Review

Het rood is verbleekt

Wat heeft het ’rode decennium’, de generatie ’68 ons eigenlijk gebracht? Legde het de kiem van emancipatie en solidariteit, of eerder van geweld? Om die vragen draait het in de roman ’Rood’ van de Duitse schrijver Uwe Timm. Zijn ’held’ Thomas is een tragisch overblijfsel uit een verdwenen links tijdperk.

Duitse schrijvers mengen zich graag in het maatschappelijk debat. Een paar jaar geleden zetten Ossies als Jakob Hein de toon met hun nostalgische DDR-memoires, zoals ’Mijn eerste T-shirt’. Maar de DDR-renaissance lijkt alweer op zijn retour. Op dit moment staat de oude Bondsrepubliek in het middelpunt van de literaire belangstelling. Vooral de vraag naar het erfgoed van de generatie van ’1968’. Waren de radicale studenten de voorlopers van het terrorisme in de jaren zeventig of waren het de herauten van emancipatie, participatie en basisdemocratie? Bracht het ’rode decennium’, zoals de publicist Gerd Koenen de periode van 1968 tot eind jaren zeventig heeft gekarakteriseerd, geweld of vooruitgang? Deze literaire belangstelling gaat gepaard met nieuw historisch onderzoek naar de Rote Armee Fraktion (de RAF) in Duitsland.

Uwe Timm (1940) springt met zijn roman ’Rood’ midden in die discussie; het boek maakt de balans op van de jaren zestig en zeventig. Eerder, in zijn debuut ’Heisser Sommer’ (1974), beschreef Timm de eerste stappen die de generatie ’68 zette in de Duitse samenleving. Met het monumentale en meeslepende ’Rood’ sluit Timm het verhaal nu af. En zijn oordeel klinkt definitief: de kleur rood, zinnebeeld voor revolutie, rode wijn, liefde en socialisme, is verbleekt en verwaterd.

Voor het verval van deze ooit zo idealistische generatie heeft Timm prachtige metaforen gevonden. Zo is de verteller, die Thomas Linde heet, lijkredenaar van beroep: hij is in te huren als spreker op begrafenissen. Voor de vorm noemt Linde, begin vijftig, zichzelf jazzcriticus, maar zijn eigenlijke passie is het laten herleven van overledenen, in opdracht van hun nabestaanden.

Daarnaast is Linde van plan een roman over de kleur rood te schrijven. In zijn lege, witte appartement (boeken geeft hij weg wanneer hij ze uit heeft) inventariseert hij daartoe alvast alle omschrijvingen van de kleur der kleuren: bloedrood, rood van de liefde, revolutierood, alarmrood.

Alsof dat alles nog niet treurig genoeg klinkt, laat Timm de man ook nog verliefd worden op een blonde, ambitieuze lichtkunstenares van rond de dertig. Door deze Iris (Timm heeft een voorliefde voor symbolische namen) wordt Lindes weinig geslaagde leven pijnlijk schel belicht. Iris maakt Linde duidelijk dat zijn jeugd opgebrand is zonder iets ’groots’ teweeggebracht te hebben. En wat misschien nog erger is: de jonge kunstenares belichaamt de apolitieke generatie van de jaren negentig voor wie de idealen van de 68’ers sowieso geen waarde meer hebben. Alleen hun logo’s hebben het overleefd. ’Avant-garde’ is een modekreet geworden.

De letterlijke klap op de vuurpijl levert Tim echter met de introductie van Lindes overleden tijdgenoot Aschenberger. De vrienden hebben elkaar uit het oog verloren, maar via Aschenbergers zoon krijgt Linde het verzoek om de lijkrede voor zijn oude kameraad te houden.

Dan, gravend in de metershoge stapels papier in Aschenbergers appartement, stuit Linde op een pakje explosieven. Dat is een schok. Kennelijk deed zijn vriend wél meer dan ellenlange verhandelingen schrijven over ’armoede en rijkdom’ en het ’alledaagse fascisme’: hij was ook van plan zijn socialistische idealen in de praktijk te brengen. Aschenberger wilde de Siegessüule in Berlijn opblazen, dat voor hem het militaire fallussymbool van de Bondsrepubliek was.

Linde wordt op slag teruggeblazen in zijn verleden. Zijn met zorg opgetrokken muur van stoïcisme was al wat wankel geworden door Iris’ vragen naar de betekenis van zijn leven. En nu reikt Aschenberger hem over het graf de middelen aan om zijn gebrek aan elan, om zijn verraad aan de revolutionaire zaak alsnog goed te maken. Daarmee is de cirkel rond.

’Rood’ klinkt als een thriller, en is dat feitelijk ook. De roman opent met een ongeluk, is vanuit een raadselachtig vertelperspectief opgezet, en eindigt met een explosie. Dader en slachtoffer zijn echter al vrij snel bekend: ze zijn één en dezelfde persoon. Maar het is weer onduidelijk of de explosie Berlijn écht op zijn grondvesten laat schudden, of dat de knal alleen in de verbeelding van de hoofdpersoon te horen is. De stijl van de roman, met geraffineerde, meanderende zinnen, is ook niet erg typerend voor de detective. Eigenlijk is dit verhaal één grote innerlijke monoloog.

Of toch niet? Af en toe wordt de tekst onderbroken met de tussenwerping ’geëerde begrafenisgangers’. Dat duidt erop dat Lindes laatste lijkrede over hemzelf gaat. De verteller heeft zijn lichamelijke beperkingen verlaten, zweeft ter hoogte van de engel op de Siegessüule en blikt nog eens in een ultieme tour d’horizon, vanuit een alwetend perspectief, terug op het aardse gewemel. Of is het de engel zelf die als Walter Benjamins Engel der Geschichte met vertrokken gezicht de gruwelen van geweld en overspannen idealen becommentarieert?

’Rood’ is een typische gelaagde roman: op het eerste gezicht een tragisch liefdesverhaal, is het ook een afrekening met de generatie van 1968. Het legt bovenal voor die generatie verantwoording af. Want enerzijds voelt iemand als Thomas zich schuldig over zijn verraad aan revolutionaire idealen; anderszijds is hij opgelucht dat hij zich nooit tot revolutionaire acties heeft laten verleiden. Die nuance geeft dit boek duidelijk een maatschappelijke waarde.

In ’Der Freund und der Fremde’ ging Timm in op de dood van Benno Ohnesorg, de student die in 1967 tijdens een demonstratie door een politieman werd neergeschoten en daarmee de ’martelaar’ van de protestbeweging werd. Generatiegenoten vroegen zich na dit drama af hoe effectief hun radicale engagement eigenlijk was. Maar: hoe moest de strijd voor een betere wereld dán gevoerd worden?

Destijds, suggereert Timm nu, waren er maar drie mogelijkheden: je werd terrorist, depressief of conformist. Timms held Thomas Linde heeft de weg gekozen van de innere Emigration, – hij heeft zich uit de maatschappij teruggetrokken, en heeft zich dus aangepast, geconformeerd. Maar een oordeel velt Timm niet: zijn portret van Linde is uiteindelijk heel liefdevol. Hij maakt aannemelijk dat Linde de explosieven niet daadwerkelijk heeft gebruikt, maar er zelf voortijdig door werd gedood.

Daarmee verlost hij Linde van zijn frustraties over de zinloosheid van het leven: dat van hemzelf én dat van de huidige generatie. Tegelijkertijd brengt hij ook een duidelijke scheiding aan tussen revolutionaire idealisten en terroristen. De eersten gaan zelf aan hun eigen idealen ten onder, de laatsten slepen onschuldige omstanders mee in hun val. Thomas’ roman over de kleur rood moet blijkbaar onvoltooid blijven. De strijd voor een betere wereld is begraven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden