Review

Het oneigentijdse dichterschap van Jorge Luis Borges

Die bloemlezing werd samengesteld, ingeleid en vertaald door Borges-kenner Robert Lemm, en betekent een hele stap vooruit vergeleken bij de uitgave van de verhalen, die de lezer volkomen aan zijn lot overliet. Een nadeel is dat Lemm de Argentijnse auteur te eenzijdig als filosoof opvoert, en hem slechts in tweede instantie als schrijver beschouwt. Deze aanvechtbare benadering kleurt uiteraard ook de keuze van de gedichten. Het valt op dat de metafysicus Borges veel beter vertegenwoordigd is dan de speelse ironicus die hij eveneens, en misschien wel vooral, was. Ook Lemms vertaalstrategie doet vragen rijzen. Hij beweert dat in de verzen de inhoud - waarmee hij zijn eigen interpretatie bedoelt - belangrijker is dan alle andere kenmerken. Deze opvatting staat echter haaks op Borges' onbedaarlijke neiging om de draak te steken met de vermeende onaantastbaarheid van literatuur.

ILSE LOGIE

Desondanks siert het Lemm dat hij Borges' dichterschap onder de aandacht heeft gebracht. Dat is niet vanzelfsprekend, want ook al hechtte de Argentijnse schrijver zelf veel belang aan zijn poëzie, de kritiek is hem daarin allerminst gevolgd. In tegenstelling tot zijn verhalen hebben Borges' gedichten maar weinig bijval en navolging gekend. Wellicht houdt dit verband met de uitgesproken klassieke inslag van die verzen die te bezadigd klonken om inspirerend te werken. Borges had bovendien de tijdsgeest tegen. Op een ogenblik dat zowel in Europa als in Amerika allerlei avant-gardebewegingen furore maakten, had het lezerspubliek kennelijk geen boodschap aan zijn cerebrale gedichten.

Toch was Borges niet van meet af aan zo oneigentijds tegendraads. Gedurende zijn lange verblijf in Europa was hij in de ban geraakt van het Spaanse ultraísmo, een kruising tussen het surrealisme en het futurisme, die gekenmerkt werd door stoutmoedige beeldspraak en een geestdriftige bejubeling van de technologische vooruitgang. Deze beweging zette zich in de eerste plaats af tegen de Spaanstalige variant van het Franse symbolisme, het modernismo, dat in mooischrijverij was ontaard. Het mag dus geen verbazing wekken dat Borges aanvankelijk in experimenteel vaarwater terechtkwam. Hij was trouwens lang niet de enige: ook andere bekende twintigste-eeuwse Latijns-Amerikaanse dichters als Leopoldo Lugones, Vicente Huidobro of César Vallejo kozen resoluut voor vernieuwing.

In 1921 keerde Borges naar Buenos Aires terug, waar hij zich opwierp als woordvoerder van het ultraísmo. Zijn eerste belangrijke bundel, 'Fervor de Buenos Aires', droeg nog de sporen van zijn flirt met deze kersverse stroming, maar kondigde anderzijds de belangrijke rol aan die de Argentijnse hoofdstad in het latere oeuvre zou spelen.

De wijze waarop Borges nog geen vijf jaar later zijn experimentele periode de rug toekeerde, was verbluffend radicaal. Op slag verbood hij de publicatie van alle teksten die in zijn begintijd waren ontstaan, en her en der liet hij zich schamper over zijn literaire jeugdzonde uit. Hij brak nu volkomen met de romantische kunstopvatting. In tegenstelling tot Octavio Paz, dat andere boegbeeld van de Latijns-Amerikaanse poëzie, noemde hij de dichter geen 'ziener', maar veeleer een 'maker', een 'hacedor' - zoals de titel luidt van het eigenzinnige mengsel van korte prozateksten en gedichten uit 1960, dat in het tweede deel van de Werken is opgenomen. Al kent deze 'maker' aan poëzie een intensiteit toe die proza niet verdraagt, toch komt het voor hem zelfs in dit genre aan op het geduldig 'vlechten van elflettergrepige verzen'.

Borges was inmiddels tot de bevinding gekomen dat het aantal wezenlijke overeenkomsten tussen de dingen niet oneindig was, en nam voortaan zijn toevlucht tot geijkte metaforen. De wildgroei aan beelden uit zijn begintijd moest het afleggen tegen een handvol traditionele symbolen en mythen, waarvan de auteur de particuliere toepassingsmogelijkheden schier onbeperkt achtte. Aangezien alles al in pakweg de 'Ilias' voorkwam, was het werkelijk nieuwe volgens hem gelegen in het herschikken van het bestaande. Niemand kon in het verleden noch in de toekomst leven, en niemand was in staat zich helemaal te onttrekken aan de cultuur waarin hij was grootgebracht. Eigentijds en Argentijns was Borges bijgevolg automatisch, en waarom zou hij dan die facetten van zijn persoonlijkheid extra in de verf zetten?

Deze latere poëtica, die aan het merendeel van Borges' verzen ten grondslag ligt, heeft zich slechts langzaam ontwikkeld. Pas in 1960 verschenen er, na een onderbreking van maar liefst dertig jaar, weer volop gedichten. In die tussentijd legde de auteur zich vooral toe op het schrijven van verhalen en essays. De ommekeer in Borges' poëzie-opvatting ging ook gepaard met een verstrakking van de vorm. Vanaf 1960 werden de rijmschema's klassieker en kreeg het sonnet de bovenhand.

Borges geloofde niet in de scheiding der genres, zodat de thema's in zijn poëzie niet wezenlijk verschillen van die uit zijn verhalen en essays. Wie de bloemlezing doorneemt, merkt dat ook deze doortrokken is van een onuitroeibare metafysische hunkering, die echter in botsing komt met een even alomtegenwoordige scepsis. Aan de ene kant overheerst de platonische gedachte dat het menselijk bestaan wordt bepaald door zich steeds herhalende grondvormen. Tegelijkertijd was de agnosticus Borges zich terdege bewust van de onachterhaalbaarheid van deze patronen. In vele gedichten treedt het contrast tussen de verstrijkende tijd en de duurzaam gewaande menselijke identiteit op de voorgrond. Borges vraagt zich af hoe schijnbaar tegengestelde principes als lineariteit en simultaneiteit zich beurtelings aan ons kunnen voordoen, en hoe het komt dat één ogenblik soms de indruk geeft alle andere te weerspiegelen. Keer op keer tracht de auteur die begenadigde momenten, waarin de mens zich als bij wonder vrij voelt van de wetten van oorzaak en gevolg, op te roepen. Meer nog, hij streeft ernaar die flits waarin het bestaan oplicht 'als een munt die glinstert in de regen' te helpen bewerkstelligen.

Zelf zocht Borges de sleutel tot het 'geheimschrift' in de literatuur, omdat daar nu eenmaal zijn lotsbestemming lag. Hij besefte dat hij altijd met een been buiten het leven had gestaan, en putte uit zijn kunstenaarschap niet het minste gevoel van superioriteit. Nu en dan bekende hij zelfs openlijk schuld, omdat hij alles aan het schrijven had opgeofferd: ,,Ik heb de vreeslijkste zonde begaan / Die een mens maar begaan kan. Ik ben niet / Gelukkig geweest (...).'' Na 1960 onderging Borges' poëzie geen wezenlijke veranderingen meer, hoewel de toon van de gedichten intiemer werd.

De bundels uit de jaren tachtig, waarin de auteur mijmert over zijn slechte gezichtsvermogen en over zijn nakende dood, laten zien hoe aangrijpend contemplatieve, ingetogen verzen kunnen zijn. Zelfs zijn blindheid probeerde Borges als een weldaad te zien, omdat die hem dwong het kaf van het koren te scheiden en slechts een paar uitgelezen vrienden en een dozijn teksten over te houden. De ontroerende oefeningen in afscheid uit deze laatste periode ontkrachten tevens het misverstand dat Borges' gedichten wereldvreemd zouden zijn. Wie het complete dichtwerk overschouwt, ontdekt dat het met die geringe betrokkenheid bij het leven nog meevalt. Daarenboven worden de beperkingen van deze poëzie ruimschoots goedgemaakt door haar diepgang en haar unieke stijl - een superieure combinatie van eruditie, sereniteit en weemoed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden