die angst is ook de reden waarom het schrijven bij mij nog steeds best moeizaam gaat, al zit ik allang niet meer met hartkloppingen achter mijn computer, zoals in het begin. Was ik maar wat banger voor de dood, dacht ik vroeger vaak. En minder angstig voor het leven. Dan zou ik zo veel productiever zijn.

Aan Waar ik liever niet aan denk heb ik twee jaar gewerkt in een zolderkamer die uitkijkt op een grasveld waar mensen hun hond uitlaten. Ze zien mij niet, maar ik ben er wel, dacht ik vaak, en ik weet precies wie de drollen van zijn hond opraapt en wie niet. Als iemand weer eens iets liet liggen, had ik de neiging het raam open te gooien en naar buiten te schreeuwen, maar dan stelde ik me het verschrikte gezicht van de hondeneigenaar voor, niet begrijpend waar dat lawaai vandaan kwam en liet ik het raam maar dicht. Het blijft ingewikkeld om je tot anderen te verhouden. Bovendien weet je nooit of ze wel willen hebben wat je te bieden hebt.

En toen ging de wereld op slot. Daar stond ik.

Gelukkig gaat het de goede kant op, mijn doodsangst groeit met de dag, omdat ik steeds meer te verliezen heb. Na elk boek voel ik me meer in de wereld staan. Dus ik had echt zin om met mijn tweede roman van die zolder te komen. En toen ging de wereld op slot. Daar stond ik. Daar zat ik, kan ik beter zeggen, midden in de wereld, die was gekrompen tot het formaat van mijn huis, achter mijn laptop met mijn boek in mijn hand, te schreeuwen naar mensen die ik niet kon zien en die zich misschien wel afvroegen waar dat lawaai vandaan kwam.

Toen mijn debuutroman Mensen zonder uitstraling in 2016 verscheen, zei ik tegen een vriendin: nu hoef ik nooit meer naar feestjes waar ik ongemakkelijk van word, ik hoef helemaal niet meer naar buiten om te bewijzen dat ik besta. Een luxe vond ik dat. Wist ik veel dat ik me na mijn tweede boek zo anders zou voelen.

Lees ook:

Depressie als splijtzwam

Jente Posthuma schrijft raak over een zus en een broer, over wat je van elkaar ziet en wat eronder schuilgaat.

Lees Jane Gardam als je wilt begrijpen hoe we worden wie we zijn

Jane Gardam belicht wat er gebeurt als je de angel eruit trekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden