Review

Het verraad van de protestgeneratieBabyboomers zitten op rozen, maar dankbaar ho maar

“Ongrijpbaar, maar meer dan wat ook karakteristiek voor de jaren zestig is de betovering, de waan, de droom, de luidkeels gezongen illusie van 'we can change the world' (Graham Nash op de elpee Songs for Beginners uit 1971). Het is het blakende en overrompelende zelfvertrouwen van een generatie die ervan overtuigd was de wereld opnieuw te kunnen laten beginnen, zonder geschiedenis en zonder schuld. Een generatie die zocht naar het zand onder de stenen, naar de verbeelding en de macht”.

WILLEM BREEDVELD

Zo besloot amper twee jaar geleden de historicus Hans Righart zijn meeslepende studie over de generatie die tussen 1945 en 1955 geboren werd, de babyboomers, die meer dan wie ook hun stempel hebben gezet op 'De eindeloze jaren zestig', zoals de titel van zijn boek luidt. Prachtig, dat glanzende fata morgana van een binnen handbereik gedacht paradijs op aarde. Maar, verzucht Righart, het is voorbij. In de jaren zeventig en tachtig gold een verpletterend business as usual: crisis, werkloosheid, nucleaire dreiging, van alles en nog wat aan de macht, behalve de verbeelding. De dekolonisatie van de burgerij schrijdt nog altijd voort, maar de nieuwe glanzende horizon is allang uit het zicht verdwenen.

Waarom in vredesnaam? Zijn de materiële omstandigheden thans zoveel slechter dan toen? Is er minder vrijheid? Is de internationale orde minder stabiel? Het valt in ernst niet vol te houden.

Toch waren het juist deze omstandigheden op grond waarvan babyboomers zich destijds de weelde van hun romantische-utopische visioenen konden veroorloven. Waarom merken we er dan nu zo weinig van? Wat is er precies zo anders dan toen? Het zijn lastige vragen, waarmee Righart zijn lezers lelijk heeft laten zitten.

Maar misschien is het zo dat die jaren zestig helemaal niet zo romantisch, hemelbestormend en revolutionair waren als Righart veronderstelt. Met die vraag raken we de kern van het jongste boek van Pim Fortuyn, 'Babyboomers'.

Om met de deur in huis te vallen: Fortuyn heeft van de babyboomers geen al te hoge pet op. In een slothoofdstuk veegt hij genadeloos de vloer met hen aan. Babyboomers zijn geboren met een gouden lepel in de mond. De meesten van hen hebben het in de loop van hun leven almaar beter gekregen. Ze zijn sober begonnen, maar waren de eersten die de vruchten plukten van de grote economische groei in de jaren zestig, en ze zijn die vruchten blijven plukken tot in de huidige tijd.

Zij profiteerden als eersten van de door hen ingezette democratisering, van het huizenbezit en het vliegverkeer. Zij reisden als eersten de wereld rond. Zij genoten als eersten van de seksuele vrijheden en van de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen. Zij genieten straks de goede pensioenen en uitstekende verzekeringsuitkeringen, en zullen dan het Zwitserleven-gevoel verbeelden. Maar dankbaar? Ho maar. Babyboomers zijn er volgens Fortuyn de oorzaak van dat de samenleving serieus bedreigd wordt met ontbinding.

Sarcastisch stelt hij vast: babyboomers zijn niet alleen een beeldbepalende generatie maar ook een verwende generatie met blasé trekjes. Zij hebben de touwtjes stevig in handen, met als resultaat dat zij “met een schijn van democratie en inspraak de gesloten regentencultuur opnieuw hebben geïntroduceerd. Tot schade van maatschappij en economie en bovenal tot schade van de nieuwkomers, die behendig zoveel mogelijk buiten de deur worden gehouden. (. . .)”

“In het bedrijfsleven, met name in de beursgenoteerde onderneming, vindt momenteel door optieregelingen een schaamteloze verrijking plaats en het zijn weer de babyboomers die daar in stilte, schaamteloos van profiteren. Deze hele graai- en grijpcultuur is geïntroduceerd en ontwikkeld - en dit alles op decente wijze - door de babyboomers.”

Fortuyn schetst hier een gechargeerd beeld, zoals we dat van hem gewend zijn. Maar gechargeerd of niet, het roept wel indringend de vraag op waarom de protestgeneratie op zo grote schaal verraad heeft kunnen plegen aan de eigen idealen.

Om daar iets over te kunnen zeggen neemt Fortuyn zichzelf als maatstaf. Hij beschrijft in een autobiografische schets hoe hij als babyboomer de verschillende tijdvakken heeft beleefd. Daarmee slaat hij twee vliegen in één klap. Door zoveel over zichzelf, zijn katholieke jeugd, zijn ontluikende homoseksualiteit, zijn tomeloze ambities te vertellen, reikt hij de vele critici die hem om allerlei redenen buitengewoon irritant vinden, de context aan voor hun kritiek. ün hij beschrijft het perspectief van de babyboomer zélf, vanzelfsprekend subjectief.

In beide opzichten mag het boek geslaagd heten, al blijft Fortuyn bij vlagen knap irritant, vanwege z'n zorgvuldig gekoesterde eigenzinnigheid, z'n arrogantie en gewichtigdoenerij, bijvoorbeeld waar hij uitvoerig uit de school denkt te moeten klappen over een reeks 'bekende Nederlanders', waartoe hij vanzelfsprekend ook zichzelf rekent. Het onbehagen over dit alles wordt echter royaal vergoed door een reeks scherpzinnige waarnemingen.

Zo kun je erover twisten of de jaren vijftig inderdaad zo verpletterend saai waren als veelal wordt verondersteld, al was het maar om het gewenste contrast te kunnen schetsen met de roerige jaren zestig.

Nou, daar is in de verhalen van Fortuyn weinig van te merken. Kerk, gezin, de school, het waren instituten van formaat. Dat wel. Maar hun gezag stond ook toen al volop ter discussie en in ieder geval het jongetje Fortuyn legde zich er allerminst klakkeloos bij neer.

Fortuyn gevoelt nauwelijks enige aandrift de loftrompet te steken over de jaren zestig. Veel van wat er toen gebeurde, zoals het bouwvakkersoproer dat uitmondde in de bestorming van het Telegraaf-gebouw (waarmee de protestgeneratie overigens weinig van doen had), de Maagdenhuisbezetting en de honderd-uren-bezetting van het hoofdgebouw van de VU waarvan hij de leider was, beschrijft Fortuyn als min of meer onvermijdelijke gebeurtenissen, omdat studenten naar het anarchisme neigden en de bestaande structuren verkalkt waren.

Daarentegen noteert hij des te scherper hoe in die roemruchte jaren de vrouwenemancipatie nauwelijks van de grond was gekomen en homoseksualiteit aan de universiteit zelfs non-existent was.

Voorzover de jaren zestig al inspirerend waren, blijkt Fortuyn er in de jaren zeventig ruim z'n bekomst van te hebben gekregen. Hij is dan universitair docent aan de universiteit van Groningen en hij signaleert in dit milieu vooral linkse bekrompenheid, beduchtheid voor en serviliteit aan de toen in het noorden des lands machtige CPN. Opgelucht keerde hij de stad de rug toe, om zich in het westen te vestigen als bijzonder hoogleraar, adviseur en vooral ook publicist.

Welbeschouwd lopen Fortuyns waarnemingen meer in de pas met die van de Amerikaan James C. Kennedy, die ruim een jaar geleden eveneens een boek schreef over Nederland in de jaren zestig, 'Nieuw Babylon in aanbouw'.

Je kunt die jaren 'revolutionair' noemen, maar anderzijds verliep de transformatie in Nederland wel erg soepeltjes, zeker in vergelijking met de ons omringende landen. Volgens Kennedy kwam dat omdat de autoriteiten zich makkelijk gewonnen gaven: om de touwtjes in handen te kunnen houden bleken zij zelfs bereid de rol van progressieven op zich te nemen.

Mogen we Fortuyn geloven, dan is die inschikkelijkheid (die vaak ten onrechte voor tolerantie wordt aangezien) weer de oorzaak van de verwendheid van de babyboomers. Slappelingen zijn het, die niet in staat zijn de samenleving bij elkaar te houden. Het is hoog tijd, vindt hij, dat de babyboomers eindelijk hun verantwoordelijkheid nemen en volwassen worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden