Review

Het Engels kijkt op alle talen neer

,,Hoe meer talen, hoe meer Engels.'' Dat is de paradoxale uitkomst van het 'mondiale talenstelsel' dat de socioloog A. de Swaan aan het licht brengt in zijn gelijknamige boek. Hoe meer talen strijden om de gunst van de burger -en geen land of de landstaal heeft wel rivalen- des te waarschijnlijker dat de keuze op het Engels zal vallen. In het piramidale talenstelsel kijkt het Engels op alle andere talen neer, niet alleen omdat zoveel mensen het van huis uit meekrijgen, maar vooral omdat het bij uitstek de 'tweede taal' is die het gesprek tussen de duizenden tongen waarin de mensen spreken gaande houdt.

SAMUEL DE LANGE

In de lagere echelons vervullen andere wereldtalen, zoals het Frans en Spaans, en nationale talen die rol van tolk tussen de onbegrijpelijke moedertalen waarin de meeste mensen worden opgevoed.

Toch is het stelsel niet ontworpen uit doelmatigheidsoverwegingen, schrijft De Swaan, en de keuze voor het Engels is ook niet een verdienste van de Engelse spraakkunst, zoals de Fransen heimelijk vrezen. Het talenstelsel is door niemand ontworpen, maar het resultaat van een lange geschiedenis van expansie en kolonisering die landen en mensen aan elkaar knoopte met bevelen, bestellingen, wetten en zoete woordjes. Het Britse imperialisme baande de weg, zo werd Engels de voertaal in de grenzeloze handel en wandel die het kolonialisme de wereld naliet.

De Swaan sluit met dit boek aan bij een sociologische traditie waaraan hij zelf heeft meegewerkt. Internationale vergelijkingen maakte hij al in 1973, toen hij een proefschrift schreef over de verschillende manieren waarop in democratieën regeringscoalities werden gesloten. Zijn voorkeur voor een wiskundig begrip van sociale verschijnselen stamt ook uit die dagen. Toen zocht hij via formules de meest waarschijnlijke combinatie van politieke partijen, nu berekent hij via quotiënten de aantrekkelijkheid van een taal voor iemand die er nog eentje bij wil leren.

Later (1989) heeft De Swaan de overheidszorg in verschillende landen vergeleken in 'Zorg en de staat'. De belangstelling voor de historische verspreiding van maatschappelijke goederen onder de bevolking heeft hij opgedaan bij Norbert Elias (1897-1990), die met 'Het civilisatieproces' (1939) de voorzet gaf tot het onderzoek naar lange-termijnprocessen in de sociologie.

Een taal is een collectief goed dat, aan krimp en uitdijing onderhevig, met de mensen over de kaart kruipt. Een belangrijk bestanddeel van het verhaal is dan ook de historische atlas die De Swaan tekent, waarin de groei en het verval van oude Rijkstalen als het Latijn en het Chinees, worden geschetst, de opkomst van nationale talen als het Frans en het Nederlands, en de verbreiding over de globe van het Engels en Frans onder koloniale dekking.

Het mondiale talenstelsel omvat vier niveaus die meertaligen met elkaar moeten verbinden: het streektaaltje waarin mensen zijn geboren, een nationale taal, een van de voormalige koloniale talen zoals Spaans, Portugees of Frans, die in enkele werelddelen worden gesproken, en ten slotte Engels 'that says it all'.

De nationale taal bestaat overigens vooral op papier, omdat de etnische tegenstellingen in veel landen de keuze voor een inheemse taal belemmeren. Dat dilemma werkt in het voordeel van een ex-koloniale taal, en dus ten slotte van het Engels. Eigenlijk zijn maar twee voormalige koloniën erin geslaagd een voertaal te ontwikkelen die tussen regionale talen bemiddelt: Indonesië, waar het Bahasa Indonesia (Maleis), en Tanzania, waar het Swahili de nationale taal werd.

In andere ex-koloniën verijdelt de onderlinge jaloezie van bevolkingsgroepen het succes van een landstaal. Voorwaarden voor het welslagen lijken een nationale bevrijdingsbeweging te zijn waarnaar geluisterd wordt, en het bestaan van een pretentieloze handelstaal als het Maleis, die niet met een welomschreven groep wordt vereenzelvigd.

De Swaan wijst erop dat in veel landen mensen met de mond hun trouw aan hun landstaal betuigen, maar ondertussen erop toezien, met het oog op de arbeidsmarkt, dat hun kinderen een wereldtaal onder de knie krijgen. Talenkennis bevoorrecht een inheemse elite die zich onderwijs kan permitteren en de spoeling niet graag dun laat worden. Ondertussen klagen deze notabelen in bloemrijk Engels over taalimperialisme.

In de Europese Unie is talenkennis nauwelijks een voorrecht, en veel meer mensen dan elders in de wereld spreken er Engels of Frans als tweede taal. Toch hoeven de nationale talen niet voor hun hachje te vrezen, want een lange strijd om het bestaan heeft ze 'robuust' gemaakt, meent De Swaan. In Europa dreigt veeleer een strijd aan de top: alle officiële mededelingen van de Unie dienen in alle deelnemende 15 landstalen vertaald te worden. Dat levert nu al werkgelegenheid aan duizenden tolken, en kost miljoenen euro's. Als het principe van linguïstische gelijkberechtiging wordt volgehouden verrijst bij de geplande uitbreiding van de Unie een bureaucratische toren van Babel. En dat terwijl alle arbeiders op de tinnen en transen al lang in het Engels converseren. Toch vindt De Swaan deze kostbare inspanningen onvermijdelijk ten behoeve van een betere verstandhoudingen tussen al die uiteenlopende culturen. Talen zijn, De Swaan legt er vaak de nadruk op, ook de kluizen van 'cultureel kapitaal', en vertalingen werken dus mee aan wederzijds begrip van verschillende bestaanswijzen.

Het gevaar bestaat dat één cultuur, de Engels-Amerikaanse, het voor het zeggen krijgt in het talenstelsel. De Swaans geruststelling op dit punt is een beetje dubbelzinnig. Iedereen heeft het recht om de taal te spreken die hij wil, stelt hij voorop. Maar elk verweer tegen het alomtegenwoordige Engels, bijvoorbeeld van de Fransen met hun actieve bevoorrechting van eigen taal en cultuur, moet het afleggen tegen de aanvechting van het publiek om de taal met de grootste communicatiewaarde op te zoeken, voegt hij er meteen aan toe.

Hij meent dat de vertaling van eigenaardigheden van een cultureel kapitaal, zeg van het Portugees naar het Engels, een betere kans van slagen heeft dan de vertaling van het Portugees naar het Fins. De valkuilen tussen Engels en Portugees zijn namelijk beter bekend dan die tussen Portugees en Fins, en de hulpmiddelen (woordenboeken e.d.) zijn ook beter. Het Engels is dus sterker en handiger, en in die taal laat zich de 'Angel-Saksische hegemonie' ook heel goed bestrijden. Of de afgunstigen met die paradox genoegen zullen nemen...

De Swaan geeft de voorkeur aan de vertaling van teksten voor een groot publiek, boven de jaloerse koestering van het eigen idioom voor een kleine schare. Zijn boek is een voorbeeld van zo'n royale vertaalslag. Oorspronkelijk door de Nederlandse socioloog in het Engels geschreven, maakte Leonoor Broeder er weer Nederlands van. Alsof hij een dubbelganger tegenkwam, schrijft De Swaan in het 'woord vooraf'. Maar voor een ander niet te onderscheiden, voegt hij er terecht aan toe, want de lezer hoort in de tekst De Swaan aan het woord, en dat is de verdienste van de vertaler.

Anders dan veel toeschouwers die opzien tegen de rijstebrijberg van speeches en documenten in het Lets, Catalaans, Zweeds, Tsjechisch, Maltees etc. die aan de horizon opdoemt, verheugt De Swaan zich in een veelheid van tongen. Want vertalen betekent voor iedereen een verrijking van het cultureel repertoire.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden