Review

Het eigengereide universum van Jorge Luis Borges

In maart van dit jaar bracht De Bezige Bij de eerste van vier banden Jorge Luis Borges uit. Anders dan in de Argentijnse editie bleek de term 'verzameld werk' geweerd: 'Werken in vier delen' stond er op de cover. Voor die behoedzaamheid valt iets te zeggen. Het vuur waarmee de auteur zijn literaire 'jeugdzonden' afzwoer, en de polemiek die daar naderhand over is gevoerd, ontkrachten bij voorbaat elk streven naar volledigheid.

ILSE LOGIE

Daarenboven is Borges de man van de voortdurend verschuivende betekenis, wat hem tot een beoefenaar van de deconstructie avant la lettre maakt. Tegelijk zorgt zijn literatuuropvatting ervoor dat net dat steeds te hervatten ordenen de doorslag geeft: aangezien de voorraad verhaalstof die de mens tot zijn beschikking heeft beperkt is, ligt de kunst erin het bestaande virtuoos met elkaar te verbinden. Niet voor niets laat Borges in 'Het evangelie volgens Marcus' zijn hoofdpersonage bedenken dat “de mensen in de loop der tijden altijd twee verhalen herhaald hebben: het ene gaat over een dolend schip dat op de zuidelijke zeeën naar een geliefd eiland zoekt, en het andere over een god die zich op Golgotha laat kruisigen”.

Het nu verschenen tweede deel bevat de latere verhalen, die over het algemeen minder bekend en minder ophefmakend zijn omdat ze minder nadrukkelijk filosofische concepten op de voorgrond plaatsen. Ze stralen sereniteit en vakmanschap uit, en boeien onder meer omdat ze nog niet stukgeïnterpreteerd zijn.

Het gaat om 'Het boek der denkbeeldige wezens' (1967), een verzameling heel korte stukjes gewijd aan fabeldieren die de menselijke fantasie in de loop der eeuwen overal in de wereld heeft voortgebracht, 'Het verslag van Brodie' (1970), 'Het boek van zand' (1975) en 'De roos van Paracelsus' en 'Blauwe Tijgers' (1977), verhalenbundels in de echte zin van het woord; en de zeer ongelijksoortige compacte, door Borges zelf gebloemleesde prozafragmenten en gedichten die in 'De maker' (1960) zijn opgenomen.

Borges' oeuvre cirkelt haast dwangmatig om een aantal basisthema's heen, waarvan de bouwstenen door een kleine groep symbolen (rozen, spiegels, labyrinten, tijgers, maskers) tot uitdrukking worden gebracht. Ook in dit tweede deel betuigt de auteur zich een geniaal lezer en een kritisch leerling van de idealisten, met name van Schopenhauer. Vooral in 'Het verslag van Brodie' en 'Het boek van zand', de meest voldragen bundels, is eenzelfde stramien zichtbaar. Een personage dat een routinematig bestaan leidt overkomt iets, waardoor hij een bijzondere, haast onzegbare ervaring opdoet, die hem zin of onzin van zijn leven openbaart. Dat kan een confrontatie met een kennistheoretisch vraagstuk zijn, of de betrekkelijkheid van overgeleverde begrippen zoals de menselijke identiteit.

In alle gevallen belichamen de personages veeleer krachten en dilemma's dan dat ze als individuen uit de verf komen.

Ook wanneer de verhalen ingebed liggen in de enige Argentijnse couleur locale (zo is 'Het verslag van Brodie' doordrongen van messentrekkersavonturen) verschuift de aandacht vroeg of laat naar datgene waar het Borges werkelijk om te doen was, namelijk dat snijpunt tussen het concrete en het abstracte dat hij als geen ander wist te benoemen.

In 'Het boek van zand' overheerst de metafoor van de wereld als boek. Het titelverhaal, dat erg verwant is met 'Blauwe tijgers', ontmaskert de lineaire illusie van de literatuur, de schijn dat taal ons naar een zinnig eindpunt zou kunnen voeren: evenmin als zand heeft het boek dat er het voorwerp van uitmaakt begin noch einde, een eerste of een laatste bladzijde. Die mateloosheid jaagt de bezitter ervan zoveel angst aan dat hij besluit het stiekem in een bibliotheek achter te laten.

Bij nader inzien is de spanning tussen beheersbare eenheid en onrustbarende veelheid met andere woorden een minder kwaad dan het bereiken van het volmaakte, waartegen de mens nu eenmaal niet is opgewassen. Tegelijkertijd is Borges zich ervan bewust dat die mens zijn speurtocht nooit zal opgeven, spijts de willekeur waar elke orde op neerkomt, en het onzekere ontologische stituut van elke rationele voorstelling. In deze latere teksten plaatst Borges zich nadrukkelijk in de traditie. Hij bekommert zich in het geheel niet meer om vernieuwing en schrijft - desondanks of precies daarom - volstrekt unieke proza. Zijn universum behoeft nauwelijks nog commentaar, aangezien de krijtlijnen ervan al sinds de jaren veertig zijn getrokken.

Opvallend is daarentegen de versobering die zich in zijn stijl heeft voorgedaan, en die biografen eenstemmig met zijn toenemende blindheid in verband brengen. Meer dan voorheen waart ook de dood door deze teksten, en kruidt zo met weemoed en aanvaarding. De gespletenheid tussen mens en schrijver lijkt beslecht in het voordeel van laatstgenoemde.

In 'Borges en ik' mijmert die 'ik' dat hij langzaam maar zeker alles aan hem, Borges, zal afstaan, “al is zijn perverse gewoonte om te vervalsen en te vergroten mij bekend”. En de mens achter de schrijver is daar niet eens meer rouwig om, want zijn “reeds vergevorderde leeftijd heeft hem geleerd te berusten in het feit dat hij Borges is”, de Maker, niet iemand die de wereld een spiegel voorhoudt - zoals hij zich aanvankelijk had voorgenomen -, maar de schepper van een eigengereid universum, die in glasheldere taal iets wezenlijks aan die wereld heeft toegevoegd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden