Reportage

Het toneelstuk ‘Black’ is een welkome mep in het witte gezicht

‘Black, The sorrows of Belgium I.’ Beeld Michiel Devijver

België moet zich kapot schamen voor het koloniale verleden in Congo, vindt theaterregisseur Luk Perceval. Met zijn nieuwe voorstelling ‘Black’ wil hij zijn publiek wakker schudden. Lukt dat? 

De Vlaamse acteur Peter Seynaeve loopt raaskallend in een witte plooirok over het toneel van de Gentse schouwburg. Hij speelt een witte missionaris in Congo eind negentiende eeuw, die langzaam krankzinnig lijkt te worden. De pater is druk bezig een nieuwe missiepost in te richten. Hier moet de ‘Avenue Louise’ komen, roept hij tegen zijn zwarte personeel, alsof ze achterlijk zijn. En daar de ‘Bredabaan’.

Het leidt tot hilariteit in het publiek: dit zijn de namen van twee dure Belgische winkelstraten. Seynaeve wendt zich tot het Gentse theaterpubliek. En laat hen de straatnamen vrolijk mee scanderen.

Seynaeve heeft dan al een halve voorstelling regelmatig de lachers op zijn hand, als soms geestige, dan weer zielige of perverse, maar altijd plat dialect sprekende, grijnzende koloniaal. Iemand die over zichzelf zegt dat hij ‘altijd ‘ne eenvoudige mens is bleven, een goeie christen’, die zich inzet voor ‘t ‘geluuf’.

Niet veel later zet Seynaeve twee van zijn zwarte tegenspeelsters, Andie Dushie en Aminata Demba, op een stoel voor een ‘les’ en laat hen – in haast onverstaanbaar Vlaams dialect – zeggen dat ze ‘dwoaze zwarte geiten’ zijn. Dan richt Seynaeve zich opnieuw tot de zaal voor een scandeersessie: ’t zijn twee dwoaze zwarte geiten’. Waarna er een uitzonderlijk ongemakkelijke stilte valt over het – overwegend witte – publiek.

Doodschamen

Regisseur Luk Perceval van NT Gent had vooraf aangekondigd te zullen provoceren in zijn nieuwe voorstelling ‘Black’, die afgelopen weekend in première ging. De voorstelling is het eerste deel van de trilogie ‘The sorrows of Belgium’, waarin hij drie grote trauma’s uit de Belgische geschiedenis aan de kaak stelt. In dit eerste deel buigt hij zich over het koloniale verleden en de exploitatie van Congo onder de Belgische koning Leopold II (1885-1908). Later volgen ‘Yellow’ over de collaboratie tijdens WO2 en ‘Red’ over de terreuraanslagen in Brussel.

Volgens Perceval zouden De Belgen zich moeten doodschamen voor hun koloniale verleden en wat dat teweeg heeft gebracht. Vorige maand nog riep een onderzoekscommissie van de Verenigde Naties de Belgische overheid op excuses te maken voor haar koloniale verleden. Maar tot woede van Perceval noemde de Belgische premier Charles Michel het VN-rapport ‘raar’ en deed koning Filip – nazaat van Leopold II – er het zwijgen toe.

Daarop besloot de regisseur het maar in hun plaats te doen. In een opiniestuk in de Vlaamse krant De Standaard bood hij zijn ‘hoogstpersoonlijke en welgemeende excuses aan het hele Afrikaanse continent’ aan. “Hoe is het mogelijk dat er in België nog trotse standbeelden staan die verwijzen naar de glorieuze leider Leopold II? Een koning die, gemeten aan het bloedvergieten dat hij veroorzaakt heeft, thuishoort in het rijtje van Stalin, Hitler, Mao en Pol Pot.”

Het debat over die prangende vragen komt in België pas de laatste maanden op gang, nadat Canvas in de serie ‘Kinderen van de Kolonie‘ voor het eerst niet alleen oud-kolonialen, maar ook (jonge) Congolese Belgen aan het woord liet over de weerslag van de kolonisatie op de hedendaagse samenleving.

Dubbelzinnige beelden

Vertrekpunt van ‘Black’ zijn de reisverslagen van de onbekende Afro-Amerikaanse ontdekkingsreiziger William Henry Sheppard. Afkomstig uit Virginia trok hij in 1890 als missionaris voor de Presbyteriaanse Kerk naar Congo Vrijstaat. Daar werd hij geconfronteerd met het geweld van de troepen van de Belgische koning Leopold II. Terug in de VS geeft hij lezingen over de verschrikkingen die hij daar aantrof – plunderingen, verkrachtingen, slachtpartijen.

Percevals voorstelling is geen rechtstreekse vertaling van Sheppards verslag op het toneel, maar een verzameling impressies zonder al te duidelijke verhaallijn. In elkaar overlopende, beeldende scènes worden afgewisseld met getuigenissen van gekoloniseerden en kolonialen. De verkrachtingen en moorden komen daarbij aan de orde, maar worden niet getoond. Perceval zoekt de confrontatie met de wandaden in Congo eerder in dubbelzinnige beelden.

Zo hangt de scène vol met donkere, zware touwen. Het ene moment slingeren witte kolonialen daarmee van de ene naar de andere kant van de vloer, het andere moment gebruiken de zwarte acteurs ze als zwepen die keihard op de grond knallen.

Seynaeve is als één van de vier witte, bekende Vlaamse acteurs in ‘Black’ overduidelijk een van de publiekstrekkers en gangmaker in de voorstelling, maar het zijn de zwarte acteurs die het theaterpubliek in deze voorstelling met de neus op de feiten drukken.

Naïeve propaganda

Hoe potsierlijk de houding van de kolonialen was, voelt de zaal wanneer zwarte actrices Aminata Demba en Andie Dushime de zogenaamd goede intenties ‘niet uit ijdelheid, maar uit liefde’ van de Belgen in Congo uitspreken. Ze steken zo de draak met de naïeve propaganda dat de Congolezen zaten te wachten om ‘gered te worden door de aardige, witte, buitenlanders’.

Wie hen vervolgens een lijst clichés over Afrika hoort opsommen – de mooie natuur, de wilde dieren, de ongereptheid – hoort niet alleen de koloniale propaganda, maar ook de echo van toeristische tv-reclames . De eigen, hedendaagse vooroordelen over het continent verschillen misschien helemaal niet zo veel van die van de kolonialen.

In een andere scène fluister-zingen de twee actrices in de schemering met zwoele en tegelijk koortsachtige stem ‘Afriiiiii… Afriiiiii….Afriiiikaaa…..’; een concept dat door de Europeanen is bedacht. Theatraal een betoverende scène, tot je als toeschouwer ongemakkelijk bedenkt dat ook de sensueel bewegende zwarte vrouwen in die scène een westerse constructie zijn.

Volgens de Vlaamse krant De Morgen, die de voorstelling beoordeelde met vijf sterren, zit de kracht van Black precies in die tegenstrijdigheden. “Het is een welkome mep in je gezicht, die je wakker schudt en dwingt om in een weinig flatterende spiegel te kijken.” De Standaard (vier sterren) spreekt van ‘een zinderend gesamtkunstwerk’. Perceval legt ‘de vinger op de wonde en wijst ons op ons gebrekkige historische besef én onze huidige, vaak zo stuntelige omgang met multiculturaliteit.’

Bezopen

Pas op het einde van de twee uur durende voorstelling richten de acteurs zich met hun boodschap rechtstreeks tot het publiek. De zwarte actrices lepelen op wat zij in het dagelijks leven zoal te horen krijgen van witte Vlamingen: ‘Als ze allemaal zo zouden zijn als gij’, ‘Wat spreek je goed Nederlands’, ‘You are very beautiful for a black woman’. “Ziet ge mij echt voor wie ik ben?”, vraagt Aminata Demba aan de toeschouwers. Daarmee trekt Black een rechte lijn van het koloniale superioriteitsdenken van destijds naar de hedendaagse realiteit voor de 100.000 Congolese Belgen.

Die zijn, in tegenstelling tot veel andere migrantengroepen, veelal hoogopgeleid maar hebben stelselmatig te maken hebben met vooroordelen, discriminatie en moeten het doen met precaire baantjes, zoals ook het eerder genoemde VN-rapport stelt.

Hoe onrechtvaardig en bezopen dat is en hoe witte mensen het liefst met een grote boog om die vaststelling heenlopen terwijl iedere burger daarin een verantwoordelijkheid draagt, dat besef lijkt bij het Gentse theaterpubliek na twee uur rammen langzaam door te sijpelen. “De hel zijn niet de anderen, maar wat andere mensen doormaken wanneer u besluit om hen de rug toe te keren”, besluit Nganji Mutiri.

‘Black’ speelt nog t/m 30 maart in Gent en gaat daarna op tournee. De voorstelling is op 8 en 9 april te zien in Internationaal Theater Amsterdam 

Don Pandzou

Hoe kijken jonge, zwarte Belgen naar ‘Black’? Trouw ging naar de première met twee jonge opiniemakers. Wat zegt de voorstelling volgens hen over de stand zaken in het Belgische kolonisatiedebat? 

Alsof ik excuses kreeg van de culturele elite van dit land’

Don Pandzou (31) werd geboren in Congo-Brazzaville. In 1992 kwam hij met zijn familie naar België, omdat zijn vader gezocht werd vanwege zijn activisme tegen het regime van Mobutu. Hij studeerde sociaal-cultureel werk en is jeugdbeleidsmedewerker bij de Ambrassade, de Vlaamse overheidsorganisatie voor jongerenwerk. In 2008 richtte hij Waka Waka Generation op, een stichting die activiteiten organiseert voor sub-sahara-Afrikaanse jongeren. Ook organiseert hij debatten en spreekt hij regelmatig over dekolonisatie en racisme.

“Een rollercoaster”, verzucht Don Pandzou als hij de zaal uitloopt. “Ik vind het echt goed, maar het is wel duidelijk gemaakt voor een wit publiek. Vooraf dacht ik: deze voorstelling is er voor mij. Maar als Belgische Congolees had ik op meer herkenning gehoopt. Daar miste ik wat.

‘‘Zo is muziek heel dominant aanwezig in de voorstelling. Ik had rumba verwacht, maar ze beginnen met een lied uit de Amerikaanse soul. Daar raakten ze mij in eerste instantie kwijt. Gaandeweg kwamen er meer muzikale invloeden die ik ken uit Congo, waardoor ze dichter bij mijn belevingswereld kwamen.

‘‘Ik werd heel erg getroffen door de scène waarin Sam Lapsley, de witte missionaris die met Sheppard meereisde, ziek wordt, het niet meer ziet zitten in Congo en zich met een stok tot voor aan het podium sleept en dan zijn excuses aanbiedt aan het publiek voor de gewelddadigheid van het kolonialisme. Voor mij voelde dat echt alsof ik excuses kreeg van de culturele elite van dit land. Met deze voorstelling maakt de regisseur echt een statement.

‘‘Wat ik ook interessant vond is dat de witte personages in de voorstelling krankzinnig gedrag vertonen en zwelgen in hun verdriet, terwijl de zwarte personages rationeler en waardiger omgaan met hun pijn. Dat is een omkering, omdat in het publieke debat vooral zwarte vrouwen vaak worden weggezet als emotioneel en boos. Maar ik weet niet of andere zwarte jongeren de voorstelling ook zo zouden ervaren. Als je Belgisch-Congolese jongeren deze voorstelling laat zien, zal de maatschappijkritische boodschap aan ze voorbij gaan. Bij hen zal het witte perspectief hard binnenkomen, zoals de missionarissen die obsceen met hun achterwerk bewegen en het lachende publiek.”

Nadia Nsayi

‘Naast bekende blanke spelers vier zwarte acteurs: revolutionair’

Nadia Nsayi (34) werd geboren in Kinshasa, Congo. Ze heeft een Congolese moeder en een Belgo-Congolese vader. Op vijfjarige leeftijd verhuisde ze met haar moeder naar België. Nsayi studeerde politieke wetenschappen in Leuven en werkt als beleidsmedewerker Congo voor de christelijke ngo’s Broederlijk Delen en Pax Christi. Sinds enkele jaren mengt ze zich nadrukkelijk in het debat over het koloniale verleden.

“Stevig”, is het eerste oordeel van Nadia Nsayi, na de twee uur durende première. “Ik heb mij de hele tijd afgevraagd: hoe komt dit over bij een wit publiek? Vooral in het begin twijfelde ik daaraan, er werd veel gegrinnikt om zaken die ik niet grappig vond.”

“Ik ben blij dat het publiek aan het slot expliciet wordt aangesproken op de vooroordelen en de discriminatie die vandaag nog steeds aan de orde zijn, dat Aminata Demba vraagt: hoe kijken jullie naar mij? Dat vond ik een cruciaal moment, daarin krijgt het publiek een spiegel voorgehouden. Die provocatie is nodig.”

“Dat er naast vier bekende blanke spelers vier zwarte acteurs op het podium staan is echt revolutionair. In 2010, toen Congo 50 jaar onafhankelijk was, kwamen nog vooral oud-kolonialen aan het woord. In de bejubelde theatervoorstelling ‘Missie’, een paar jaar geleden geschreven door David Van Reybrouck, kwam alleen het perspectief van een witte pater aan bod over zijn zendingswerk. Dat kan nu echt niet meer. We krijgen eindelijk een volwaardige stem. Het stuk had wel meer over de koloniale tijd tussen 1908 en 1960 mogen gaan. Nu gaat het over de wandaden van koning Leopold II. We moeten niet in de val trappen om te denken dat het daarna allemaal beter werd met ‘de nonnekes en de paterkes die schooltjes en ziekenhuisjes’ bouwden. Maar dat ligt heel gevoelig in België. Over de periode van Leopold II is wel consensus, maar veel witte Vlamingen hebben een grootvader, oom of neef die missionaris was in Congo en die bedoelden het allemaal goed.

“Ik betrapte mezelf erop dat er een moment in de voorstelling was dat ik ook empathie voelde voor die witte missionarissen, die met goede bedoelingen meegingen in de koloniale propaganda. Een fractie van een seconde dacht ik: shit, die mannen gaan er ook aan onderdoor. Daar had ik moeite mee, het voelt niet proportioneel. Het grote geweld is de Congolezen aangedaan, de empathie moet liggen bij de gekoloniseerden.”

Lees ook:

De paradox van Porgy: is deze zwarte opera toe aan een witte make-over?

Het ligt testamentair vast: in Gershwins opera ‘Porgy and Bess’ mogen uitsluitend zwarte zangers zingen, inclusief die in het koor. Is dit nobele uitgangspunt in deze tijden nog verdedigbaar? In de nieuwe productie van De Nationale Opera is iedereen in ieder geval zwart.

Hoe dekoloniseer je een koloniaal museum? ‘Het lukt niet met kleine ingrepen’

Koning Leopold II van België liet 120 jaar geleden het Congo-museum in Tervuren bouwen, als pronkstuk voor het kolonialisme. Vandaag heropent het na een renovatie als AfricaMuseum, met een kritische blik op het verleden.

Congolese president Kabila wil roofkunst terug

Binnen een half jaar zal België een officieel verzoek uit Congo krijgen voor de teruggave van tijdens de koloniale periode geroofde kunstwerken

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden