Het had nóg erger gekund

Een boswachter wacht op de deelnemers aan een wildsafari in het Nationale Park de Hoge Veluwe. (FOTO ANP)

Oorspronkelijke natuur bestaat niet meer in Nederland. Dus maken we nieuwe wildernis. Dik van der Meulen dook in de geschiedenis: tussen het bedwingen en het herschapen van het bos.

’Bond ter Bestrijding eener Gruwelmode’ heette een organisatie die in 1892 het licht zag. Met de gruwelmode doelden de initiatiefnemers op de meest gewilde dameshoeden van dat moment. Een hoofddeksel was geen hoofddeksel zonder vogelveren. Soms zat er zelfs een complete vogel op, vooral sterns waren je van het.

De ’Bond ter Bestrijding eener Gruwelmode’ kan gezien worden als een voorloper van de eind negentiende eeuw opgerichte ’Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels’, die op haar beurt algemeen wordt beschouwd als de eerste serieuze natuurbeschermingsorganisatie. Zo beschouwd hebben de gruwelhoeden iets moois losgemaakt.

Dik van der Meulen, in 2003 winnaar van de Ako-Literatuurprijs met zijn majestueuze biografie van Multatuli, laat in ’Het bedwongen bos’ duidelijk zien dat ook het denken over de natuur zelf sterk aan modes onderhevig is. Al in hun eerste gezamenlijke publicatie proberen Jac. P. Thijsse en Eli Heimans aan te haken bij voetbal, gymnastiek en andere vormen van lichaamsbeweging die op dat moment aan een opmars bezig zijn. Het is hun wens ’natuursport tot een druk beoefende tak van sport te maken’. Ook later laat de tijdgeest steeds opnieuw zijn sporen na. Dominante meningen, trends, bevliegingen en wanen van de dag werken door in de inrichting van bos en veld.

De gecompliceerde verhouding van de mens met de natuur dateert van ver daarvoor, tot in de prehistorie. In het bos was eten te vinden, maar loerde ook het gevaar. Natuur moest vooral te vriend worden gehouden en speelde daarom een belangrijke rol in godsdiensten en rituelen.

Het beeld van wouden en moerassen in de middeleeuwse literatuur is dat van plekken van onheil. De mens van die tijd gaf de voorkeur aan de getemde wildernis van een bloemenwei boven een bos. De natuur is er om veroverd te worden en nuttig te worden gemaakt. Niets voor niets wordt gesproken over ’woeste gronden’ en ’onland’, een veelzeggende, inmiddels in onbruik geraakte term.

Wie een beeld wil krijgen van de fundamenteel andere wijze van denken in vroeger jaren, kan bijvoorbeeld terecht bij de predikant Ahasverus van den Berg die in 1796 zijn indrukken van de Veluwe op schrift stelde: „Die heeft een allertreurigst voorkomen. Op sommige plaatsen bestaat zij uit begroeide heide; en op andere plaatsen uit dor zand, dat op hoopen ligt.”

De eerste waardering kwam, toen vanaf pakweg 1870 de industrialisatie van Nederland een grote vlucht nam en het land rap van uiterlijk veranderde. Dominee Jacobus Craandijk, een van de bekendste schrijvende wandelaars van de negentiende eeuw, sprak in 1887 heel anders over de Gelderse heide dan zijn collega Van den Berg een kleine eeuw eerder: „Hoe heerlijk is het hier, waar het oog vrij over een ontzagwekkende ruimte gaat! Wat plegtige grootheid heeft het heideveld. Hoe ernstig schoon liggen daar voor ons zacht glooiende heuvels. Met wat purperen weerglans gloeit het donkerbruin, dat allengs in violet overgaat en aan den horizon als fijn en teeder blaauw zich tegen den hemel afteekent.” Die manier van kijken was op dat moment nog ongewoon, maar won daarna terrein. Eerst in een kleine, elitaire kring, daarna ook in andere lagen van de bevolking.

’Nederlanders & hun natuur’ is de ondertitel van ’Het bedwongen bos’. Dat suggereert een breedte die het boek niet helemaal waarmaakt. De met groots gemak schrijvende Van der Meulen combineert duiken in de geschiedenis met journalistiek aandoende verslagen van bezoeken aan natuurgebieden.

Als het op het verleden aankomt, concentreert de schrijver zich echter vooral op de ’gelovigen’: Jac. P. Thijsse, Eli Heimans en hun navolgers. De schrijver heeft relatief weinig oog voor het volledige, complexe krachtenspel van meningen dat ons groen mee vormgaf en -geeft. „Gaswinning in de Waddenzee, boomkorvisserij, de ongebreidelde aanleg van bedrijfsterreinen, een tweede Maasvlakte, IJburg, de Betuwelijn, Polder- of Bulderbanen bij Schiphol en de aanleg van nieuwe autosnelwegen zijn bewijzen dat de Nederlandse natuur, als het erop aankomt, geofferd wordt aan woningbouw, industrie en wegenaanleg”, stelt Van der Meulen in de epiloog van zijn boek. Tegelijkertijd: „En toch, het had nóg erger kunnen zijn.” Tegen de verdrukking in zijn er de afgelopen eeuw pogingen ondernomen – eerst incidenteel, later systematischer – om te behouden wat van de natuur was overgebleven.

Tussen ’gelovigen’ en ’ongelovigen’ (alles moet wijken voor de vooruitgang) zit nog een baaierd aan meningen die in ’Het bedongen bos’ onvoldoende aan bod komt. Waarom wel behoorlijke aandacht voor het denken in socialistische en nationaal-socialistische kring over natuur, maar weinig tot niets over de inzichten in gelovige kringen?

In het laatste hoofdstuk treedt Van der Meulen wat meer buiten de eerder gebaande paden, als hij de stemming peilt in een café binnen de Amsterdamse grachtengordel (een boekhandelaar: „De natuur, daar veeg ik mijn voeten aan af.”), en in Amsterdam-Zuid (een cultuurwetenschapper: „Nederland bestaat alleen door ons. ’Een land ontworsteld aan de baren’, dat zijn wij; alleen als tegenstanders van de natuur slagen wij erin ons te handhaven.”).

De schrijver refereert ook aan een peiling op de website van De Telegraaf. Lezers mochten er hun mening spuien over modern natuurbeheer. Het leverde veel e-mails op met ergernis en woede over ’hobbypaarden’ en uitheemse koeien, stront op de wandelpaden en ijzeren gordijnen van schrikdraad en prikkeldraad. De verantwoordelijken werden betiteld met termen als ’milieumaffia’, ’milieu-ayatollahs’ en ’natuurbobo’s’. Een andere lezer van de krant van wakker Nederland: „Het wordt hoog tijd dat Staatsbosbeheer onder curatele wordt gesteld.”

Het mogen uitingen zijn van de verbale wildwest op het internet. Het mag, zoals Van der Meulen het noemt, de reputatie van De Telegraaf als vertolker van onderbuikgevoelens bevestigen. Maar het zijn – hoe ongenuanceerd ook – meningen die onderdeel zijn van het debat over natuur in Nederland.

Dubbelheid is misschien wel een van de belangrijkste kenmerken van de hele discussie. Telegraaflezers vinden dat natuur niet te veel natuur mag worden. En luisteren naar ’Vroege Vogels’, een stevige wandeling daarna plus jaarlijkse donaties aan terreinbeheerders vormen geen garantie voor natuurvriendelijk gedrag de rest van de tijd.

Van der Meulen stipt in zijn boek terecht de invloed van prins Bernhard en Rien Poortvliet aan. De een kon als voortrekker van het Wereld Natuur Fonds bevlogen vertellen over zijn liefde voor de olifant en andere dieren. De ander kon mensen tot tranen toe roeren met illustraties van zeer aaibare reeën en konijnen. Maar zowel Bernhard als Poortvliet had een grote liefde voor de jacht en legde zonder morele worstelingen dieren om.

Met een wat wijder perspectief had de schrijver wellicht ook verbanden kunnen leggen die nu wat onderbelicht blijven. Van der Meulen citeert Frederik van Eeden senior, de vader van de gelijknamige schrijver, tien jaar na het verdwijnen van Nederlands laatste oerbos, het Beekbergerwoud, in 1871: „Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst, en het redden van zulke merkwaardige plekjes uit sloopers handen moest aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen worden opgedragen.” Deze parallel met het behoud van gebouwen bezorgde de ’Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten’ haar naam, maar het zou ook interessant zijn dit soort vergelijkingen verder door te trekken.

Na de oorlog stond de ruimtelijke ordening lang in het teken van functionaliteit en efficiency. Ook naar natuur werd zo gekeken. Het loodrechte van de tekentafelliniaal domineerde. Dezelfde beken die weer mogen gaan meanderen werden toen juist gekanaliseerd. Het bos werd bewegwijzerd, nergens ter wereld wordt de bezoeker zo aan het handje genomen. Naar natuur werd namelijk vooral gekeken als recreatieplek voor de moderne stadsmens.

Inmiddels is op het gebied van ruimtelijke ordening afscheid genomen van de eenvormigheid. Vinexwijken zijn misschien massaal, maar er is binnen de grenzen wel ruimte voor verscheidenheid in architectuur en inrichting van de publieke ruimte. Anderen denken nog verder, bijvoorbeeld aan de vrijheid van het Wilde Wonen.

Ook nu volgt de natuurinrichting de mode in de stedenbouw. Het ideaal van deze tijd is een Nederland met mini-wildernissen vol gecultiveerde distels en groot wild dat hier in sommige gevallen zelfs geen enkel verleden heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden