Review

Het vruchtbare duister

Wat was er voor het begin, toen God hemel en aarde maakte? Een antwoord is te vinden in Genesis 1: chaos, leegte, duisternis, water, en dat alles doortrokken van een geest die zich bezint op zijn komende schepping. Waarmee begint het begin? Het licht gaat aan. We zijn inmiddels bij de verzen 4 en 5: 'God zag het licht, dat het goed was. God maakte een scheiding tussen het licht en de duisternis. God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht.'

Jaap Goedegebuure

Goedbeschouwd staat hier te lezen dat het donker er altijd al was; het enige nieuwe is dat het ter onderscheiding van het pas gemaakte licht een naam krijgt: 'nacht'. Die nacht is eeuwig. Uit haar komt de dag, om na twaalf uur weer in haar te verdwijnen.

Het licht is het resultaat van benoemen en onderscheiden. Daarmee is het synoniem met een orde die zich alleen maar kenbaar kan maken tegen de achtergrond van de wanorde. De dag staat letterlijk uitgelicht tegen de nacht. Evenzo krijgen tijd en geschiedenis profiel dankzij de diffuse eeuwigheid. Gods schepping heeft van meet af aan weet van haar grenzen en beperkingen.

En wij, die aan Genesis onze kennis ontlenen, beseffen dat de Schepper de Vorst der Duisternis was alvorens ook de Heer van het Licht te worden. Wie tegen de joods-christelijke beeldvorming in zou willen vasthouden aan het idee dat met duisternis en chaos ook het kwaad tot de van God gegeven werkelijkheid behoort, heeft in Genesis 1: 1-5 een stevig stuk grond om de hakken in te zetten.

Mijn weergave van de eerste vijf bijbelverzen is grotendeels gebaseerd op een stuk van de Tilburgse hoogleraar Oude Testament Ellen van Wolde. Haar tekst dient als inleiding bij een bundel beschouwingen over het thema 'nacht'. Ze stammen uit het grensgebied van theologie, wijsbegeerte en letterkunde en vormen een goed voorbeeld van wat deze disciplines in onderlinge samenhang vermogen.

Wat in Van Wolde's essay ongezegd blijft is de toeschrijving van de onopgeloste ambiguïteit van goed en kwaad aan Gods adres. Toch is iets van die opvatting wel degelijk in de bundel te vinden. Dat geldt vooral de bijdrage van Ger Groot, die de figuur en het werk van Georges Bataille onder de loep neemt. Bataille (1897-1962) was een tegendraadse mysticus die in de mateloosheid van het geweld en de erotiek glimpen van het heilige meende te ontwaren. In de opzettelijk gezochte ervaring van de grens tussen orde en wanorde zoals die door taboes wordt gemarkeerd, zag hij een vervulling van het menselijk bestaan. Juist op zulke momenten overstijgen we het redeloze en onbewuste dier in ons. Het interessante is dat Bataille op dit punt sterk is geïnspireerd door de atheïsten Sade en Nietzsche. Zelf zie ik dat graag als een illustratie van mijn overtuiging dat god en duivel en geloof en ongeloof heel dicht tegen elkaar aanliggen.

Groot gaat apart in op Bataille's verhaal Madame Edwarda, een moraliteit waarin de goddelijkheid van de nacht wordt gedemonstreerd aan de hand van een ontmoeting tussen de verteller en een Parijs hoertje. Terwijl ze haar geopende geslacht toont, maakt ze zich bekend als God. Die uitspraak heeft voor het verstand geen betekenis, tekent de schrijver aan, maar niettemin betreft het een elementaire waarheid.

Hoe schokkend Bataille's inzichten ook mogen zijn voor rechtlijnige christenen, in cultuur- en godsdiensthistorisch perspectief bezien kennen ze een lange en rijke traditie. De nacht wordt niet alleen geassocieerd met chaos en duisternis, maar ook met de roes van lust en seksualiteit, met het ongeremde driftleven van de natuur, met de vrouwelijke identiteit, met het geheim van het leven, met het Niets en de dood. Dichtregels als die van Marsman ('Lichaam, wentelend al-leven / gedrochtlijk staan wij en massaal geheven / tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen // hijgende nacht') zijn met vele andere teksten uit verschillende tijden en van verschillende plaatsen aan te vullen. De cultus rondom de vrouwelijke vruchtbaarheid, zoals die zich vanaf de prehistorie in verschillende vormen heeft voorgedaan, werd met nachtelijke riten gevierd en werd verbonden met de -als vrouwelijk beschouwde- maan. In later tijden, toen de patriarchale lichtgoden de matriarchale nachtgodinnen hadden verdrongen, werd het duister van de weeromstuit gedemoniseerd. Of het nu Adams eerste vrouw Lilith is, of de Griekse Hecate of de koningin van de nacht uit Mozarts opera Die Zauberflöte, allemaal stralen ze de dreiging uit van heksen en toverkollen. Pas in het schijnsel van de zon verbleken ze.

Het is jammer dat in het artikel van Margret Brugmann, werkzaam bij het Centrum voor Vrouwenstudies van de Nijmeegse universiteit, niet wordt ingegaan op het seksespecifieke element in de nacht/dagtegenstelling. Nu blijven we ziten met de vraag waarom Brugmann nu juist twee literaire teksten van vrouwelijke auteurs (Vasalis en Djuna Barnes) behandelt. En dat terwijl vooral Barnes zich met haar roman Nightwood opwerpt als de tegenhanger van Dante, de man die zijn hellevaart laat beginnen met een dwaaltocht door het nachtelijke woud.

Boeiend en zicht biedend op een nieuwe visie daarentegen is het stuk van Frans Maas. Aan de hand van één enkel gedicht laat hij zien hoe de zestiende-eeuwse mysticus Johannes van het Kruis de nacht verwelkomt als de bevrijdster uit de conventies van alledag, of het nu gaat om ingeslepen gewoonten die als ondeugden bekend staan of om eigenschappen die men gewoonlijk als verdiensten telt. De dichtende monnik borduurt voort op een bekende gemeenplaats uit de erotische poezie. Het cliché houdt ons voor dat het donker minnaars de kans biedt om zich ongezien door anderen in elkaars armen te storten en daar vergetelheid te vinden.

In eerste instantie lijkt het alsof Johannes het laat bij het identificeren van de gezochte 'Hij' als de hemelse bruidegom. Maar zo simpel blijkt de dubbele bodem niet te zijn aangebracht. De nadruk ligt op de ontsnapping, die mogelijk is onder de dekmantel van het duister. Daarbij komt 'huis' tegenover 'nacht' te staan. Wat verlaten en uiteindelijk ook afgebroken moet worden, is de besloten omgeving waar de meeste mensen zich veilig wanen tegen de dreigingen van buitenaf.

'Nacht' omvat bij Johannes van het Kruis leegte en ontlediging. Deze staat van zijn wordt niet bereikt met behulp van de middelen die de geijkte spirituele oefeningen bieden; integendeel, ook die middelen vallen iemand uit handen zodra hij zich aan de nacht van de geest durft overgeven. In deze wil tot totale en alles ondermijnende overgave komt Johannes van het Kruis dicht bij Bataille te staan. Ook bij hem gaat het immers om een grensoverschrijding die alle zekerheden op het spel zet.

In geseculariseerde vorm is de hang naar de nacht te vinden in het geritualiseerde uitgaansleven waaraan de verstedelijkte samenleving zich op gezette tijden overgeeft. Wanneer het donker is en het werk gedaan, verlaten de mensen hun behuizingen en reppen zich naar de plaatsen waar de driften kunnen worden botgevierd, of dat nu kroegen, disco's, gokpaleizen of bordelen zijn. Rudi Laermans typeert deze ambiance als een mengsel van feestruimte en spookachtig sprookjesbos. Dood en Lust, Freuds bekende tweelingpaar, voelen zich er wel thuis. Dat Laermans de eenzame flaneur neerzet als de representant van een 'modern soort spiritueel heldendom', ja zelfs als een 'mysticus zonder geloof', laat zien hoezeer Johannes van het Kruis, Bataille en Djuna Barnes in het schemerlicht van deze opstellen dezelfde kleur dreigen aan te nemen als de straatschuimers en plegers van zinloos geweld uit het jaar 2000. Misschien dat hier het woord van Goethe past: 'Meer licht!' Dan komt er vanzelf wat minder mysterie, en misschien ook wat minder mystiek aan te pas.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden