Review

Het regende en stormde dikwijls hevig

,,Een reiziger uit het buitenland komt 's avonds in een dorp aan. Omdat hij in de herberg geen onderdak kon krijgen, gaat hij naar de schout. Die had een fles teveel gedronken en scheldt hem voor landloper uit. De reiziger laat zijn pas zien, die, zoals men weet, in het Frans opgesteld is. De schout kent de taal niet en antwoordt hem: ,,Wat heb ik te maken met je oude ontslag uit de Franse dienst?' Hij laat de man oppakken en naar de Ommerschans brengen. De kapitein ziet bij aankomst zijn pas en maakt een rapport, maar de arme reiziger is nog steeds niet vrij.'

MARTIN REINTS

Een passage uit het dagboek dat Jacob van Lennep maakte tijdens zijn voetreis door Nederland. Op 15 juli 1823 bezocht hij de verschrikkelijke kolonie in Ommerschans. Een kolonie voor bedelaars, opgezet volgens het motto wie niet werkt zal ook niet eten. Het loon voor het zware werk was precies hoog genoeg om met hard werken wat eten te verdienen, maar ook zo laag dat het altijd te weinig was om de vrijheid te kunnen kopen. Hun gezondheid is toevertrouwd aan een kwakzalver. ,,Hij is uit Duitsland verbannen en woont in een hol bij de vaart. De president van het geneeskundig toezicht in Zwolle heeft hem voor schut gezet en hem laten bekennen dat hij van alle kruiden in zijn recepten alleen de kropsla kende. Ook hoorde ik dat de gouverneur van Overijssel klachten over hem heeft ingediend. Ondertussen sterven de kolonisten onder zijn handen. Toen Kruizinga laatst een zaal binnenging, vond hij er een dood tegen de deur liggen.'

Van Lennep was er niet speciaal op uit om misstanden op te speuren, maar in het Nederland dat hij bewoonde liep hij er wel vanzelf tegen aan. Het is een van de dingen waarover je wordt geïnformeerd wanneer je kennis neemt van Van Lenneps dagboek. En dat kan op dit moment op allerlei manieren. Het dagboek is in een zogenoemde hertaling door Marita Mathijsen en met een voortreffelijke inleiding door Geert Mak uitgegeven als 'Lopen met Van Lennep'. De oorspronkelijke tekst is integraal gepubliceerd op internet, net als dat van Van Lenneps reisgenoot, Dirk van Hogendorp. En op de televisie is zojuist een serie programma's begonnen waarin Geert Mak de wandeling naloopt.

Van Lennep was 21 en zijn medestudent Van Hogendorp 25 toen ze hun voetreis maakten. Beiden waren aan het eind van hun studie, en burgers van hun stand maakten in die fase een reis door Europa om de wereld te leren kennen en contacten op te doen. Maar zij besloten in plaats van het buitenland het eigen land te bezoeken. Hun onderneming is een uiting van romantisch nationalisme. Ze begonnen op 23 mei in Amsterdam, liepen door Noord-Holland, lieten zich met een schip overzetten naar Urk en Lemmer, bezochten Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland, en waren op 2 september weer thuis.

Het bezoek aan de bedelaarskolonie maakte indruk, maar staat in het dagboek toch vrij neutraal tussen de andere belevenissen. Het zijn jonge heren van stand, op inspectie door Nederland, en ze gedragen zich als mensen met vanzelfsprekend gezag. Dat komt door de hoge positie van Van Hogendorps vader, de man die de Nederlandse staat had ingericht na het vertrek van de Fransen. Aan het begin van hun wandeling kunnen de jongens op Marken nog de indruk wekken van het hof te komen ('Kaik, dat is nou Zen Hooghait'), maar gaandeweg beginnen ze op landlopers te lijken. Wordt hun stand niet herkend en worden ze niet onmiddellijk onthaald als belangrijke gasten, dan laten ze zich wat grote namen uit hun kennissenkring ontvallen en iedereen rent voor ze. Hoewel ze in de hertaling - een woord dat toch maar moeilijk went - met een rugzak lopen, moet de lezer zich niet voorstellen dat ze als in onze tijd ook een tent en een slaapzak meevoeren. De rugzak is eigenlijk een ransel met wat leeftocht - de grote bagage laten ze zich van herberg tot herberg nasturen. Niettemin was een wandeling in de zomer van 1823 een soort survivaltocht. Want het regende en stormde dikwijls hevig, terwijl er nog nauwelijks verharde wegen waren.

Het Nederland dat ze zien bevindt zich op een breuk tussen twee tijden. In Noord-Holland wordt het grote kanaal gegraven dat Amsterdam via Den Helder weer met de wereldzeeën moet verbinden. De muren om de steden die ze bezoeken zijn nog niet afgebroken, maar vele huizen die ooit prachtig waren zijn bouwvallig. De wilde natuur wordt bevochten in de kolonies, en parallel daarmee wordt de bedelarij bestreden met menslievende bedoelingen maar onmenselijke methoden. Er hangt, om het zo te zeggen, veel toekomst in de lucht, en veel van het verleden staat op het punt te verdwijnen. In deze tijd begint de roes van de mogelijkheden en de nostalgie om het verdwenen verleden.

Daarom is het dagboek voor ons de moeite waard. Het valt op vele manieren te lezen. Het is bijvoorbeeld aardig te zien wat er nog over is van de plekken die hij 177 jaar geleden bezocht - en dat valt hier en daar nog wel mee. Tegelijk is het belangwekkend te zien wat er verdwenen is. De misstanden in de kolonies bijvoorbeeld, maar ook de krankzinnige hoeveelheden thee en koffie die een voetreiziger indertijd kennelijk dronk. Het dagboek heeft daarbij de charme van alle dagboeken, namelijk dat je als lezer getuige bent van wat echt gebeurd is. Van Lennep noteert bijvoorbeeld op 8 juli: 'Vandaar kwamen wij door enorm uitgestrekte koren-, boekweit- en klavervelden uit bij aardige bosjes, waar verrukkelijk vogelgezang te horen was.' Lees je zo'n passage in gewone literatuur dan neem je kennis van een abstract gegeven. Je stelt je het zingen van de vogels voor zoals dat altijd kan klinken. Maar dit gezang, door Van Lennep en zijn vriend opgemerkt op 8 juli 1823, is historisch. Zo'n detail, onbelangrijk als het is, kan net zo treffen als een oude foto die je ergens vindt. Helaas zijn de waarnemingen van Van Lennep wel tamelijk oppervlakkig. Dat komt mogelijk door zijn leeftijd en zijn achtergrond. Hij schrijft in een vlakke stijl over non-gebeurtenissen, vlecht er oubollige grappen en slappe gedichten tussendoor, en gaat haast nergens diep op in. Zijn landschapsbeschrijvingen zijn als mooie foto's in een album, maar missen de gerichte blik die ze belangwekkend zou kunnen maken. Hetzelfde geldt voor de architectuur en de kunst die hij ziet. De dingen zijn prachtig of in verval, sommigen zijn welgesteld en anderen gaan gebukt onder sociale ellende, maar meer deelt hij er nauwelijks over mee. Dat je het dagboek met hetzelfde gemak kunt lezen om te zien wat er verdwenen als om te zien wat hetzelfde is gebleven, bevestigt die ongerichtheid waar hij mee kijkt. Paradoxaal genoeg maakt die ongerichtheid dit boek, en deze onderneming van Geert Mak, op vele manieren de moeite waard.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden