Interview

'Het vloekhout’ heeft een stuk hout van Jezus’ kruis als hoofdpersonage en is favoriet voor de Librisprijs

Johan de Boose Beeld Michiel Hendryckx

Met zijn roman ‘Het vloekhout’ geldt de Vlaamse auteur Johan de Boose als een grote favoriet voor de Librisprijs. De hoofdpersoon is een stuk hout dat smalend commentaar geeft op twintig eeuwen christendom. 

 Wordt dít dan misschien zijn doorbraak bij het grote publiek? Johan de Boose hoopt het van harte. De Vlaamse auteur is een van de zes schrijvers die maandag kans maken op de Librisprijs voor de beste Nederlandstalige roman uit 2018. “Tot nu toe ben ik vooral een ‘writer’s writer’”, zegt hij in een grand café op Antwerpen Centraal. “Goede recensies en schouderklopjes van collega’s, dat wel. Maar imposante verkoopcijfers, nee. Ik ben in Nederland vrij onbekend gebleven. Tegen wil en dank, want elke auteur wil gelezen worden. Als deze nominatie daarbij helpt, zou dat fantastisch zijn.”

Zijn werk verdient het. Neem alleen al de genomineerde roman ‘Het vloekhout’. De jury spreekt van ‘een buitengewoon originele bijdrage aan de Nederlandstalige literatuur’. Ze prijst niet alleen de ‘prachtige compositie’, maar vindt het werk stilistisch ook ‘ijzersterk’ en bovendien ‘meeslepend, ironisch en erudiet van toon’.

De originaliteit van ‘Het vloekhout’ zit voor een groot deel in het verrassende perspectief: de verteller van het verhaal, tevens de hoofdpersoon, is geen mens, maar een stuk hout, afkomstig van het kruis waaraan Jezus is gestorven. Hoe kóm je erop?

Rode draad

Het was een kunstgreep, uit nood geboren, vertelt De Boose. De schrijver die graag ‘groot denkt’, had het ambitieuze plan om ‘twintig eeuwen christendom te vatten in een roman van tweehonderd bladzijden’. Daarbij stuitte hij op een technisch probleem: geen enkele mens leeft lang genoeg om twee millennia als hoofdpersoon te dienen. En hoe praat je in vredesnaam een roman aan elkaar zonder centraal personage?

De Boose piekerde zich suf. “Toen kwam ik ineens op dat idee om te schrijven vanuit een object met een grote symbolische betekenis: het houten kruis van Jezus. Dat kruis wordt na gebruik in stukken gehakt. Als gevolg van een reeks toevalligheden is er één houtblok dat de eeuwen overleeft. Het wordt telkens door iemand anders meegenomen en komt dan op een nieuwe plaats, in een nieuwe tijd. Bij keizer Nero bijvoorbeeld, die christenen vervolgde door ze als menselijke fakkels in de fik te steken. Of bij twee Russische monniken uit de 14de eeuw, op de vlucht voor Mongoolse hordes die moordend en plunderend rondtrokken. En bij Stalin met zijn bloedige strafexercities. Het vloekhout, een oud synoniem van kruishout, werd kortom de rode draad. Zodra ik die oplossing gevonden had, ging het schrijven razendsnel.”

Na deze gelukkige ingeving maakte De Boose een wandelingetje door het bos. Hij was nog maar net onderweg, of hij struikelde over een houtblok. Als dát geen teken is, dacht hij. De schrijver nam het blok mee naar huis, zette het op zijn bureau en wierp er tijdens het typen af en toe een blik op. ‘Jij bent mijn redding’, sprak hij tegen het hout. “Een idioot bijgeloof natuurlijk, maar zo werkt het bij mij nu eenmaal.”

Existentiële twijfel

De ‘hoofdpersoon’ begint als olijfboom, wordt dan bewerkt tot kruishout en eindigt via allerlei tussenstappen als een Russisch-orthodox icoon met het gezicht van Maria erop. Ondanks al die acrobatische transformaties is de auteur erin geslaagd om zijn object een diepmenselijk karakter te geven, met eigen emoties, bedenkingen en inzichten. De houten figuur denkt en voelt als een mens. Hij reflecteert op de hem omringende cultuur en religie. Geregeld valt hij ten prooi aan existentiële twijfel of wil hij zelfs dood omdat hij de wreedheden en het bloedvergieten niet langer kan aanzien. Laat me alsjeblieft in vlammen opgaan, smeekt hij als er opnieuw een dierbare persoon uit zijn leven wordt weggerukt.

Ter compensatie van alle tragiek valt er in het boek aangenaam veel te lachen. “Ik vind humor erg belangrijk”, licht De Boose toe. “Volgens de Poolse toneelschrijver Tadeusz Kantor is een kunstwerk zonder humor niet intelligent. Daar kan ik me in vinden. Ik hou van flauwe grappen en ironie. Met een onverwachte formulering kun je een bestaand beeld kantelen en bij de lezer een glimlach op de lippen toveren.”

De religie vormt het voornaamste mikpunt. Zo vermoedt het houtblok op een bepaald moment dat Jezus – ‘de rebelse snaak Jesjoea’ – zich zou omdraaien in zijn graf ‘als hij daar tenminste was blijven liggen’. De evangelisten noemt hij ‘fantasten’ en hun evangeliën doet hij af als ‘memoires’. Er is een hilarisch dialoogje in het Vaticaan, waar het hout als icoon enkele beledigende woorden wisselt met de ‘eerbiedwaardige mevrouw lijkwade’. In het Kremlin treft de icoon ten slotte niemand minder dan de Voorhuid van de Heiland. Deze reliek op sterk water is kennelijk ‘het enige deel van Jezus dat op aarde is gebleven’.

Provocatie van jewelste

‘Heiligschennis!’, foeteren sommige lezers op internet. Kostelijk brutaal, vinden anderen. “Verdeelde reacties, zo hoort het ook”, reageert De Boose. “Een boek dat door iedereen bejubeld wordt, kan nooit iets voorstellen. Toen mijn zeer katholieke schoonmoeder de eerste bladzijde las, begon zij ook meteen te sputteren: ‘Mijn geloof wordt beledigd!’ Ik zei: ‘Lees nou even door!’ Toen ze het uit had, was ze het nog steeds oneens met bepaalde passages, maar ze vond wel dat het boek wezenlijke dingen aanroerde waar ze zelf ook mee bezig was.”

De openingsscène is meteen een provocatie van jewelste: Maria wordt verkracht door Romeinse soldaten, een alternatief scenario voor de verwekking van Jezus. De heilige schrift rept van een ‘maagdelijke geboorte’ waar geen man aan te pas zou zijn gekomen. “Maar dat gelooft toch geen hond?”, zegt De Boose lachend. “Zo’n verkrachting is een stuk geloofwaardiger. Historici hebben dat ook geopperd.”

Er zit veel geweld in de roman, beaamt de auteur. “Daar kun je niet omheen als je twintig eeuwen christendom beschrijft.” Martelingen, verminkingen, slachtpartijen: het fascineert De Boose, die in zijn eerdere roman ‘Bloedgetuigen’ al op zoek ging naar de oorsprong van geweld. “Het zit diep in ons”, zegt hij. “We zijn allemaal beschaafde burgers, en toch gaat het voortdurend fout. Dan klapt ineens de poort naar ons duistere onbewuste open en komt er een monster in ons naar boven. Ik vind het wel prettig om me met dat gevaarlijke, verboden terrein bezig te houden. In de literatuur mag dat.”

Taal als muziek

Er spreekt een zekere wellust uit die wonderlijk goed past bij zijn barokke schrijfstijl. De Boose houdt van kleurrijk en heftig: kernachtige zinnen die knetteren, naar het voorbeeld van zijn leermeester Hugo Claus. Aan het begin van zijn schrijverschap schoot De Boose daar soms in door, zegt hij. Maar mede dankzij het contact met ‘nuchtere Hollandse redacteuren’ weet hij nu maat te houden. De taal ervaart hij als muziek. “Ik herschrijf mijn zinnen soms wel twintig keer tot ze precies de juiste toon en nuance hebben. Compacte schoonheid, daar streef ik steeds naar.”

Oude woorden en vreemde termen uit het Russisch, Grieks of Farsi kunnen hem geweldig inspireren. Net als verre reizen. Sterker nog, elk van zijn boeken begint met een reis. Het idee voor ‘Het vloekhout’ ontkiemde in een klooster in de Siberische stad Jekaterinburg. Daar werd De Boose diep getroffen door een icoon met geloken ogen, dezelfde uit zijn roman. Aanvankelijk had hij een trilogie in gedachten. Maar na twee historische delen, ‘Gaius’ en ‘Jevgeni’, zat hij muurvast met deel drie, dat vanuit de toekomst naar het heden moest kijken. “Uiteindelijk heb ik een afsluitend boek geschreven dat op zichzelf staat. Nu ben ik er klaar mee.”

Zijn hoogste doel als auteur? Mensen ‘in de war brengen’, ze ‘aan het denken zetten’, bijvoorbeeld over het geloof als een vorm van inbeelding die ze voor werkelijk houden, maar die wel troost biedt. “We leven in een tijd van politieke waanzin en oneliners”, zegt hij. “Maar echt belangrijke dingen kun je niet kwijt in een tweet of een quote van anderhalve seconde. Je hebt de ruimte nodig, en die vind je in de literatuur. Het is zoals Salman Rushdie zei: Een boek kan niet je leven veranderen, maar wel je blik op de wereld. Daar is het mij om te doen.”

De Vlaamse schrijver Johan de Boose studeerde Slavische talen en Oost-Europakunde. Hij werkte als journalist en presentator, maar wijdt zich sinds 2003 volledig aan het schrijven van romans en poëzie. Zijn magnum opus ‘Bloedgetuigen’ (2011) handelt over collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Lees ook:

Libris-jury maakt shortlist van zes schrijvers bekend

Vier mannen en twee vrouwen zijn dit jaar doorgedrongen tot de shortlist voor de Libris Literatuur Prijs. 

Met ‘Wees onzichtbaar’ van Libris-winnaar Murat Isik heeft de Bijlmer ook een beetje gewonnen

INTERVIEW - ‘Jij komt er wel’, sprak zijn docent creatief schrijven. En zie, afgelopen jaar won Murat Isik de Libris Literatuur Prijs

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden