Review

Het nachtkastje als ultieme vrees

Treeske Blase: 'We komen zo, mevrouw', met tekeningen van Anneke Hohmann. Uitgever Bonneville, 19,90 gulden.

ANITA LOWENHARDT

Dat zegt de moeder van Treeske Blase, jaren voordat alles waaraan ze zo gehecht is, is gereduceerd tot dat ene, door haar zo gevreesde nachtkastje. Met die woorden begint ook het ontroerende boekje 'We komen zo, mevrouw' dat de nu 64-jarige Treeske Blase schreef over de tien jaar die haar moeder, tot haar dood, in een verpleeghuis doorbracht.

Het boek bevat dertien verhaaltjes, die samen het trieste bestaan schetsen van een erudiete, levenslustige maar ook kwetsbare vrouw, die in het verpleeghuis langzaam wegkwijnt tussen oudere, zieke en gehandicapte mensen.

“Mijn moeder”, noteert haar dochter, “voelt zich verlaten in dit huis. Haar interesses verschillen van die van de meeste bewoners. Haar humor heeft haar niet verlaten, ze interesseert zich nog steeds voor wat er in de wereld gebeurt en verandert en slaat geen dag de krant over. Ze luistert graag naar een mooi concert. Chopin, Debussy, Mahler. Ze vindt de doorsnee televisieprogramma's 'snert' en windt zich dagelijks op over de verslaving die quiz heet. Eenzaam is ze. Een zoekende vlinder tussen geknakte bloemen.”

Treeske's moeder kwam in dat tehuis terecht, toen ze haar benen niet meer kon gebruiken: gevolg van medische onzorgvuldigheid na het inzetten van een nieuwe heup. Ze moest steeds door twee mensen worden geholpen en dat kon niet in het bejaardenhuis waar ze zat. Treeske dacht erover om haar zelf in huis te nemen. “Maar verpleging voor dag en nacht is onbetaalbaar en ik kon toch moeilijk om half negen de deur uitgaan en tegen haar zeggen dat ze tot vijf uur niet kon plassen. Dan had ik m'n baan moeten opzeggen.”

Die baan was bij de gemeente Amsterdam, waar Treeske Blase hoofd externe betrekkingen was - zeg maar een soort ambassadrice van de hoofdstad. In Amsterdam werd ze ook geboren en ze woont er nog steeds, aan een van de grachten. “Ze moeten me hier wegslepen.” Ze ging er naar de lagere school met de Bijbel. “Mijn ouders dachten waarschijnlijk: dan hoeven wij het haar allemaal niet te vertellen.”

Na het gymnasium kreeg ze een beurs om in Amerika te studeren. “Mijn jaar in Georgia is bepalend geweest voor m'n verdere leven. Ik was een heel verlegen meisje en dat timmeren ze er daar meteen uit. Veel gestudeerd heb ik er trouwens niet, omdat het lesniveau van het junior college veel lager was dan het gymnasium hier. Na twee maanden gaf ik er Engelse grammaticales. En ik heb er heel veel contacten aan overgehouden.” Zo leerde ze er onder anderen de latere president Jimmy Carter kennen, ooit leerling op dezelfde school.

In 1952 was ze terug in Nederland. “Mijn ouders zeiden: 'Je mag alles studeren wat je wilt, maar ga eerst 'ns een diploma halen, want meisjes maken hun studie niet altijd af'. Ze hadden een vooruitziende blik.”

Treeske deed een secretaressenopleiding en ging rechten studeren in Amsterdam. “Na m'n kandidaats dacht ik: economie is veel leuker.” In plaats van een nieuwe studie kwam ze in Leiden terecht bij het NBBS (Nederlands Bureau voor buitenlandse studentenbetrekkingen). “Dat zou ik een jaar doen, op voorstel van mijn neef die daar directeur was, maar ik ben er blijven hangen.”

“We deden er van alles op het gebied van reizen, voor en door studenten. Het verdiende niets, de meisjes kregen net genoeg om hun kamer te betalen. Voor de rest sprongen de ouders bij. Dat was toen zo. Ik heb er leren organiseren en heel hard leren werken zonder te zeuren. Ook was ik stafmedewerker van 20th Century Fox bij de opnamen in Amsterdam van de film 'The Diary of Anne Frank', maar op een gegeven moment zei m'n vader dat ik nu maar 'ns een baan moest vinden waar ik een pensioen zou opbouwen. Ik heb 'm vreselijk uitgelachen, want wat moet je op die leeftijd nou met een pensioen.”

“Ik werd secretaresse van een van de firmanten van de bank Pierson Heldring en Pierson, een fantastische leuke tijd, maar na een jaar of vijf dacht ik: ik geloof dat ik meer kan dan dat.” Dat méér werd het directeurschap van de stichting Pandora voor de voorlichting over psychiatrie.

“Pandora werd opgericht door een vermogende Amerikaan van Nederlandse afkomst, A. L. van Ameringen. Hij was president-directeur van een Amerikaanse reuk- en smaakstoffenfabriek en vond dat hij zijn carrière te danken had aan het Nederlandse onderwijs. Hij wilde wat terugdoen en dat werd Pandora, waarschijnlijk omdat hij een familielid had dat opgenomen was geweest. Hij gaf 100 000 dollar als startkapitaal en vroeg mij om die stichting op te zetten.”

“Ik schrok daar vreselijk van, want ik wist niks van psychiatrie en iedereen die ik erover raadpleegde vond dat ik er niet aan moest beginnen. De wereld van de psychiatrie was een wespennest, zeiden ze. Maar hoe meer ik dat hoorde, des te meer kreeg ik het gevoel dat ik het toch moest doen. Nu zou ik dat niet meer durven, denk ik. Ik ben op m'n eigen kamer in Amsterdam begonnen, liet briefpapier drukken en bedacht dat ik me eerst maar overal ging voorstellen.”

Echt makkelijk ging dat niet en ook de pers zat niet op Pandora te wachten, vertelt Treeske Blase. “Psychiatrie en (ex-)psychiatrische patiënten waren gewoon een taboe in die tijd, midden jaren '60. Toen heb ik een advertentie in de krant gezet: stichting Pandora zoekt ex-psychiatrische patiënten. Dat was wel goed voor een hoop publiciteit.”

Met de mensen die hadden gereageerd, formeerde ze een team van vrijwilligers die de scholen langs gingen. “We hadden een brochure laten maken en de film 'Kind van de zon' door René van Nie, die in verkorte versie op de scholen werd gedraaid.”

Maar de meeste tamtam bereikte ze met de 'spiegelposter' met de tekst 'Ooit 'n normaal mens ontmoet? En. . ., beviel 't?' “De tekst was van Simon Carmiggelt, die het prima vond dat we 'm gebruikten. Dat affiche hing echt overal. Werd er een minister geïnterviewd, zag je die poster achter zijn bureau hangen.” Na ruim twaalf jaar hield ze Pandora voor gezien. “Het was een hele emotionele baan, ik was teveel getrouwd met Pandora. Ik wilde dat niet tot m'n 65e doen en voor de stichting was het ook niet goed.”

Intussen schreef ze ook nog voor de vrouwenpagina van het Algemeen Handelsblad. Ze deed interviews, maakte wekelijks een winkelrubriek én een strip over planten, met tekeningen van Anneke Hohmann. Dat groeide uit tot twee boeken, 'Plantaardigheden' en 'Bladwijzer', waarvan er ruim 160 000 werden verkocht. “Niet te geloven”, vindt zij nu.

De laatste baan van Treeske Blase werd die op het Amsterdamse stadhuis. “Daar heb ik 15 jaar gewerkt. De eerste tien, twaalf jaar groeiden de bomen tot de hemel. De afdeling externe betrekkingen had ruime budgetten en ik reisde veel. De laatste jaren vond ik het minder, met de ene reorganisatie na de andere en geknijp op budgetten. Ik liep ook tegen de zestig en eigenlijk zijn dit banen - met alle avonden en weekeinden die je werkt - die je tot je 55e moet doen. Ik ben op m'n 60e gestopt. Heerlijk, ik heb er geen moment spijt van gehad.”

Haar moeder zat toen al tien jaar in het verpleeghuis. “Ik ging in maart 1992 met de vut en in december overleed ze. Van de tien jaar dat ze daar zat, had ik er negeneneenhalf die zware baan. Mijn zusje - die ook een hele drukke baan had - en ik gingen twee keer per week op bezoek. Ieder op andere dagen. Dat deed ik graag, maar het was wel heel zwaar en soms ook onbegrepen, omdat mensen niet snapten dat zo'n verpleeghuis af en toe even voorrang had. Dat kun je ook niet bevatten, als je er nooit mee in aanraking bent geweest. Ik hoop dat mensen iets daarvan uit dit boekje kunnen leren, want vroeger of later krijgen we er allemaal mee te maken.”

“Weet je, er zijn mensen in zo'n tehuis die nooit bezoek krijgen. Echt schrijnend. En er zijn mensen die hun partner elke dag bezoeken. Toen ik de verhalen opschreef, begon ik het steeds onvoorstelbaarder te vinden dat mensen een opname in een verpleeghuis tien jaar kunnen volhouden. Met dagelijks die ellende om je heen.”

Zo beschrijft ze hoe haar moeder reageerde op de zelfmoord van een medepatiënt, die met zijn rolstoel de vijver in was gereden. “'Moedig hè', zei mijn moeder. Dat ze dat toen zei. Dat sprak boekdelen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden