Review

Het verschil tussen leven en werk

In 'Een stuk van mijn hart', het verslag van haar kinderjaren, vertelt Germaine Groenier hoe ze ooit een ontmoeting had met Simone de Beauvoir. Die ontmoeting was niet alleen kort, maar vooral ontluisterend. De Beauvoir was samen met Jean-Paul Sartre te gast in het huis van Victor van Vriesland, Groeniers stiefvader. Groenier kreeg de rol van dienstmeisje toebedeeld, en moest aan tafel bedienen. Ondanks haar ontluikende sympathie voor het feminisme liet Groenier zich deze taakverdeling welgevallen: op deze manier zou ze haar idool in levende lijve kunnen ontmoeten. Maar die ontmoeting viel tegen.

MONICA SOETING

De Beauvoir had voor de bedienende Groenier niet de minste belangstelling. Al haar aandacht ging uit naar Sartre, die ze niet alleen zelf van eten voorzag, maar die ook haar enige gespreksonderwerp vormde. ,,Waarom spreekt ze niet over zichzelf of over haar werk', vroeg Groenier zich af. ,,Ze doet me aan mijn moeder denken, die het in het bijzijn van anderen altijd alleen maar over Vic heeft.' Het bezoek eindigde in een wijnhuilkramp van De Beauvoir, terwijl Sartre zich laveloos in een taxi liet deponeren. Groenier stortte zich teleurgesteld op de restjes wijn die in de glazen waren achtergebleven.

Groenier is niet de enige die zich in De Beauvoir teleurgesteld voelt. Nadat verschillende biografieën van de Franse schrijfster duidelijk hadden gemaakt dat er een tegenstelling bestond tussen De Beauvoirs geschriften over de onderdrukking van vrouwen enerzijds, en haar eigen, allesbehalve geemancipeerde verhouding met Sartre anderzijds, zagen veel van De Beauvoirs bewonderaars hun voorbeeld in een ander, minder inspirerend licht. Maar ook dat is geen op zich staand feit. Nu andere kopstukken uit de tweede feministische golf een leeftijd bereikt hebben die het schrijven van bio- en autobiografieën rechtvaardigt, lijkt de ene na de andere gangmaakster van haar voetstuk te vallen. Dat geldt voor Betty Friedan, dat geldt voor Germaine Greer, en dat geldt in zekere zin ook voor Germaine Groenier zelf.

In alle drie de gevallen heeft die val, net als bij De Beauvoir, te maken met de discrepantie tussen leven en werk. Friedan, die in het in 1963 verschenen 'The feminine mystique' huisvrouwen opriep zich te onttrekken aan het slavenbestaan, is volgens haar biografe Judith Hennessee onmogelijk in de omgang met vrouwen. Greer, de schrijfster van het opzienbarende boek 'The female eunuch' (1970), verkiest blijkens de biografie van Christine Wallace het gezelschap van mannen boven dat van vrouwen. En Groenier ten slotte heeft zich als een van de eerste Dolle Mina's ingezet voor de legalisering van abortus, maar heeft daarover blijkens haar autobiografie, 'Vijf dagen bedenktijd', privé een andere mening.

Nu komt het wel vaker voor dat coryfeeën het één zeggen, maar het andere doen. De filosoof Ernst Bloch bijvoorbeeld hield er in het dagelijkse leven beduidend minder sociale principes op na dan in zijn geschriften. Karl Marx, die de uitbuiting van de arbeidersklasse zo fervent bestreed, zag er geen been in om zijn dienstmeisje niet alleen economisch, maar ook seksueel en dus ook psychisch uit te buiten.

Toch voert de kloof tussen woord en daad zelden tot problemen - zolang het mannen betreft althans. Bij vrouwen ligt dat anders. De biografieën van Marx en Bloch lieten de kracht van hun denkbeelden intact. De onthullingen over de privé-levens van De Beauvoir, Friedan en Greer daarentegen hebben ertoe geleid dat men hun werk met andere ogen ging zien, en het lijkt niet gewaagd te veronderstellen dat Groeniers ontboezemingen gevolgen hebben voor de opvattingen over het belang van Dolle Mina.

Hoe komt het nu dat vrouwen, wat de verhouding tussen leven en werk betreft, anders behandeld worden dan mannen? Het antwoord is niet alleen ingewikkeld, maar ook verwarrend en zelfs ontmoedigend.

Om te beginnen is het zo dat de verhouding tussen leven en werk bij vrouwen al eeuwenlang een heet hangijzer vormt. De literatuur van vrouwen bijvoorbeeld wordt sinds mensenheugenis binnen de context van hun persoonlijke leven geplaatst. In de recensies van boeken van mannen komt dat minder vaak voor. Vrouwen hebben zich ook altijd moeten rechtvaardigen voor het feit dat ze schreven: dat man en kinderen ondanks moeders schrijverij niet tekortkwamen. En ten slotte hebben veel critici de neiging om de literaire aspecten van boeken van vrouwelijke auteurs te koppelen aan de vermeende eigenschappen van vrouwen. Bij de bespreking van boeken van mannen laten ze dat wel uit hun hoofd.

Om een einde te maken aan de scheve verhoudingen tussen mannen en vrouwen, propageerden feministes als Friedan, Greer en Groenier het doorbreken van sekse-vooroordelen. Friedan pleitte voor het opheffen van het huisvrouwenbestaan. Greer zette zich in voor het doorbreken van seksuele taboes, en Groenier streed voor het recht op eigen lichaam. De manier waarop de emancipatie tot stand zou moeten komen, was daarom, paradoxaal genoeg, persoonlijk: alleen door zichzelf te bevrijden van allerlei ge- en verboden, zouden vrouwen zich kunnen emanciperen. Het persoonlijke is politiek, luidde een van de credo's van de vrouwenbeweging.

In de biografieën van Friedan, Greer en Groenier werkt de verbinding van het persoonlijke met het openbare leven echter eerder in het nadeel dan in het voordeel van vrouwen. Ten eerste blijkt dat de voorvechtsters van de tweede feministische golf de schuld van de ondergeschikte positie van vrouwen vooral bij vrouwen zelf leggen. Friedan toont niets dan hoon voor vrouwen die zich als 'suburban housewife' geestelijk laten castreren. Greer doet hetzelfde, maar betrekt de castratie op de seksualiteit van vrouwen, en Groenier beschouwt de vrouwelijke drang tot verzorging als de oorzaak van de ongelijke verhouding tot mannen.

Ook in hun directe omgang met vrouwen zijn de voorvechtsters van de tweede feministische golf niet bepaald vrouwvriendelijk. Friedan had er een handje van om de vrouwen die haar hielpen, uit te buiten. Haar secretaresses werden niet of slecht betaald, terwijl ze geacht werden dag en nacht voor Friedan klaar te staan. Voor Greer gold en geldt hetzelfde. Daarnaast blijken zowel Friedan als Greer niet alleen het gezelschap van mannen te prefereren boven dat van vrouwen. Ook het werk van mannen vinden ze waardevoller dan dat van vrouwen. ,,Is het niet saai dat vrouwen altijd autobiografisch schrijven?', vroeg Greer zich ooit af, en gebruikte die vraag vervolgens als excuus voor het feit dat ze nooit aan een roman begonnen was.

Groenier wijt de ondergang van Dolle Mina aan ,,de machtswellust, de rivaliteit, de serpenterigheid en jaloezie van vrouwen'. Wat vrouwen betreft houden zowel Friedan, Greer als Groenier er geen andere vooroordelen op na dan de mannen die ze zo fel bestreden. Niet alleen houden ze vrouwen persoonlijk verantwoordelijk voor hun onderdrukking, maar ook voor de ondergang van het feminisme.

Ten slotte blijken we ook de beweegredenen van zowel Friedan, Greer als Groenier om zich voor de vrouwenemancipatie in te zetten, als strikt persoonlijk te moeten beschouwen. Friedan lijdt volgens Hennessee aan een minderwaardigheidscomplex dat ze via machtsstrijd probeert te compenseren. Wallace stelt dat Greer niet alleen over een buitenmatig extroverte persoonlijkheid beschikt, maar dat Greer bovendien in een permanente machtsstrijd met haar moeder verwikkeld is. En Groenier komt tot de conclusie dat ze zich slechts inzette voor de legalisering van abortus, omdat haarzelf de middelen tot abortus ontzegd werden: terugblikkend stelt ze vast dat de geboorte van haar eerste kind haar een soort post-non-abortus trauma bezorgd heeft. Dat trauma maakte haar vervolgens tot de felle actievoerster die ze in de jaren zestig en zeventig was.

Maar hoeveel waarde moeten we hechten aan de (auto)biografieën van Wallace, Hennessee en Groenier? Ook deze schrijfsters maken zich schuldig aan een houding die bepaald vrouw-onvriendelijk genoemd kan worden. In alle drie de boeken wordt onevenredig veel ruimte gegeven aan psychologische verklaringen van eigen makelij. De inhoud van het werk van Friedan, Greer en Groenier daarentegen krijgt nauwelijks serieuze aandacht. Iedere tegenspraak tussen leven en werk beschouwen Wallace, Hennessee en Groenier als ondeugdelijk. De schrijfsters eisen daarmee een consistentie die niet alleen onmogelijk is, maar die men van mannen over het algemeen niet verwacht. Gelukkig geeft Wallace aan het eind van haar boek toe dat Greer zonder haar vechtlust geen inspirerend voorbeeld had kunnen zijn voor zoveel andere vrouwen.

Desalniettemin geldt voor haar wat ook voor Hennessee en Groenier geldt: ook zij maken, zoals dat al eeuwenlang gebeurt als het om werk van vrouwen gaat, het werk ondergeschikt aan het leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden