Jan Wijn, de belangrijkste pianopedagoog van Nederlandse bodem. Wijn leidde zestig jaar lang de grootste talenten op, maar was zelf ook een begenadigd pianist met een glanzende carrière, die voortijdig eindigde wegens een blessure. Een diep persoonlijk drama.

BiografieLeermeester

Het talent van de geblesseerde toppianist Jan Wijn klinkt in de klanken van zijn leerlingen

Jan Wijn, de belangrijkste pianopedagoog van Nederlandse bodem. Wijn leidde zestig jaar lang de grootste talenten op, maar was zelf ook een begenadigd pianist met een glanzende carrière, die voortijdig eindigde wegens een blessure. Een diep persoonlijk drama.Beeld Merlijn Doomernik

Toen toppianist Jan Wijn door een blessure moest stoppen, richtte hij zich op de overdracht. Zo is hij nu nog steeds te horen via de klanken van Wibi Soerjadi en de broers Jussen. Deze maand verschijnt zijn biografie.

‘Jan ‘de Wain’ is the soloist with Kirill Kondrashin conducting the Concertgebouw Orchestra. We hear Burleske for piano and orchestra in D minor of Richard Strauss.’ Het is even stil en dan horen we die kenmerkende paukensolo waarmee Richard Strauss zijn stuk voor piano en orkest opende. Daar is het orkest en even later dendert het virtuoze vuurwerk van de pianist over de luisteraar heen.

Jan Wijn moet lachen om het vette accent waarmee de Amerikaanse radiopresentator zijn naam uitspreekt. En dat lidwoord hoort natuurlijk niet tussen zijn voor- en achternaam. Maar hij vond het toch wel erg leuk dat een oud-leerling deze Amerikaanse radio-opname uit 1977 op internet had gevonden.

Speels, lichtvoetig, met een sterk geaccentueerd ritme en sprookjesachtige lyriek brengt Wijn het jongehondenstuk van de 21-jarige Strauss over het voetlicht. 

De Amerikaanse radio-uitzending is uit 1977, maar de opname werd gemaakt op 9 november 1972 tijdens een concert in het Amsterdamse Concertgebouw. Het waren de hoogtijdagen van de pianist Wijn. “Ik was toen op mijn best”, oordeelt hij zelf. “Toen ik dit onlangs terughoorde, dacht ik: wat was ik goed, zeg.”

Begin jaren zeventig gold Wijn als een van de grote vier pianisten in Nederland. Je had Daniël Wayenberg, Theo Bruins, Cor Groot én Jan Wijn. Hij speelde bij alle orkesten in Nederland en gaf talloze solorecitals, ook in het buitenland.

Sprankelend als champagne

Hij was echt een virtuoze pianist met helder spel, weet zijn oud-leerling Ton Demmers nog. “Ik herinner me dat hij in 1971 Stravinsky’s Concert voor piano en blazers speelde bij het Concertgebouworkest. Dat deed hij echt ontzettend goed. Helder, onderhoudend, zonder oppervlakkig te zijn. Maar niet zwaarwichtig. Zo is zijn persoonlijkheid ook niet. Hij speelde met een groot gevoel voor expressie, maar sentimentaliteit was hem vreemd. Sprankelend, dat is een term die bij zijn spel hoort. Als champagne.”

Hoewel Wijn in een muzikaal gezin opgroeide, was het niet vanaf het begin duidelijk dat hij pianist zou worden. Als zoon van een onderwijzeres en een tekenleraar had Jan als lagereschoolleerling een schoolbord op zijn kamer: hij wilde leraar worden. Maar vanaf de middelbare school was hij niet meer van de piano weg te slaan. Zijn huiswerk leed eronder. Toen hij in de vijfde van het gymnasium bleef zitten, wilde hij van school af en naar het conservatorium. Dat leek iedereen uiteindelijk de beste oplossing. Twee jaar sneller dan gebruikelijk studeerde hij aan het conservatorium af. En na een jaar studie in Zwitserland stapte hij in 1959 het Nederlandse concertleven in.

Concerten waren in het begin moeilijk om te krijgen. Tot een Haagse impresario voor hem wilde werken. Die adviseerde hem om naar Spanje te gaan en bij de pianiste Alicia de Larrocha les te nemen. Wijn: “Die man zei tegen me: ‘Je moet naar Spanje gaan, daar is een concours, daar moet je de eerste prijs winnen en als je dan terugkomt, kan ik veel voor je gaan doen.’ En zo geschiedde: Wijn won na zijn lessen bij De Larrocha de eerste prijs op het pianoconcours in Odense en brak door.

Pianist wordt pedagoog

Moet een goede pianoleraar ook zelf een goede pianist zijn? Feit is dat de belangrijkste pianopedagoog van Nederland, die zestig jaar lang de grootste talenten opleidde, zelf een fantastisch pianist met een glanzende carrière is geweest. Dat Jan Wijn moest stoppen wegens een blessure, was een persoonlijk drama. Maar hij keerde het ten goede door zich helemaal te richten op lesgeven. Bekende pianisten, van Ronald Brautigam, Wibi Soerjadi, Ivo Janssen en Marietta Petkova tot Hannes Minnaar en Lucas en Arthur Jussen, kregen les van hem. Zijn invloed doet zich niet alleen op het podium gelden, maar ook op de conservatoria en muziekscholen. Om zijn gedachtengoed te bewaren schreef Sandra Kooke een boek over deze bijzondere man, die afgelopen zomer op zijn 86ste afscheid nam. Hier volgt een verkorte weergave van het biografische hoofdstuk uit ‘Speel’.

Recensenten herkenden het bijzondere talent onmiddellijk. De invloedrijke Hans Reichenfeld schreef in de NRC na Wijns debuut in de kleine zaal van het Concertgebouw in 1961: ‘Jan Wijn is een van de grootste talenten onder de jonge Nederlandse pianisten (...) met name de obsederende helderheid van zijn kunstenaarschap: objectief in de beste zin van het woord. Zakelijk en ‘sec’, maar gevoed door een verterende passie.’

Wijn kreeg het druk. Hij moest als een razende nieuwe stukken instuderen. De ene week het Pianoconcert van Schumann, drie weken later het Vijfde Pianoconcert van Beethoven. Wijn: “En dan meteen met het Concertgebouworkest, van die enge dingen. Je moet snel kunnen studeren als concertpianist, en gelukkig vind ik studeren het leukste wat er is.”

Vanaf 1962 werkte hij ook twee dagen per week in Tilburg aan het conservatorium als hoofdvakdocent. In 1968 verruilde hij dat voor het conservatorium in Amsterdam. Daarnaast speelde hij in binnen- en buitenland, tot en met de Nederlandse Antillen, Brazilië en de Sovjet-Unie aan toe. Met zijn vrouw kreeg hij twee zoons, het gezin woonde in Bussum. Hij was gelukkig.

Focale dystonie

En toen ging het mis. Vanaf 1972, het jaar waarin hij met Burleske bij het Concertgebouworkest zijn triomf vierde, sloop er heel geleidelijk iets in zijn rechterhand. Hij begon octaven mis te slaan, de gemakkelijkste samenklank, die met een goede techniek geen enkel probleem hoeft te zijn. Met links had de linkshandige Wijn geen problemen. Maar met rechts belandde hij steeds op een septime, een toets te weinig: zijn greep werd kleiner. “Mijn intuïtie voor het octaaf was weg, ik moest altijd mikken en verder strekken. Ik zag ook dat mijn hand zich sloot als ik een loopje speelde. Als ik de duim, wijsvinger en middelvinger voor een loopje gebruikte, krulden de ringvinger en pink naar binnen.”

Het ging van kwaad tot erger. Hij moest zich met extra studeren en aangepaste vingerzettingen door zijn optredens heen slaan. In 1976, na zeventien jaar concerten geven, was het afgelopen. Hij speelde met Willem Brons het Concert voor twee piano’s en orkest van Mozart, maar kon zijn partij niet spelen. Brons moest een stukje van hem overnemen. Hij besloot er voorlopig mee te stoppen.

Wijn ging ervan uit dat het goed zou zijn om eens flink aan zijn techniek te werken. Dan kon hij een paar jaar later wel weer terugkomen op het podium. Daarnaast kwam de in die tijd populaire gedachte op dat het psychisch kon zijn. “Ik dacht, ik moet naar een pianist annex psychiater. De pianist Hans Henkemans was ook psychiater, dat leek ideaal.” Toen Wijn de kwaal beschreef, wist Henkemans het meteen. Wijn: “Hij zei: ‘Dat is angst. Een spin trekt ook zijn poten in als hij bang is.’” Angst, ja die kende Wijn wel. Zoals iedereen was hij gespannen voor een optreden. Maar hij was ook een podi­um­dier. Het was hem te makkelijk als verklaring.

Nooit meer kunnen spelen zou een ramp zijn. Er volgde een jarenlange zoektocht langs fysiotherapeuten, magnetiseurs, masseurs en andere specialisten in binnen- en buitenland. Maar niemand kon hem helpen of verklaren waardoor zijn hand zo deed. Tot hij op een dag een interview las met de pianist Leon Fleischer. Die beschreef zijn blessure en die herkende Wijn onmiddellijk: het naar binnen krullen van de hand, geen octaven kunnen pakken. Toen las Wijn voor het eerst de naam van zijn kwaal: focale dystonie. Een Engelse neuroloog velde eind jaren zeventig het definitieve vonnis: ‘Ik heb slecht nieuws. Het zal nooit meer goedkomen met uw hand.’

Dat was het dus: een aandoening waardoor de hersens de vingers niet goed kunnen aansturen. Het is alsof er een computervirus op de aansturing van de beweging van de hand terecht is gekomen. Naar schatting een tot twee procent van de professionele musici heeft er last van. Meestal zijn de vierde en vijfde vinger van de hand – de ringvinger en pink – het probleem. Een succesvolle behandeling is er nog altijd niet, al hebben sommige ziekenhuizen tegenwoordig wel richtlijnen voor de behandeling ervan.

In de jaren zeventig en tachtig was dit nog niet aan de orde. Niemand kon Wijn helpen. Het was een moeilijke tijd. Ook zijn huwelijk liep in deze tijd stuk, omdat hij een relatie kreeg met een ander. Vrouw en kinderen bleven in Laren, hij verhuisde naar een woonboot in Amsterdam. De boot werd volledig in beslag genomen door de concertvleugel. Kort na zijn vijftigste kreeg hij een relatie met Claartje, een goede vriendin van zijn inmiddels overleden vrouw, met wie hij nu getrouwd is.

Spirituele hoek

Een ander zou door een gedwongen einde aan een carrière als pianist in een diepe crisis zijn geraakt, maar Wijn bleef ondanks alles al die jaren optimistisch over het herstel van zijn hand. “Ik bleef denken: het komt weer goed. Als ik nu maar goed oefen, los ik het wel op. Zo eigenwijs was ik.”

Hij zocht de oplossing ook in spirituele hoek. Hij voelde zich altijd al aangetrokken tot grafologie en astrologie. Wijn verklaart zijn eigen plichtsgetrouwheid – altijd hard studeren, nooit ziek zijn of een les overslaan – uit het feit dat zijn sterrenbeeld Stier is. Zijn speelse kant, zijn woordgrapjes en interesse in duizend dingen, hangen samen met zijn ascendant Tweelingen, zegt hij. Uit zijn horoscoop blijken ook neerdrukkende tendensen die op tegenslagen in het leven duiden. Het verklaart volgens hem waarom concerten geven hem niet zo makkelijk afging als sommige andere pianisten. Zelfs dat zijn carrière plotseling zou eindigen, stond volgens hem in de sterren geschreven. Wijn vermoedde daarom altijd dat hij doof zou worden. Met een blessure als focale dystonie had hij nooit rekening gehouden.

Uiteindelijk koos hij in de jaren tachtig op advies van een bevriende arts voor Scientology. Hij paste de techniek toe die L. Ron Hubbard, de grondlegger van de Scientology Kerk, bedacht: auditing. Twee mensen gaan tegenover elkaar zitten en elkaar via een vaste vragenlijst bevragen. Een elektriciteitsmeter in de hand laat zien op welk gespreksonderwerp – je vader, moeder, broer, werk enzovoorts – de meter uitslaat en een speciale lading laat zien. Dan heb je iets uit te zoeken. Het zorgt voor inzicht en ruimt de ‘rommel’ – angsten, remmingen, twijfels, ideeën die je in de weg zitten – in je hoofd op, verklaart Wijn. 

Geen hoge pet

Honderden sessies heeft hij gehad, hij moest een lening afsluiten om het te kunnen betalen, want het was verschrikkelijk duur. Hij had het ervoor over, omdat het misschien zou helpen om over de focale dystonie heen te komen. Hij is zelfs een tijd lang elk half jaar enkele weken in Amerika in het hoofdkantoor geweest om zijn kennis bij te spijkeren. “Ik vond het meesterlijk. Er zat een bètacomponent in deze psychologie, de elektriciteitsmeter, die me erg aansprak. Het heeft me veel goed gedaan. Scientology heeft me geweldig geholpen met het afleren van verkeerde ideeën over wie ik was. Ik had geen hoge pet op van mezelf. Daar leerde ik wie ik echt was en dat mijn eigen ziel onkwetsbaar was. Dat gaf me steun als ik ergens tegenop zag.” In de jaren negentig was hij ‘clear’, schoon, iets dat bij de Amerikaanse vestiging van de kerk gecontroleerd en bevestigd werd.

Overigens is hij al jaren geleden gestopt. Tijdens een van de cursussessies in Clearwater in Florida, aan het eind van de jaren negentig, was hij na twee weken wachten nog niet aan de beurt geweest. Hij moest nodig terug naar zijn leerlingen.

“Ik dacht: plof maar. Ik ben als een dief in de nacht met het vliegtuig vertrokken. En ik ben nooit meer teruggegaan.” Toen Wijn in 1976 stopte met concerten, kon hij meteen een dag extra aan het conservatorium werken. Hij had veel aanvragen voor lessen en kreeg zo een nieuwe invulling voor zijn leven.

In de jaren tachtig kreeg zijn naam als pedagoog een enorme aantrekkingskracht. Vooral toen zijn leerling Ronald Brautigam een grote internationale carrière kreeg, werd Wijn de leraar met wie elk talent wilde werken. Zelf verklaart Wijn zijn aantrekkingskracht op jonge studenten alleen uit het succes van Brautigam en later Wibi Soerjadi. “Dat is natuurlijk flauwekul”, zegt oud-leerling Ton Demmers. Hij studeerde van 1969 tot 1972 bij Wijn. “Hij was toen al een voortreffelijke leraar.”

Dat Wijn geen concerten meer kon geven, bleef ondanks zijn plezier in lesgeven knagen. Hij legde zich enige tijd toe op het spelen van stukken voor de linkerhand, zoals het bekende Pianoconcert voor de linkerhand van Ravel. Uiteindelijk bloedde dat dood, Wijn vond te weinig stukken die hem artistiek interesseerden. Het zou bij lesgeven blijven. Dat gaf hem de gelegenheid intensief met muziek bezig te blijven. Het is best mogelijk dat hij door lesgeven dieper inzicht in muziek heeft gekregen dan wanneer hij was blijven spelen, verklaart hij nu.

En toch, het pianospelen bleef kriebelen. Hij stopte ook nooit met spelen in zijn eigen studeerkamer. Eind jaren negentig, toen hij volgens de Scientology Church ‘schoon’ was, was het tijd voor een comeback. Een eerste openbaar recital met twee handen gaf hij in 1997, tweeëntwintig jaar na zijn laatste optreden met beide handen, in het Rosa Spierhuis in Laren. Daarna volgde een recital in de concertzaal Vredenburg in Utrecht. Ook trad hij op met het Gelders Orkest in het Pianoconcert van Ravel, het concert voor twee handen.

Hij was blij dat hij weer kon optreden. Maar helemaal tevreden was hij niet. “Ik had nog steeds problemen met octaven en andere akkoorden. Het was altijd opletten geblazen, van: o jee, daar komt die greep. In recensies las ik het terug: het was niet vlekkeloos. Dus ik dacht: nee, ik doe het niet meer. Ik was door Scientology wel een hoop muizenissen kwijt, maar de hersencellen bleven verkeerde dingen doen.”

De allerlaatste keer dat hij optrad voor publiek was enkele jaren geleden in de Haitinkzaal van het Conservatorium van Amsterdam. “Ik speelde delen uit Miroirs van Ravel en Prelude, Aria et Final van César Franck. Maar ik had ongelooflijk veel moeite met de octaven.” Muziek kiezen die zijn hand nog aankon, vond hij geen optie. Zelfs in Mozart zou hij nog vastlopen. Het was voorbij. Ja, enorm zonde vindt hij het. Maar hij heeft veel van zijn blessure geleerd over hoe pianospelen werkt, zegt hij. ‘Wat een mysterie is pianospelen toch. Je denkt in je hersens een beweging en die zetten je handen om in een echte beweging, op de millimeter nauwkeurig, gedoseerd in hard of zacht, vaak in een enorm rap tempo en met een emotionele lading. Dat die hersens dat kunnen!’

Op zijn vijfentachtigste is hij daarom nog steeds op zoek naar de oplossing voor zijn hand. “Dan denk ik: laat ik eens out of the box denken en mijn techniek veranderen. Bijvoorbeeld met plattere vingers of met een hogere pols gaan spelen. Maar die vierde vinger blijft toch gewoon overal achter haken.” Toch blijft hij genieten van pianospelen. Dagelijks studeert hij. Techniek, om zijn vingers soepel te maken. “Ik studeer trouw Chopin-etudes. Heel langzaam, vanwege de hygiëne: geen foute noten, egaal.

“En soms denk ik weer: ik zou een concertje willen geven. In kleine kring, gewoon om te kijken of het nog kan.”

Sandra Kooke, ‘Speel! De lessen van Jan Wijn’, ISVW uitgevers, 19,95 zal verschijnen op 27 oktober.

Toppianisten over Jan Wijn

Ronald Brautigam:

‘Jan Wijn heeft me het eerste jaar van het conservatorium letterlijk losgeschud. De kern van pianospelen is dat je alleen de spieren gebruikt die je nodig hebt en dat al het andere loszit. Dat is helemaal zijn filosofie: geen overbodige spanning. Als ik nu achter de piano zit, doen mijn handen als twee slaven precies wat ik wil. Daar ben ik hem eeuwig dankbaar voor.’

Hannes Minnaar:

‘Jan Wijn heeft een pianist van me gemaakt. Zoals hij al zijn leerlingen tot professionele musici heeft gevormd. Ze leveren allemaal heel constant een professioneel niveau.’

Arthur Jussen:

‘Ik respecteer zijn mening altijd, omdat er heel weinig bullshit bij zit. Wat hij zegt, dat klopt gewoon. Maar ik denk ook weleens: ja, dat is typisch Jan, zo nuchter. Er mag wel een schepje romantiek op tijdens het concert.’

Lucas Jussen:

‘Veel leraren hebben een enorm ego en beschouwen hun manier van lesgeven als de enige juiste weg. Natuurlijk heeft Jan ook een ego, maar hij houdt minder vast aan een bepaalde overtuiging. Dat vind ik heel mooi. Als een leraar zijn persoonlijke stijl probeert op te dringen, ga ik daar echt niet beter van spelen.’

Thomas Beijer:

‘Wat ik erg goed van hem vind, is dat zijn leerlingen toch allemaal anders spelen. Hij leert je stijlbesef – zoals dat je bij Mozart in een toonladder geen pedaal mag gebruiken – maar hij laat je vooral jezelf worden. Dat is wat een goede leraar kenmerkt.’

Frank Peters:

‘Ik had soms het idee dat hij aan mij meer kon zien dan er letterlijk te zien is. Als iemand speelt, zie je ook de persoon. Muziek raakt iets dieps, het gaat over je persoonlijkheid. Een leraar kan dat soms zien, voelen. Jan kon dat ook.’

Lees ook:

Daniel Wayenberg (1929-2019) was wel degelijk een van de beste pianisten van Nederland

Een van de beste pianisten van Nederland? Daniel Wayenberg noemde het zelf in een interview ‘grote onzin’. Maar hij was het wel degelijk. Met ook nog eens veruit de langste carrière. In maart 2018 speelde hij op zijn 88ste nog in de kleine zaal van het Concertgebouw. Dinsdag overleed hij op 89-jarige leeftijd.

De nieuwe Buwalda komt in drie delen

Negen jaar na zijn uiterst succesvolle debuut Bonita Avenue heeft Peter Buwalda zijn tweede boek af. Otmars zonen is nog maar deel 1 van een trilogie. Ambitieus? “Ik wil een boek schrijven dat ik zelf zou willen lezen. Kennelijk hou ik van dikke boeken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden