Review

Het gevecht met een verwoestende ziekte

Twee boeken over zorg en onderzoek werpen een verhelderendlicht op de psychiatrie en de anti-psychiatrie in Nederland. Hetkabinet wil zwervende psychiatrische patiënten weer ininstellingen buiten de stad onderbrengen, na dertig jaarexperimenteren met zelfstandig wonen. 'Uit de inrichting' en 'Deadolescentenkliniek' tonen de achtergronden. Niet iedereen voerwel bij inrichtingszorg en niet alle enthousiastelingen van dejaren zeventig bleven in naïviteit steken.

Maja Vervoort

Het is anno 2006 nauwelijks meer voor te stellen datschizofrenie ooit als een ziekte werd beschouwd die goed tegenezen zou zijn.

Amper twintig jaar geleden zag men het als eenontwikkelingsstoornis, aangezien de symptomen zich meestal voorhet eerst in de adolescentie openbaren. Een stoornis waarvan mende oorzaken nog niet precies wist, maar die met de juistecombinatie van medicatie en therapie zeker te behandelen moestzijn.

In 'De Adolescentenkliniek' beschrijft medisch socioloog FlipSchrameijer treffend het optimisme van een groep behandelaars enonderzoekers die in 1982 een Amsterdams centrum voor jongepsychotici openden. De combinatie van behandeling enwetenschappelijk onderzoek was tamelijk nieuw, evenals desamenwerking van psychiaters (met een doorgaans psychoanalytischeachtergrond), psychologen, sociologen (voor deonderzoek-technische kant), maatschappelijk werkers (voor degezinsbegeleiding) en zelfs een psychomotorisch therapeut (voorde behandeling van lichamelijke symptomen).

De ambities lagen hoog: vragenlijsten en observaties moestental van variabelen opleveren die in nadere analyses gebruiktkonden worden. Er werden onderzoeksgroepen gevormd, bijvoorbeeldmet en zonder aanvullende gezinstherapie, die duidelijker danvoorheen moesten aantonen wát in een therapie werkte en watniet.

Een van de eerste aankopen was een Apple computer, want indie tijd waren statistische analyses bij gebrek aanrekenapparatuur nog tamelijk tijdrovend. Het doel was steeds teachterhalen welke therapievorm het beste een herhaling van deeerste psychotische aanval kon voorkomen. Maar uiteraard was menook op zoek naar de oorzaken van de psychose, die op zo jongeleeftijd optrad. In ieder geval heerste de opvatting: er moetiets aan te doen zijn. Achteraf gezien was de uitgebreideonderzoeksopzet een gelukkige greep: zo kon in de loop van detijd onomstotelijk worden vastgesteld dat noch medicatie nochgezinstherapie noch intensieve persoonlijke begeleiding konvoorkomen dat er na een eerste psychotische aanval nog een tweedevolgde.

Onder alle condities bleven de cijfers hetzelfde: bij 15%bleef het bij één aanval, bij 85% volgde een tweede en vaak nogmeer. Daar konden maanden tussen zitten. Maar langzamerhand moesthet idee verlaten worden dat schizofrenie te genezen was. Daarkwam nog bij dat de kennis over de genetische factoren en dehersenontwikkeling toenam. Schizofrenie werd meer en meer als een- gedeeltelijk erfelijke - hersenziekte beschouwd.

Het doel van het adolescentenproject veranderde geleidelijkin het leren hanteren van een chronische ziekte. Schrameijernoemt dat het suikerziektemodel: de patiënt leert regelmatigte leven, stress te vermijden, medicijnen te blijven slikken ende eerste tekenen van een nieuwe aanval tijdig te onderkennen.

Wel was gebleken dat gezinstherapie in ieder geval íetsopleverde: de opnameduur van gemiddeld 21 maanden werdgehalveerd. Men bleef - en blijft - het gezin bij de behandelingbetrekken. Ook bleek het van essentieel belang dat de nazorg goedgeregeld is.

Voor zo'n langlopend onderzoeksproject is veel geld nodig.Schrameijer analyseert de gelukkige samenloop van omstandighedenwaardoor het geld er kwam, en ook na de eerste teleurstellenderesultaten bleef komen: het beleid van de overheid dat gerichtwas op de-institutionalisering, de behoefte van het AMC aaninternationale erkenning als onderzoekscentrum, en de inzet envernieuwingsdrift van een staf van overwegend jonge dertigers,aan wie de revolutie van de jaren zeventig niet voorbij wasgegaan.

Foudraine had zijn 'Wie is van hout' geschreven en 'OneFlew over the Cuckoo's Nest' had grote indruk gemaakt. Verderbestonden er contacten met vooraanstaande Amerikaanseonderzoekers en bij hen kreeg de Amsterdamse kliniek hoog aanziendoor een belangrijke vondst: het bleek dat patiënten diegeregeld blowden, een slechtere prognose hadden dan de patiëntendie dat niet deden. De werkzame stof in cannabis (hasj, wiet)bleek de dopamine-afgifte in de hersenen te stimuleren endaardoor bij de specifieke hersendefecten van schizofrenepatiënten een psychotische aanval te kunnen uitlokken.

Interviews met direct betrokkenen vormen de kern van hetboek. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat er weinig te merkenis van de frustraties en conflicten die er ongetwijfeld ookwaren. Jammer is dat de patiënten, om wie het toch allemaalging, als persoon nauwelijks zichtbaar worden. Patiëntendossiers moeten natuurlijk beschermd worden tegen alte nieuwsgierige blikken. Maar het blijft nu toch vooral eenportret van de behandelaars.

De waarde van het boek ligt vooral in het inzicht dat de lezerkrijgt in een verwoestende ziekte en in de mogelijkehulpverlening. Het belang van vroege interventie en van eencontinue begeleiding wordt evident, evenals de richting waarinnog vooruitgang te verwachten valt: in een op genetisch enhersenonderzoek gebaseerde verbetering van de medicatie.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden