Review

Het geheugen is geen trouwe huisknecht

In zijn nieuwe boek legt geheugendeskundige Douwe Draaisma uit waarom je ouders altijd klagen dat je zo lang niet geweest bent, en waarom met het klimmen der jaren de jeugdherinneringen opspelen.

Je komt weer bij je hoogbejaarde ouders op bezoek. Voor je gevoel was je er gisteren nog. Maar je bent nog niet binnen of je krijgt te horen dat het wel erg lang geleden is dat je er was. Het gesprek begint al goed.

Het lezen van Douwe Draaisma’s nieuwe boek kan zulke onderlinge irritatie voorkomen. Hij legt uit dat dit verschil in inschatting tussen oud en jong weinig te maken heeft met de gewenste bezoekfrequentie, maar alles met geheugen. Er is sprake van ’omgekeerde telescopie’: een scherpe herinnering lijkt dichterbij in de tijd dan een vage, en een vage lijkt vroeger te hebben plaatsgevonden dan een scherpe. Omdat het inprentingsvermogen van ouderen afneemt, lijkt een bezoek voor hen langer geleden dan voor hun jongere kinderen die gebeurtenissen intenser opslaan, en daarom recenter in de tijd plaatsen. „Ouders en kinderen turen naar elkaar door tegengesteld gerichte kijkers” , schrijft Draaisma.

In ’De heimweefabriek’ zet geheugendeskundige Draaisma zo menig misverstand recht. Als geen ander bezit hij de gave om empirische wetenschap en de dagelijkse ervaringswereld met elkaar te verbinden. Of het nu gaat om de state of the art in het psychologische geheugenonderzoek, de plot van een roman van Max Frisch, de heimwee van Friese emigranten in Nieuw-Zeeland of een fototherapie met dementerenden in een Drents verpleeghuis, Draaisma rijgt alles stilistisch prettig aaneen.

En passant prikt hij hardnekkige fabels door (zoals de illusie dat je je geheugen kunt verbeteren door het te trainen) en stelt hij ouderen die aan zichzelf gaan twijfelen gerust. Jongeren kunnen net als ouderen soms niet op namen komen, maar wijten het dan niet aan de leeftijd. En: ouderdomsvergeetachtigheid is geen voorteken van dementie.

Het verbindend thema in ’De heimweefabriek’ is het geheugen van ouderen. Dat gaat achteruit, zegt de oppervlakkige waarnemer. Maar hij kijkt niet precies genoeg. ’Opgaan, blinken en verzinken’ gaat voor de meeste cognitieve vermogens niet op, blijkt uit onderzoek. Die blijven een leven lang redelijk intact, ook al moeten ze tenslotte wel steeds meer inleveren. Het concentratievermogen vermindert, de capaciteit van het werkgeheugen neemt af en nieuwe informatie wordt trager verwerkt.

Lange tijd bespeur je niks van het verval dat zich inzet. Draaisma vergelijkt het cognitieve ouder worden met een trans-Atlantische vlucht: de daling wordt al ver voor het bereiken van de bestemming met een lange glijvlucht ingezet, maar de reiziger merkt op zijn hoogst een lichte vertraging. Nu al? Ik ben er nog lang niet! kan hij denken, hoog boven de oceaan. Maar ook al is de eerste voorbereiding getroffen, het zal nog heel lang duren voor de – uiteindelijk snelle – landing zal plaatsvinden.

Draaisma gunt de oudere tijd van leven. Hij dwingt hem niet tot een krampachtige ontkenning van de levensfase waarin hij verkeert. Niet alleen gelooft hij niet dat het geheugen door middel van cognitieve fitness training kan worden opgerekt (het geheugen is geen spier), hij vindt het ook zinloos. Niet dat het geheugen vermindert als mensen ouder worden, is voor hem fascinerend, maar dat het zo verandert. De schakeringen in het geheugenlandschap van ouderen zijn nog grotendeels onbekend terrein. De ouderdom wordt nog te veel als een statische periode, een fase van ’naargeestige eenvormigheid’ gezien.

Draaisma is als de eskimo met tientallen verschillende namen voor ’sneeuw’: hij beschikt over een rijke woordenschat die hem in staat stelt nuances aan te brengen waar anderen alleen van ’vergeten’ en ’onthouden’ spreken. Een vakgenoot van hem turfde eens 256 soorten geheugen. Ouderen mogen in het ene gebied verliezen lijden (bijvoorbeeld in het ’proleptisch geheugen’ dat onthoudt welke plannen we gemaakt hebben), op een ander winnen ze terrein.

Hoe ouder mensen worden, des te meer spelen de herinneringen aan hun jeugd op. Aan dit reminiscentie-effect wijdt Draaisma het hart van zijn boek. Het geheugen blijkt geen trouwe huisknecht, maar kan mensen op hun oude dag als een brute belager bespringen. De herinneringscurve van ouderen bereikt als ze terugkijken op hun levensloop zo rond hun twintigste een piek. Daarna loopt hij snel weer terug en vlakt af, om net voor het heden nog even omhoog te zwiepen. Onze jeugd herinneren we ons als de dag van gisteren (‘in mijn tijd’), terwijl de jaren daarna er nauwelijks toe lijken te doen. Vanwaar die wonderlijke ’reminiscentiehobbel’?

Biologische verklaringen zoeken het in de richting van een grotere ontvankelijkheid van het prille brein. Maar wie als emigrant rond zijn midden dertigste de grote stap overzee maakte, herinnert zich van die periode meer dan van zijn Friese jeugd. Blijkbaar zijn beslissende gebeurtenissen in de levensloop doorslaggevender voor het autobiografisch geheugen dan neurologische openheid. Of wordt die openheid er op zijn minst door versterkt.

Maar wat is beslissend? Hier lijkt Draaisma’s cognitieve perspectief op het geheugen een grens te naderen. Hij zou de oversteek naar de filosofie moeten maken. In hoeverre is iemand verantwoordelijk voor zijn eigen leven en de herinnering daaraan? Blijft iemand ’zichzelf’ gedurende een leven? Wat ís zelf, identiteit eigenlijk? Günter Grass spreekt als laat zeventiger in zijn autobiografie ’De rokken van de ui’ in de derde persoon over ’de jongen die ik me als vroeg beschadigde editie van mezelf probeer voor te stellen’. De vitale herinneringen van veel ouderen die Draaisma beschrijft, cirkelen rondom ervaringen van schuld of schaamte, krenking of vernedering. In die morele sentimenten lijkt terugblikkend vaak de essentie van een heel leven te zijn gezogen.

Pregnant komt dat naar voren in het opgenomen interview met breinwetenschapper Oliver Sachs. Hij stuit bij het schrijven van zijn autobiografie op zijn eigen reminiscentiehobbel: „Ik had steeds minder te vertellen. Waarom is dat? Komt er steeds meer herhaling in je leven? Sla je minder van je ervaringen op als je ouder wordt? Is het de intensiteit waarmee je leeft als je jong bent? Ik kan niet goed kiezen tussen de hypothesen.”

De wetenschapper Sachs wordt gebiologeerd door het mechanisme van zijn eigen geheugen. Maar is dat de reden waarom hij eigenlijk zijn herinneringen ophaalt? Die blijkt ergens anders te liggen. „Ik schrijf voor een deel ook om te biechten, om vergiffenis voor mezelf te vragen,” erkent hij. Ben ik wel een goede zoon geweest? is de vraag die Oliver Sachs uiteindelijk het meest bezighoudt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden