Review

Het leven van een geweldenaar

Abraham Kuyper veranderde eigenhandig de Nederlandse politiek van een herensociëteit in een strijdperk voor moderne partijen en maatschappijbeelden. Hij was óók een begenadigd predikant, een hartstochtelijke ijdeltuit, schrijver, journalist, onderwijsvernieuwer en onbehouwen schurk. Een verbijsterende figuur in het Hollandse landschap. Een nieuwe biografie doet hem recht.

Jan Kuijk

Meteen in zijn inleiding tot de nieuwe biografie van Abraham Kuyper (1837-1920) brengt Jeroen Koch al een scheiding aan in de toekomstige markt van zijn lezers. Verwacht van hem geen vertelbiografie, zoals George Puchinger twintig jaar geleden ontwierp. Die had, hoewel hij wist dat het schrijven van een Kuyper-biografie ’een vragen om moeilijkheden’ was, een ambitieuze opzet gemaakt: een zes- of zevendelig werk, waarin niet alleen de door Kuyper verrichte gigantische hoeveelheid werk en beschreven papier een plaats zou krijgen, maar ook zijn leven en de omgeving waarin dat leven zich afspeelde. Verder dan het eerste deel is Puchinger niet gekomen, maar dankzij hem weten we wel alles over de eerste driloefeningen, die de jonge student Kuyper op zijn jonge verloofde uitvoerde en over zijn eerste depressie.

De lezers van Kochs meer dan 650 pagina’s tellende ’samenvattende biografie’ worden in de loop van het verhaal met meer van dergelijke tics geconfronteerd, maar krijgen direct ook te horen wat er allemaal níet aan de orde komt: het is eerder een intellectuele dan een persoonlijke biografie. Op die manier is het terrein afgeperkt, maar – dit ter geruststelling van toekomstige lezers – daarbinnen valt best te leven en te lezen.

In zijn openbaar optreden grossierde Kuyper in tegenspraak en paradoxen. Dat is op zich soms vermakelijk, maar het wordt lastig als je er ook nog een zinnig verhaal van moet maken. Dat laatste is Koch aardig gelukt. Zo komt er wel degelijk een persoonlijk beeld van Kuyper naar voren, want zijn archief bevat een uitgebreide persoonlijke briefwisseling, die Koch gretig als bron hanteert.

Dat het opgeroepen beeld niet altijd even sympathiek is, heeft veel te maken met Kuypers vaak onbehouwen en agressieve wijze van optreden, zijn egocentriciteit, zijn hang naar theater (die althans bij mij zowel verbazing als bewondering oproept), zijn niet geringe ijdelheid en het daarmee (vooral op het einde van zijn leven) samenhangend gebrek aan zelfkennis. Wie het allemaal wil weten, moet dit boek zich niet laten ontgaan.

Kuyper kende the noble art of making enemies. Geen wonder dat Koch hem vergelijkt met tijdgenoten als Multatuli, Troelstra en Domela Nieuwenhuis. Mij persoonlijk kwam tijdens het lezen van Kochs relaas een vergelijking op van Kuyper met onze tijdgenoot Hirsi Ali: dezelfde inzet en kruisvaardersmentaliteit, hetzelfde vriend- en vijandmodel, enerzijds op handen gedragen, anderzijds verguisd, beider neiging ook hun autobiografische notities enigszins bij te kleuren.

Het persoonlijke beeld van Kuyper dat Koch geeft, berust vooral op de uitgebreide briefwisseling, die in het Kuyper-archief bewaard is gebleven. Een kostelijke bron. Drie correspondenties springen er uit. De eerste is die met Guillaume Groen van Prinsterer, de ’generaal zonder leger’ die een eenzame politieke strijd streed en die in Kuyper allengs het politiek talent herkende en erkende. Er is sprake van een verhouding leermeester-leerling en dat zet de toon. Maar het is onvermijdelijk dat Kuyper ook hier kans ziet de stugge en afstandelijke Haagse aristocraat zo nu en dan flink te irriteren – iets wat Kuyper niet altijd in de gaten heeft.

De tweede belangrijke correspondent is Alexander Idenburg, een militair die zijn carrière in Indië bouwt (hij breng het daar, na een ministerschap op koloniën, tot gouverneur-generaal). In tegenstelling tot Groen is Idenburg juist Kuypers leerling, maar verrassend genoeg soms ook zijn biechtvader. Hun verhouding heeft iets innigs, maar hun karakters zijn faliekant tegengesteld. Idenburgs bewondering voor Kuypers fraaie concepties is groot en als hij eens een kritische aantekening plaatst, doet hij dat omzichtig. In de brieven aan zijn vrouw is hij wat duidelijker.

De briefwisselingen met Groen en Idenburg zijn in boekvorm uitgegeven, maar het grootste belang van deze Kuyper-biografie ligt in het soms onthutsende inkijkje dat Koch ons geeft in wat Kuyper en zijn rivaliserende evenknie Alexander de Savornin Lohman in hun brieven verhapstukt hebben. Dat is voor het grootste deel nieuw materiaal.

Kuyper en Savornin Lohman wisten dat ze veroordeeld waren elkaars bondgenoten te zijn. Ze beschouwden zich allebei als beheerder van het erfgoed van Groen van Prinsterer. Maar het enorme karakterverschil en de totaal verschillende interpretaties van dat erfgoed tussen beide mannen, leidden tot een strijd die zeven jaar duurde, met Lohman in de Tweede Kamer en Kuyper in zijn studeerkamer, vanwaar hij door middel van zijn commentaren in De Standaard Lohman virtuoos voor de voeten liep. In 1894 gingen zij uiteen. Pas in de laatste fase van Kuypers leven komt er nog een verzoening tot stand.

Als die briefwisseling, goed geannoteerd en toegelicht, wordt uitgegeven, heeft Nederland er een psychologische roman van formaat bij; een bevestiging van wat Anne Anema in de jaren dertig zijn studenten aan de VU over Kuyper voorhield: ’een schoelje, maar’ (en hier pauzeerde Anema even om zijn wijsvinger te heffen) ’een kind van God’.

Uiteraard komt ook Kuypers ministerschap (1901-1905) aan de orde. Dat is, zeker gezien de ambitie waarmee het is begonnen. geen daverend succes geweest. Het is waar: Kuyper was toen al over het hoogtepunt van zijn leven heen. Maar ook hier zat boven alles zijn karakter hem in de weg. Ik weet geen probleem dat hem na zes te zwaar was, maar hij was er niet de man naar om geduldig met dossiers om te gaan – toch de belangrijkste opdracht voor een minister. Kenmerkend lijkt mij ook de manier waarop hij na zijn verkiezingsnederlaag uit het ministerschap is weggeslopen. Hij kon niet tegen zijn verlies en tegenspraak, zelfs als die van de kiezers kwam.

Na zijn ministerschap maakte Kuyper een grote, bijna één jaar durende rondreis langs de Middellandse Zee, waarvan hij verslag uitbracht in een prachtuitgave in twee delen, een bewijs hoe groot zijn prestige toen ook in de uitgeverswereld was. Kochs samenvatting van dat boek vormt een ander hoogtepunt van deze biografie, vooral ook doordat hij laat zien hoe actueel de beschrijving kan zijn van een meer dan honderd jaar oude situatie: de ontbinding van het Ottomaanse rijk en het begin van wat wij nu kennen als het probleem van het Midden-Oosten. Het enige wat ik hem kwalijk neem, is de wat laconieke wijze waarop hij met Kuypers antisemitisme omgaat.

Nu ik toch aan het mopperen ben: er is een kant aan Kuyper die in dit boek niet aan bod komt, Koch noemt het alleen terloops. Kuyper was een meesterlijk schrijver van meditaties voor ’De Heraut’. Dat schrijven deed Kuyper op zondagmorgen, want hij ging liever niet naar de kerk als hij daar niet zelf het woord moest voeren. In die meditaties toonde hij zijn introverte kant en het waren deze stukken, die de sterkste band vormde waarmee de fijnzinnige Idenburg zich aan Kuyper gebonden wist. Het was misschien ook dit onbekende aspect dat de tekenaar Albert Hahn inspireerde tot een vignet van Abraham Kuyper als vraagteken.

Jeroen Koch heeft zijn boek een citaat van de schrijver Nescio als motto meegegeven: ’Ik dacht, direct praat ik over geestelijke stroomingen, waar haal ik de woorden vandaan?’ waarschijnlijk om aan te geven met welke twijfels hij het werk is begonnen. Maar halverwege de lectuur schoot mij als ander motto door het hoofd het woord van de dichter van de tweede psalm ’Die in den hemel woont, zal lachen’.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden