Review

Het geluid van stokken en karwatsen

Met zijn roman 'Wit is altijd schoon' van ruim tien jaar geleden heeft Leo Pleysier een monument opgericht voor de gesproken taal. Hij liet daarin een moeder na haar dood doorpraten tegen haar zoon, die aan haar doodsbed zit. Ze kan het vertellen niet laten en wil nog van alles regelen. Haar ontroerende en geestige monoloog vormt de enige taal van het boek. De monoloog is geen massieve alleenspraak, maar een hardop gesproken associatieve gedachtegang.

Die vertelwijze kan alleen dan het gewenste effect hebben, als de schrijver zuiver weet te stileren en met een groot gevoel voor taal te werk gaat. Dat was aan Pleysier wel toevertrouwd; hij leek de woorden en de zinnen, en ook de zinnen in hun ritmische opeenvolging, op een goudschaaltje te wegen en componeerde in zekere zin een muziekstuk voor één stem.

In de romans die op 'Wit is altijd schoon' volgden, bleef Pleysier zijn verhalen in een zorgvuldig overwogen kader vertellen, waardoor ze helderheid en diepgang verkregen. Ook in zijn nieuwe roman, 'Volgend jaar in Berchem', is dat het geval. Het boek speelt op nieuwjaarsdag, wanneer een Vlaamse familie volgens gebruik bijeen is gekomen. De kinderen mogen eerst hun brieven voorlezen aan hun meter of peter, en dan mogen ze de pakjes uitpakken, waarna ze met z'n allen de boel op stelten zetten. De broers en zussen en hun aangetrouwden gaan wat drinken en kaartspelen. Ondertussen zeggen ze tegen elkaar wat er in hun hoofden opkomt.

Hoe vertelt Pleysier de gebeurtenissen en gesprekken op deze familiereunie? Hij doet dat verrassend genoeg niet in de vorm van een doorlopend verhaal in de trant van 'De boeken der kleine zielen', met een afwisseling van beschrijving en gesproken taal. Hij maakt er bijna, maar toch net niet helemaal, een toneeltekst van. Het begin van de roman laat al meteen de overheersende vorm van vertellen zien: ,,Begin maar! zegt onze Robert. Om de beurt en kleinst voor klein, zegt ons Greet. Dat het een beetje vooruitgaat, zegt onze Robert. Want eer al die brieven zijn voorgelezen. En daarna de cadeautjes uitgepakt. Dat gaat nog wat inhebben. Maar Marjan zegt: wij hebben vandaag toch alle tijd van de wereld zeker! Dus zeker niet te rap lezen, zegt ons Hilde tegen Flip. Hij leest dikwijls veel te rap, zegt ze.''

Deze vorm is een vondst van jewelste. In tegenstelling tot wat men misschien vreest, gaan al die herhalingen van de namen soepel mee in de stemmenmuziek. Hier klinkt niet zoals in 'Wit is altijd schoon' één stem, maar een koor van stemmen, opgevangen en doorverteld door Peter, de 'ik' in de roman. Hij is de enige die niet kan spreken, omdat hij een operatie aan zijn stembanden heeft ondergaan: een symbolische handeling waarmee Pleysier zijn verteller het zwijgen oplegt. ,,Geen noten eten heb ik eens gelezen ergens, zegt ons Greet tegen mij. O nee! zegt ons Annemie. Ze-ker geen noten eten. Want noten eten is voor een zere keel het slechtste wat er is, zegt ze.''

De roman bestaat uit een aantal korte tot zeer korte gespreksscènes, die geregeld onderbroken worden door opmerkingen aan het adres van de kinderen, die zelf niet aan het woord komen. Maar de acties van de kinderen, zoals het telkens aan en uit doen van het licht, of hun gekruip onder tafel waar ze schoenveters aan elkaar vastknopen, leveren wel allerlei commentaar op.

De levendigheid van deze vertelwijze, en van Pleysiers stijl, is subliem. Relativerende contrasten ontstaan doordat zo veel mensen ,,met allemalen opgesloten in een woonkamer'' zich uitspreken op zo veel verschillende niveaus, elkaar onderbrekend, zijwegen inslaand, roepend naar een kind in een andere kamer. Het gesprek tijdens deze familiebijeenkomst spitst zich toe op de vaderfiguur, al lang geleden gestorven (ook de moeder is dood). Vader was veeboer en heeft op al zijn kinderen grote indruk gemaakt, zij het niet steeds ten goede. Het portret dat van hem uit de tekst oprijst, heeft verschillende aspecten die in een litanie van ons Greet, ons Annemie, ons Hilde en onze Robert uitgezegd worden: lastig, intens, astrant, trots, duister, avontuurlijk, gevaarlijk, buitensporig, vergeetachtig, nonchalant, opvliegend, ongelikt. ,,Een buitengewone vader, zegt onze Robert.'' ,,Onze vader, zegt ons Greet.''

Vooral van zijn mishandelingen van dieren hebben zijn kinderen gegruwd. ,,Hij ranselde erop los, zegt ons Hilde. Er waren momenten dat hij alle controle kwijt was. En dan leek het alsof de beesten moesten boeten voor een duistere woede waar hij anders geen uitweg mee wist.'' Herinneringen aan zijn gedrag op de veemarkt liegen er ook niet om. ,,Ons Hilde zegt: en dan de idylle die er nog altijd gekoesterd wordt over de vredigheid van een landleven, omringd door dieren. In feite ben je alleen maar omringd door het geweld en door de dood, zegt ze.''

Zo heeft iedereen wel iets overgehouden aan deze vader. De roman heeft zeker de bedoeling dat in kaart te brengen, maar toch ook om de vader in al zijn eigenaardigheden te herdenken. Was 'Wit is altijd schoon' een hommage aan de moeder, deze roman is, met al zijn gemengde gevoelens, een eerbetoon aan de vader. Maar zoals altijd bij Pleysier, is dit boek in laatste instantie een hommage aan de taal. Zoals Pleysier een eigen kunsttaal maakt van het Vlaams-Nederlands en die in perfecte balans en met een sterk gevoel voor muzikaliteit als spreektaal presenteert, zo gaan maar weinig schrijvers met de taal om. Ten bewijze hiervan tot slot nog een citaat.

,,Ik weet niet hoe het komt, zegt ons Greet, maar een veemarkt doet mij altijd meteen aan slagvelden en vooral ook aan de Tweede Wereldoorlog denken. Het is van het geweld en het lawaai, zegt ons Annemie. Het komt door het geschreeuw en het geloei en het lawaai, zegt ze. Het zijn ook de transporten die van alle kanten toekomen, zegt ons Hilde. De wiegende camions met achteraan de valdeuren die neergeklapt worden. De veewagons die gelost worden op de nabijgelegen emplacementen. Het is van het geluid van de stokken en de karwatsen die neerkomen op de schoften van de stieren en op de ronde konten van de Brabantse trekpaarden, zegt ons Annemie. Het zijn de beenhouwers en de slachters die daar rondlopen met hun pasgewette messen in de leren holsters, zegt ze. Het is de nabijheid van de slachthuizen die te rieken is, zegt ons Hilde. De met bloed en stront bespatte vloeren, de bloedgoten, de vleeshaken, de opengespalkte karkassen. Welja, zegt ons Greet, het zal waarschijnlijk daarvan zijn dat ik almaar aan oorlog en aan vernietiging moet denken.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden