Review

Het is goed om in Europa te wonen

Hoe kwam Europa de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog te boven? De Britse historicus Tony Judt speelt het klaar alle lijnen te ontwarren. Hij schreef een groots boek, dat gelukkig ook rijk is aan sprekende details – zelfs voetballers en koelkasten blijven niet onvermeld. ’Na de oorlog’ maakt duidelijk hoe de Europeanen de deling van het continent wisten te overwinnen en hoe de Europese eenwording een succes werd.

Het idee om een boek over de Europese geschiedenis na 1945 te schrijven, kreeg Tony Judt in december 1989, in Wenen; in een roerige tijd en op een treffende plek. Een paar weken eerder was de Berlijnse Muur gevallen, in Hongarije, Tsjecho-Slowakije en Polen kwamen de communistische regimes steeds meer onder druk te staan, en in de taxi naar het West-station van de Oostenrijkse hoofdstad hoorde Judt via de radio dat er in Roemenië een opstand tegen dictator Ceausescu op gang was gekomen – zo zien we dat taxiritten niet alleen voor journalisten, maar ook voor historici inspirerend kunnen zijn.

Wenen was ook een goede plaats om Europa ’uit te denken’, aldus de Britse geschiedkundige. Want de stad was in 1989 de ’palimpsest’ (perkamente rol) waarop het complete verleden van Europa was geschreven en herschreven: in de eerste decennia van de vorige eeuw was ze de spil van de Europese cultuur, tijdens de Tweede Wereldoorlog ’de provinciale buitenpost van een nazirijk’, en daarna uitkijkpost van het Westen naar het geknechte Oost-Europa, en hoeder en voorbeeld van de vrije wereld.

Door omstandigheden duurde het nog een paar jaar voordat Judt aan zijn immense taak kon begonnen. ,,Achteraf gezien was dat een geluk, want veel zaken die aanvankelijk nog onduidelijk waren, zijn inmiddels iets helderder geworden.’’ Een jaar geleden verscheen zijn boek in het Engels – het werd over het algemeen juichend ontvangen. Volgens de heeft het de vaart van een thriller en de reikwijdte van een encyclopedie.

Deze week is de Nederlandse vertaling verschenen: een kanjer van een boek, 1055 pagina’s dik, nauwelijks in de hand te houden – en dan te bedenken dat de auteur de meeste noten en literatuurverwijzingen naar een website heeft verbannen. Judt heeft dan ook veel te vertellen: over de tanende macht van Europa, waar veel landen na de Tweede Wereldoorlog hun overzeese gebiedsdelen moesten opgeven, over de teloorgang van de ideologieën die eind 19de eeuw waren opgekomen, over de Europese integratie, de gecompliceerde trans-Atlantische band met de Verenigde Staten, het verdwijnen van het IJzeren Gordijn, de migratiestromen en de komst van de multiculturele samenleving. En dat voor tientallen landen, over een periode van zestig jaar – ga er maar aan staan.

Aan Judt blijkt zo’n klus wel toevertrouwd. Het is een prachtig boek, met een enorme vaart geschreven, product van een verbijsterende belezenheid, analytisch vermogen en diverse reizen over het continent, breed van opzet, met ontelbare interessante details, terwijl de auteur de rode lijn van zijn betoog toch meestal goed in de gaten houdt. Al wil Judt soms wel eens te veel kennis kwijt. Over de aantallen koelkasten bijvoorbeeld in de diverse landen door de jaren heen, of over de frequentie van het bioscoopbezoek in de jaren vijftig in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Italië. Dat is deels overbodige ballast; het boek had wel ietsje dunner gekund.

Aan de andere kant vertelt één detail soms meer dan een hele pagina tekst. Wat Judt heel goed kan, is een situatie met een treffend voorbeeld weergeven, zodat je er meteen een goede voorstelling van kunt maken. Zo beschrijft hij in een noot de verschrikkelijke gevolgen van de communistische landbouwhervormingen die Stalin begin jaren vijftig in de Baltische staten doorvoerde: ,,Tegen 1953 waren de omstandigheden op het platteland van het tot dan toe welvarende Estland zo verslechterd dat koeien die door de wind omver werden geblazen, niet meer op eigen kracht konden opstaan.’’

West-Europa was er tegen die tijd al weer aardig bovenop, en dat was verbazingwekkend gezien de immense verwoestingen die het oorlogsgeweld tussen 1939 en 1945 had aangericht – Tony Judt brengt ze zeer gedocumenteerd in kaart en citeert de Britse schrijver Cyril Connolly: ,,In moreel en economisch opzicht heeft Europa de oorlog verloren. De grote feesttent van de Europese beschaving, in welks warme gloed we allen opgroeiden, en lazen of schreven of liefhadden of reisden, is ingestort; de scheerlijnen zijn gerafeld, de middenstok is gebroken, de stoeltjes en tafeltjes zijn kapot, de tent is leeg, de rozen zijn verdord op hun stellages.’’

Maar de Amerikaanse Marshallhulp deed wonderen, en de oude vijanden op het continent – Frankrijk en Duitsland – sloegen zelf de handen in elkaar via de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Dat was een briljant idee van de Franse minister Robert Schuman – hij koppelde de belangrijkste producten van de aartsvijanden aan elkaar. Sindsdien zijn ze elkaar nooit meer in de haren gevlogen. Judt besteedt in zijn boek uitgebreid aandacht aan het succesverhaal van de Europese eenwording. Er is op de Europese Unie veel aan te merken (gebrek aan democratische controle, geldverslindende landbouwpolitiek, bureaucratische rompslomp), maar de voordelen overheersen toch, want er is al decennia economische voorspoed en politieke stabiliteit. Toen de Berlijnse Muur viel, wilden de Oost-Europese landen niet zozeer het kapitalisme à la de Verenigde Staten overnemen, maar ze wilden zo snel mogelijk toetreden tot de EU. Dat Europese samenlevingsmodel is ook een veel beter model dan het Amerikaanse, schrijft Judt. Het heeft veel meer oog voor solidariteit en rechtvaardigheid. Provocerend zegt hij dat de gemiddelde Europeaan veel beter af is dan de gemiddelde Amerikaan; het leven is hier een stuk aangenamer.

Tot de val van de Muur (waarvoor Sovjetleider Gorbatsjov het krediet krijgt, niet de Amerikaanse president Reagan of paus Johannes Paulus) was Europa tientallen jaren lang het centrum van een Koude Oorlog. Tudt legt uit dat er in die periode weliswaar diverse malen grote spanningen zijn geweest tussen de Navo en het Warschaupact, maar dat er van een echte bedreiging van de wereldvrede nooit sprake is geweest. De twee blokken hadden belang bij het instandhouden van de status-quo.

Europa was na 1945, hoe gek het ook mag klinken, ondanks alles toch redelijk stabiel, en dat was – en dat klinkt nog gekker – te danken aan de daadkracht van Josef Stalin en Adolf Hitler, schrijft Judt cynisch: ,,Dankzij oorlog, bezetting, grenscorrecties, uitzetting en genocide woonde bijna iedereen nu in zijn eigen land, tussen zijn eigen mensen.’’ Minderheden waren uitgemoord, en met Polen bijvoorbeeld, altijd een land op wieltjes geweest, was zo geschoven dat het land en de bevolking uiteindelijk vrijwel exact samenvielen. Twee landen stonden buiten dit homogene Europa: de Sovjet-Unie, dat twee jaar na de val van de Berlijnse Muur uit elkaar viel, zonder bloedvergieten, en Joegoslavië, dat eveneens uit elkaar spatte, helaas wél op een uiterst bloedige manier.

Judt wijdt een apart hoofdstuk (‘De Afrekening’) aan die oorlog op de Balkan – de laatste in Europa, of eigenlijk waren het vijf verschillende oorlogen die daar in de jaren negentig werden gevoerd. De historicus werpt zelf de vraag op wie er uiteindelijk verantwoordelijk waren voor de massaslachtingen: de Joegoslaven zelf (de Balkan was nu eenmaal een hopeloos geval, meenden vooral de westerse media) of buitenstaanders als de Duitse minister van buitenlandse zaken Genscher, die al heel vroeg aandrong op erkenning van de onafhankelijkheid van Slovenië en Kroatië, waarmee een doos van Pandora werd geopend. Uiteindelijk moet de primaire verantwoordelijkheid voor de catastrofe bij de Serviërs en hun gekozen leider Slobodan Milosevic worden gelegd, concludeert Judt. Hij zette aan tot haat, oorlog en etnische zuiveringen.

Maar het Westen gaat zeker niet vrijuit. Het was zelfs lafhartig, zeker bij de inname van de moslimenclave Srebrenica, waarbij de Bosnische Serviërs geen strobreed in de weg werd gelegd. Met een paar tussenzinnetjes laat Judt blijken dat die kwalificatie ook op de Nederlandse militairen daar slaat die ’zonder enige weerstand te bieden’ hun wapens neerlegden toen generaal Mladic en zijn troepen naderden en die na de moord op 7400 moslims veilig naar huis terugkeerden. Maar ook zijn eigen land geeft hij een veeg uit de pan: Groot-Brittannië behandelde vluchtelingen ’op schandalige wijze’ door de grens te sluiten voor de ’wanhopige, dakloze Bosniërs’. ,,Dat was het perfide Albion in zijn meest cynische vorm.’’

Het leeuwendeel van het boek gaat over politiek. Maar de historicus laat blijken ook verstand te hebben van literatuur, journalistiek, muziek (klassiek, jazz en pop), mode, vrijetijdsbesteding, sport en andere aspecten van het menselijk leven. Zo noemt hij de Hongaarse voetballer Frenc Puskás, die in de jaren vijftig furore maakte, ’weergaloos’, maar zijn eigen landgenoot David Beckham – die onlangs uit het nationale elftal is gegooid – ’een technisch matige voetballer’. Het zijn kwalificaties die je niet gauw in een boek van dit kaliber tegenkomt.

Af en toe moet je als – Nederlandse – lezer even de wenkbrauwen fronsen. Judt doet het een paar keer voorkomen alsof de christen-democratische partijen in Nederland uitsluitend uit katholieken bestaan. En hij heeft het in het schitterende slothoofdstuk over de verwerking en erkenning van de Holocaust in het naoorlogse Europa over ’achtereenvolgende katholieke premiers van Nederland’ die in de jaren vijftig weigerden zelfs een bijdrage te leveren aan de bouw van een internationaal monument in Auschwitz, want dat was in hun ogen ’communistische propaganda’. Maar in die jaren vijftig was toch vooral de sociaal-democraat Willem Drees premier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden