INTERVIEW

Het moederschap is geen prinsessenfantasie, zegt ‘nachtouder’ Saskia De Coster

Saskia De Coster: ‘Ik had het niet verwacht, maar het moederschap blijkt me juist veel geestelijke vrijheid te geven.’ Beeld Martijn Gijsbertsen

Een niet-biologische moeder? ‘Dat is net zoiets als een natte woestijn of een droge zee’, schrijft Saskia De Coster in haar autobiografische roman ‘Nachtouders’. Zij is er zelf een, haar vriendin droeg hun zoon in haar buik. De Coster worstelde enorm met haar rol.

Kinderen? De Vlaamse schrijfster Saskia De Coster (43) moest er niet aan denken. Zij wilde haar leven wijden aan de literatuur en daar pasten geen poepluiers en slapeloze nachten bij. Maar toen ontmoette ze Juli, de liefde van haar leven. En Juli had een sterke kinderwens.

Met hulp van De Costers goede vriend Karl, een Canadese kunstenaar die donor wilde zijn, raakte Juli uiteindelijk zwanger. In maart 2014 beviel ze van hun zoontje, De Coster werd de officiële tweede ouder, de ‘niet-biologische moeder’.

Maar was dat niet een contradictio in terminis? Een droge zee, een natte woestijn? Wat werd er van haar verwacht en kon zij dat wel waarmaken?

In haar nieuwe roman ‘Nachtouders’ beschrijft De Coster hoe ze worstelde met haar rol. Juli – die in het echt anders heet – beschouwt zij als de echte moeder, die wél weet hoe alles moet. Als De Coster een poepluier verschoont, kokhalst ze van de stank. Dat zou een natuurlijke moeder nooit hebben, denkt ze.

‘Nachtouders’ gaat over het moeilijke eerste jaar met hun zoontje. In dagboekfragmenten onderzoekt de schrijfster haar eigen gedachten en gedrag. Daarnaast is het boek een spannend reisverslag: het jonge gezin maakt een reis naar het Canadese hippie-eiland waar donorvader Karl is opgegroeid. Die paradijselijke plek verandert langzaam maar zeker in een hel, waarin alles onder spanning komt te staan. “Heel het eiland wordt in de roman een projectie van mijn eigen angsten, met overvliegende gieren die zomaar een baby’tje kunnen doodpikken. Ik heb het tot een gothic fantasie omgevormd”, vertelt De Coster in een Amsterdams café.

‘Nachtouders’ is een roman, maar gaat ook over jou en je zoontje. Wat is de relatie tussen fictie en jullie levensverhalen?

“Ik zou het heel flauw gevonden hebben als ik mezelf in het boek een andere naam zou ­hebben gegeven, Sandra of zo. Dat zou een vorm van bedrog zijn geweest, ik heb zelfonderzoek gedaan. Flaubert zei het al: ‘Madame Bovary, c’est moi’. Maar de anderen zijn vanuit mijn schrijversblik weergegeven, daarom heb ik ze anders genoemd. Saul is in het echt de tweede naam van mijn zoontje. Het hippie-­eiland heet Portes in het boek, maar niet in het echt.”

Wat zijn nachtouders?

“Het eerste jaar van het ouderschap speelt zich grotendeels ’s nachts af. Je moet steeds opstaan, om doodmoe voor een krijsend wezentje te gaan zorgen. Soms daalt dan de vraag neer: Wat overkomt me, wat ben ik aan het doen? De nacht is een periode van overgang van de ene dag naar de andere, tijdloos en ­existentieel. Je komt bij de kern, bij twijfels die in hedendaags ouderschap prominent aanwezig zijn. Er zijn geen ijzeren principes meer die we naleven, het ouderschap is een onderhandeling, ook met jezelf. Nachtouders zijn wankelende ouders, die soms twijfelen en ­falen.”

Is dat falen een taboe?

“Taboe is een zwaar woord, maar het zou wel goed zijn om vaker mislukkingen te delen. Ik vind het zelf geruststellend om te horen dat haastige ouders hun kind meesleuren uit de crèche en dan na een paar honderd meter merken dat het op blote voeten loopt. Het moederschap is geen prinsessenfantasie, waarin je almaar blij bent en cupcakes bakt. Het is niet erg als je nu en dan denkt: Ik voel me een slechte ouder. Want dat is toch een teken dat je het probeert.”

‘Ik voelde: er is iets en het mag niet, het is fout en ik wil het niet. Het was zelfhaat.’ Beeld Martijn Gijsbertsen

Je schrijft in ‘Nachtouders’ ook over je eigen ouders. Accepteren zij Saul nog steeds niet als hun kleinkind? Omdat hij niet jouw biologische zoon is?

“Inderdaad. Ze geloven ook niet dat ik lesbisch ben. Ze zeggen: ‘We kennen zo niemand, het bestaat niet’. Ik was als kind altijd bezig met tekenen en schrijven, met dingen die in hun ogen weinig opleveren, behalve vragen en moeilijk gedoe. Ze redeneren: Nou is ze ook nog met een vrouw, dat is om speciaal en kunstig te doen.”

Ze denken dat jouw lesbisch zijn een pose is?

“Ja inderdaad. Ik had gewild dat het zo was, dan had ik het kunnen afwerpen. Ik was zelf toen ik jong was ook even homofoob. Ik voelde: er is iets en het mag niet, het is fout en ik wil het niet. Het was zelfhaat.

“Mijn ouders zeggen: homoseksualiteit bestaat niet. Dat hangt deels met hun geloof samen, ze zijn katholiek. Het kon aanvankelijk ook onwetendheid zijn, dat kun je ze niet verwijten. Maar als je ze informeert en ze zeggen vervolgens: ‘Maar ik gelóóf het niet’, dan is hun homofobie een keuze.”

Hun afwijzende houding is wel heftig en hard.

“Ja, het is fundamenteel omdat je als kind altijd trouw aan je ouders bent. Je kan niet anders, je komt uit hen voort, als je zegt: Ik verwerp hen volledig, dan verwerp je ook jezelf.

“Ik probeer het niet persoonlijk te nemen, wat moeilijk is als het om je ouders gaat. Ik kan ze rationeel wel proberen te begrijpen: zij zijn van de na-oorlogse generatie die het land op moest bouwen, ze hadden niet veel ruimte voor psychologie en persoonlijke ontwikkeling. Maar ieder kind streeft ernaar om erkenning te krijgen van zijn ouders. Met dit boek ga ik het vast niet krijgen.”

Als niet-biologische moeder moest je jezelf ­uitvinden. In hoeverre verschil je daarin van vaders?

“Goeie vraag. Aanvankelijk wilde ik mijn boek de ondertitel ‘een vaderboek’ meegeven. Er zijn veel gelijkenissen. Ik had geen actieve kinderwens, ook niet fysiek, dat geldt voor ­vaders doorgaans ook. Een biologische moeder maakt in haar eigen lichaam een klein zieltje, dat is een onbevattelijke en trouwens voor mij ook claustrofobische gedachte: hoe krijg je dat zieltje er weer uit. Net als vaders had ik negen maanden achterstand, ik had het gevoel: ik sta hierbuiten. Maar ook: ik moet het wel heel goed doen, want ik heb hier geen recht op.

“En dan komt het erop aan. Je moet jezelf durven toespreken: Oké, ga nu niet zeggen ik hoor hier niet bij. Het ouderschap is interactief, je moet er zelf invulling aangeven. Dat geldt trouwens ook voor de biologische moeder: ik ging ervan uit dat zij de ouder was die wél de antwoorden heeft. Maar dat is helemaal niet zo.”

Je had in het geheim een minnares, beschrijf je in je boek. Dat is ook een vadercliché.

“Ja absoluut. Juli en ik hadden het fantastisch, de komst van een derde wezentje was bedreigend. Een vluchtroute zoeken, dat leek de oplossing. Ik dacht: het ouderschap is zo dominant, ik wil zelf ook nog bestaan. Relatietherapeut Esther Perel zegt: ‘Mensen die vreemd gaan zijn niet op zoek naar een ander, maar naar een andere versie van zichzelf.’ Zo is het precies.”

Naar welke versie van jezelf zocht jij?

“De versie die autonoom was, zonder ballast. Ik dacht: Ik kan amper verantwoordelijk zijn voor mezelf, laat staan voor nóg een kwetsbaar wezen. Ik wilde ook het artistieke in mezelf veiligstellen en de vrijheid die ik daarin vind.

“Ik had het niet verwacht, maar het moederschap blijkt me juist veel geestelijke vrijheid te geven. Ik dacht vroeger: Je bent ofwel schrijver ofwel moeder. Maar nu vind ik dat een pompeuze, gelimiteerde gedachte. Een kind stimuleert de verwondering, haalt het niet-vanzelfsprekende naar boven, en dat is precies wat de literatuur ook moet doen. Als Saul een cadeautje uitpakt, vindt hij het pakpapier mooier dan wat erin zit. Dat vind ik echt superpoëtisch.”

Saul is nu bijna vijf jaar. Wat voor moeder ben je inmiddels?

“Ik denk dat ik vrij streng bent; eindeloos voor het scherm zitten, dat wil ik bijvoorbeeld niet. Maar wat ik vooral doe is almaar zeggen hoe graag we hem zien, dat wij er altijd voor hem zijn. Dat is een soort compensatie voor mijn eigen ouders, vermoed ik. Hij reageert nu al met: ‘Jaja, dat weet ik wel.’ Overdrijf ik het? Kun je te vaak zeggen dat je van iemand houdt? Ach nee: tonnen liefde, dat is goed.”

Melodieus Nederlands

Saskia de Coster (1976) studeerde Germaanse talen en ­literatuurwetenschap. Ze debuteerde in 2002 met ‘Vrije val’ en schreef sindsdien nog zeven boeken. Voor haar roman ‘Wij en ik’ (2013), over een welgesteld rechts gezin in de Vlaamse suburbia, ontving ze de ­Opzij Literatuurprijs. Deze krant prees haar “mooi melo­dieuze Nederlands, doorspekt met fijne Vlaamse woorden als proper en poetsvrouw. Een holle weg is ‘een aarden sleuf’, beentjes zijn ‘krom als perelarenstammen’, en om iets te ­vieren ga je ‘een pint drinken op café’.”

Lees ook:

In propere Vlaamse villa’s

Het boek ‘Wij en ik’ van Saskia De Coster is geslaagd als zedenschets. Het duurt wel lang voordat je met de welgestelde familie gaat meeleven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden