Review

Het genot van een ijskoude parel die naar binnen glijdt

Max Rouquette: Het nachtspook. Verhalen. Vertaald uit het Occitaans en van een nawoord voorzien door Tanneke E. Ubbink. Coppens & Frenks, Amsterdam; gebonden, 169 blz. - ¿ 47,90.

T. VAN DEEL

Het Occitaans, dat destijds de officiële taal van het gebied Occitanië was, dat geheel Zuid-Frankrijk besloeg, heeft zich met meer en minder succes in de eeuwen nadien literair gehandhaafd en op het ogenblik mag het zich zelfs in een grote belangstelling verheugen. Dat heeft zeker te maken met de neiging om eigen tradities, ook eigen taal, in stelling te brengen tegen de algemene en nivellerende globalisering.

Rouquette is overigens absoluut geen streekschrijver of hoe men iemand noemen wil die zich van een plaatselijke taal bedient en daarmee dicht bij huis blijft. Wel hebben zijn verhalen veel te maken met het landschap van zijn streek en met de mensen die het bewonen en bewerken, maar met de precisie en sensibiliteit waarmee hij alles waarneemt is tegelijk een algemene geldigheid gegeven, die wat hij vertelt ver uittilt boven het plaatselijke.

In zijn werk heeft de streek van zijn jeugd zo ongeveer de betekenis van 'groen paradijs' (de titel van de Franse uitgave van zijn verhalen), een paradijs dat naar de jeugd verwijst, herinneringen oproept, en waaruit men ook verdreven is, een afgebrokkeld paradijs, dat leeg komt te staan, want vroeger is vroeger en komt nooit meer terug.

Dat nu, door toedoen van Tanneke E. Ubbink, deze bijzondere Occitaanse schrijver hier geïntroduceerd wordt, mag een geluk heten. Zijn concrete en ook dichterlijke, soms ook wel wat al te dichterlijke, taalgebruik zorgt voor een mooie toon, waarin altijd zijn melancholieke wereldbeschouwing meeklinkt. Hier en daar heeft Rouquette wel iets van Nescio, in de natuurbeschrijving en in de tijdsbeleving, meer speciaal het verglijden van de tijd. Gevraagd naar zijn voorkeur voor bepaalde filosofen noemde hij niet voor niets de pre-Socratici: Thales en Heraclites.

De verhalen gekozen voor 'Het nachtspook' stammen uit de jaren tussen 1934 en 1989 en geven dus een beknopt overzicht van meer dan vijftig jaar schrijverschap. De bundel opent met een wel programmatisch te noemen verhaal, dat eigenlijk geen verhaal is, maar de prozaïsche uitwerking van een gedicht, waarmee Rouquette in 1931 debuteerde. Het is een ode aan het gras, meer in het algemeen aan de natuur, en tegelijkertijd een terugkeer naar de verloren tijd van de jeugd, toen in en met de natuur geleefd werd.

Vier hier wel enigszins mee vergelijkbare korte tekstjes, misschien in dit genre wel de mooiste uit de bundel, beschrijven vier verschillende bronnen: een kleine bron, de bron van Guisard, een dode bron en de bron van de Smid. Deze bronportretten laten zien met hoeveel overtuigingskracht Rouquette zich inleeft in de natuur, ook als die allang door mensen is verlaten:

“En de Kleine Bron tussen zijn oude leistenen met rondom slijk en zijn eenzaam riet, voortgekomen uit duizend jaar riet dat zijn scherpe punt heeft gebogen over het water, die bron wacht nog steeds op de meisjes van daar boven. Elke dag daalden ze af langs de rots over het pad van uitgesleten leistenen, nu weer veroverd door de steeneiken, om hun gezicht te buigen over de waterspiegel. Kleine Bron, duizend jaar riet, duizend jaar wind, duizend jaar gezichten, duizend jaar vogels. Daar boven geven de ingestorte muren de plaats aan van de vroegere huizen. De wolken vangend voedt de waterspiegel zijn slijk, een armetierige wilde vijgenboom, een kermeseik, drie struiken rozemarijn. Over de weg die naar beneden voert zal geen meisje meer komen. Maar elke dag in de van warmte, stilte en licht verzadigde zomer, elke dag, altijd op het uur van hun keuze, zullen de patrijzen met hun voorzichtige stap een ster in het stof prenten om het genot te smaken van een ijskoude parel die naar binnen glijdt in hun kiezelkleurige borst.”

Het titelverhaal 'Het nachtspook' beschrijft de wijze waarop één keer in de maand, bij volle maan, in de seksuele behoeftes wordt voorzien van een groep schaapherders, knechten en veehoeders die in de eenzaamheid van de Camargue gek van begeerte worden naar een vrouw. Een meisje dient zich aan, niet op de lusteloze wijze van een beroeps, maar vol verlangen om met deze mannen “haar droom van genot” te smaken. Een intrigerend, beeldend verhaal, met spokig maanlicht, een witte merrie en ten slotte een gedoofd vuur.

In tenminste twee verhalen is de hoofdfiguur een arts - Rouquette was het ook - en speelt de dood of het vertrek een belangrijke rol. In 'Een vijgenboom voor Caçòla' moet de arts de dood vaststellen van een vriend die zich heeft opgehangen. Tijdens de rit erheen, de aankomst, de handelingen en het vertrek herinnert hij zich allerlei gebeurtenissen waarbij zijn vriend betrokken is geweest. Het levert het beeld op van iemand die uiteindelijk niet meer tegen het leven blijkt opgewassen, zelfs komt het leven eruit naar voren als nauwelijks te dragen en de suggestie wordt gewekt dat de arts zelf, na dit voorval, ook niet meer verder kan leven.

'Dode as' vertelt van het tragische vertrek uit de afgelegen boerderij van een patiënt, zijn broer en zijn moeder. Ze gaan naar het dorp, waar beter voor de zieke gezorgd kan worden, en weten dat ze nooit meer terug zullen keren. De deur laat moeder gewoon open staan: “Er zal niemand meer komen.” “Overwonnen door de eenzaamheid en de tijd gingen de mensen weg, laatste soldaten van een levenloze bijenkorf.”

Schitterend is ook het kleine verhaaltje 'Het land van Sauvaire', waarin een oude man het in zijn strijd met de natuur, de bewerking van een moeizaam stukje grond, moet opgeven. Hij laat het aan zijn lot over en de wildernis herneemt haar rechten. Ook onverwacht kan de dood zijn intrede doen, zoals wel blijkt uit het stervensverhaal 'De dood van Còstasolana', dat opent met deze zin: “Còstasolana wachtte op de patrijzen maar het werd een ontmoeting met de dood.” Door toevallige omstandigheden gaat zijn geweer af en wordt hij dodelijk getroffen.

Het langste en meest veelkantige verhaal, 'Het goede van de nacht', heeft als kern een jeugdherinnering, die zich niet uit de geest laat verdrijven en die verband houdt met een kwaadaardige jongensstreek, geleverd aan een oude zwerver. Het is een gruwelijk verhaal, waarin iemand het liefste dat hij bezit kwijtraakt en verdoold en uitzinnig achterblijft, zonder enig begrip van de wereld.

Max Rouquette is met 'Het nachtspook', een bloemlezing uit zijn verhalen, wat mij betreft op een heel geslaagde manier aanwezig gemaakt. De vertaling, die ik alleen maar in zichzelf kan beoordelen, lijkt mij de juiste afstand te houden van al te nadrukkelijke archaïsering of dichterlijkheid. Al is het Occitaans als taal, en dus als belevingswereld, bedreigd, uit de verhalen van Rouquette kan blijken dat de bron springlevend is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden