Herman van Veen: ‘Natuurlijk is er ook schaduw in het leven, maar ik kies voor het licht’.

InterviewHerman van Veen

Herman van Veen (76) is terug op het toneel: ‘Ik zal nooit stoppen’

Herman van Veen: ‘Natuurlijk is er ook schaduw in het leven, maar ik kies voor het licht’.Beeld Bram Petraeus

Herman van Veen is 76 en topfit. Hij zingt, speelt viool en danst weer op het toneel. Want daar is hij het gelukkigst. ‘Er kan ineens een klank lukken die je zeven avonden hebt gezocht.’

Het doek gaat open en daar staat Herman van Veen. Of nee, hij staat niet, hij swingt en speelt viool tegelijk, in rap tempo, zijn voeten roffelen op het podium. Het is puur krachtvertoon. Dit is géén voorstelling van een stramme 76-jarige.

“Ja, zolang dat erop zit, gebruik ik het”, zegt Van Veen enkele dagen later op zijn landgoed De Paltz in Soest. “Ik vind het heerlijk, zo van kijk mij eens. Opa TikTok.”

Van Veen toert weer door het land, met zijn vanwege corona uitgestelde verjaardagstournee: 75 ‘Dat kun je wel zien dat is hij’. Gemiddeld vier avonden per week, van Eindhoven tot Assen en Maastricht.

Hoe heeft hij zijn conditie bijgehouden in die lange lockdown? “We zijn een jaar in de war geweest”, vertelt de artiest. “We ­bleven maar voorstellingen verplaatsen en op een gegeven moment begreep mijn systeem het niet meer. Want mijn hoofd en mijn lijf spelen al 55 jaar vier keer per week. Ik ging op andere tijden naar de wc. Vingers, spieren, alles wordt krakkemikkig als je het niet gebruikt.” De oplossing was spelen zonder publiek, in het theatertje dat ook op landgoed De Paltz staat. Daar gingen Van Veen en zijn collega-muzikanten twee keer per week voluit, een half jaar lang. “Fortis­simo was ook echt fortissimo, tempo, blik­richtingen, we speelden het spel helemaal. Dat heeft ons ongelooflijk goed gedaan.”

Zo kwam het dat ze er klaar voor waren toen de theaters deze zomer eindelijk weer open mochten. Van Veen en zijn gezelschap begonnen meteen goed, in het Amsterdamse Carré. “Als je ineens weer iemand hoort lachen of applaudisseren, dan is dat is heel erg fijn.”

Van Parijs tot Broadway

Herman van Veen (14 maart 1945) is een geboren Utrechter, zijn vader was drukker bij Het Parool, zijn moeder huisvrouw. Op zijn tiende kreeg hij een viool van meester Mok, zijn vader ging overwerken om de vioollessen te betalen.

Van Veen volgde het conservatorium en groeide uit tot een van de grootste artiesten van Nederland. Hij speelde in grote zalen in Duitsland, Frankrijk en op Broadway, schreef circa 80 boeken en maakte 180 albums. Het culturele centrum De Paltz in Soest, waar hij ook woont, biedt ruimte aan jong talent. Ook exposeert Van Veen daar zijn schilderijen.

Tot zomer 2022 speelt hij met 75 - Dat kun je wel zien dat is hij’ in Nederlandse theaters. Het gelijknamige boek mét nieuw studioalbum (32,50 euro) is onder andere te bestellen via hermanvanveen.com.

Heeft u overwogen om de lockdown aan te grijpen om helemaal te stoppen met spelen?

“Nee, ik zal nooit stoppen. Het stopt mij. Het leven zelf. Er zal een moment komen dat het het niet meer doet, maar dat zal niet aan mij liggen. Het gaat dus geen keuze zijn. Een groot deel van mijn geluk zit in het zingen, schilderen, spelen. Als ik dat niet meer doe, dan gaat het slecht met mij.”

Wat maakt u zo gelukkig op het podium?

“Het grote geluk bestaat uit hele kleine dingen. Groot geluk is vanochtend wegrijden en zien dat mijn vrouw door de deur naar het midden van het pad gaat om mij nog zo lang mogelijk te kunnen zien, zo lang mogelijk: Tot straks.

“En geluk is als mijn kinderen en kleinkinderen hier komen en ik zie dat ze blij zijn dat ze me zien. En dat de mensen die hier werken denken: há, Herman!

“Op het toneel is veel waar ik gelukkig van word. Ook weer heel kleine dingen, een bepaalde lichtval, een blik met je collega’s. Er kan een gebaar lukken, er kan een klank lukken die je zeven avonden hebt gezocht, en ineens is die cis er.”

Hoe kijkt u terug op de periode van de ­pandemie? Was het een interessante of moeilijke tijd voor u als kunstenaar?

“Een vraag die me erg heeft beziggehouden is: wat is de oorzaak van de pandemie? Ik ­begrijp het vaccineren, ik begrijp de maat­regelen. Maar: hoe voorkomen we dat dit een repeterende breuk wordt? Ik vind dat daar bijzonder weinig aandacht aan wordt besteed.

“In de voorstelling zeg ik: ‘Er viel een vliegenpoepje van een vleermuis in de kippensoep, met nogal wat gevolgen’. Er is iets in onze voedselketen gekomen dat wij niet kunnen verwerken zonder daar heel ziek van te worden. Iets uit een andere habitat.

“Toen wij dit landgoed tien jaar geleden kochten – het was een ruïne – toen konden we niet renoveren voordat we een oplossing hadden gevonden voor de vleermuizen die hier nestelden. We moesten alternatieve woonruimte voor ze hebben. Dat vond ik heel erg mooi.

“Overdag zag ik ze zitten in de sponningen: die mysterieuze vogelbeestmuizen, met hun hartjes die zichtbaar ‘hoedeboem hoedeboem hoedeboem’ gaan. Ongelooflijk indrukwekkend. Het zijn dragers, dat waren ze in mijn jeugd al, van hondsdolheid.”

Laten we teruggaan naar de kunst...

“Maar dit gáát over kunst. Hier heb ik het meest over nagedacht: wat is de oorzaak van dit alles, en wat kan ik zelf doen? Het heeft te maken met respect voor elkaars habitat. De wereld kan zonder ons, maar niet zonder dieren.”

In uw voorstelling benadrukt u hoe nutteloos de mens is, met de retorische vraag: ‘Wie zal ons missen? De hond?’

“Ja die is afhankelijk van ons, al gaat hij wel weer verwilderen. Maar de eerste tijd zal de hond zeggen: waar blijft mijn leverworst?

“Ik denk dat wij dienen te beseffen: we zijn niet de baas over de wind. Dat is mijn hoofdthema geweest, het zit in mijn schilderijen. We worden bedreigd door virussen, het klimaat, het water, en dat komt met een ongelooflijke kracht en snelheid. Daarom komt in mijn voorstelling op een gegeven moment het hele plafond naar beneden.”

Al deze actualiteit, de klimaatcrisis, de ­pandemie, ze komen niet letterlijk in uw voorstelling voor. Het woord corona valt bijvoorbeeld niet.

“Nee, al gebruiken we één keer het woord mondkapje. Ik zoek voor alles wat me bezighoudt een eigen vorm. De wind zie je niet, je ziet wat de wind beweegt. En dáár gaat het wat mij betreft over.

“Ander voorbeeld: muziek bestaat bij de gratie van de dingen die je niet hoort. Dus de akoestiek, wij in de zaal, jij in de zaal, de gordijnen open of dicht, die bepalen wat je hoort. Als je een paar boventonen van die viool afknipt, dan verandert het geluid ongekend.

“Met dit soort dingen spelen, dat vind ik geweldig interessant. Klinkt dit filosofisch en onduidelijk? Voor mij niet. Je hoeft het ook niet te snappen, ik laat het je in een voorstelling of schilderij ervaren.”

U heeft tijdens de pandemie ook een boek ­geschreven: ‘Dat kun je wel zien dat is hij. Herinneringen’. Waarom wilde u die opschrijven?

“Het is een soort orde scheppen, een manier om het heden aan het voorbije te koppelen. Om verbindingen te leggen.

“Zou mijn moeder niet van Edith Piaf ­hebben gehouden, dan zou ik nooit al die honderden keren in Parijs hebben gespeeld. Daar ben ik van overtuigd. Als Piaf op de ­radio was, dan was het: ‘Jongens stil’, stofzuiger uit, radio aan. En hoe zij daar dan zat en genoot, dat is… geluk.”

Uw boek leest als een eerbetoon aan de ­mensen die u hebben gevormd. Uw ouders, maar ook meester Mok die u een viool gaf.

“Ja, zeker weten. Het is een eerbetoon, dat is precies de spijker op de kop. Ik ben zo blij dat ik kan schrijven over de mensen van wie ik hou en van wie ik zó veel heb gekregen.

“Meneer Kan. Ik ben ongelooflijk erkentelijk voor alle aandacht en alle brieven die hij me heeft geschreven. Juffrouw Doornekamp, mijn viooljuf, wat een topvrouw. Die vrouw zag mij, ze zei ook: ‘Je moet dat of dat eens lezen’.”

Aan het eind van uw voorstelling in Utrecht gebruikte u het woord ‘dankbaarheid’.

“Ja, dat is het gezondste gevoel. Als je dankjewel kunt zeggen, dat is zo...”, Van Veen spreidt zijn armen, “dat is zo met open handen. Mij doet het ongelooflijk goed als ik kan zeggen: fantastisch dat je, geweldig dat je. Dat is het meest productieve gevoel dat ik kan hebben. Mijn dochter Anne vroeg laatst: ‘Papa, zullen we samen een boek maken?’ We hebben elkaar vanwege covid anderhalf jaar niet kunnen zien, we zijn ­uitgebreider met elkaar gaan sms’en en zo. Over die bijzondere communicatie zou dat boek moeten gaan.

“Toen zei ik tegen Anne: ‘De hoofdprijs heb ik al. Dat is dat jij met je vader een boek wil maken.’ Dan donderstraalt het bij mij gewoon: geweldig kind, dankjewel.”

Hebben jullie elkaar echt anderhalf jaar niet gezien? Ook niet samen gewandeld?

“Nee, dat kon niet, ik ben een risicogroep, ik ben 76 en heb een genetisch talent voor vaatziekten. Ze stond af en toe naar mij te wuiven voor het raam. Ook mijn kleindochter van acht, die in Duitsland woont, heb ik anderhalf jaar niet kunnen zien.

“Toen dat weer wel mocht, toen brak ik, ik heb ik weet niet hoelang zitten janken. Ik had haar zo gemist, ik dacht dat ik het kon, haar niet zien, maar ik kón het niet.

“Laatst zijn we met z’n allen een weekje naar zee geweest, ik liep hand en hand met mijn kleindochter het water in. Dat is van een geluk, daar blijf ik op drijven, ik was ­bijna naar Engeland gezwommen.”

Er zit niet veel pijn in uw boek.

“Nee, ik weet niet of ik wel een boek over pijn zou willen schrijven, al heb ik die natuurlijk ook ervaren. Kijk, er is schaduw en die schaduw heeft lengtes, dat heeft te maken met het licht. Dan kies ik toch voor het licht.

“Misschien zou ik wel kunnen schrijven over verlies, dat ook een vorm van pijn is. Ik ben ontzettend veel mensen kwijtgeraakt met wie ik heel close ben geweest, dat komt met het ouder worden. Titel: Mama, mag ik mijn moeder terug?

Dat is het eerste verlies waaraan u moet denken?

“Ja, ik heb er heel lang over gedaan om het verlies van mijn ouders te aanvaarden. Als ik op televisie was of er stond iets van mij in de krant, dan belde ik mijn ouders: hebben jullie het gelezen of gezien? Dat was standaard.

“Als jongen liet ik thuis mijn tekening zien. Dan zei mijn vader, die graficus was: ‘Geweldige tekening, jongen. Je bent wel heel druk op rechts geweest, hè, misschien moet je ook eens links onderin iets zetten, dan valt het papier niet om.’ En de volgende keer ging ik links ook iets tekenen. En dan zei zo’n juf: ‘Hè, Herman, dát is leuk’. En zo ging het leven door.”

Lees ook:

Clown Herman (bijna 75) is nog altijd een genot om naar te kijken

Recensie Herman van Veen, ‘75 - Dat kun je wel zien dat is hij’

Herman van Veen: ‘Ik blijf reizen tot ik niet meer kan’

In de serie ‘tien geboden’ interviewt Arjan Visser wekelijks bekende en minder bekende Nederlanders aan de hand van de Bijbelse tien geboden over hun leven, wereldbeeld en religie. Vandaag: Herman van Veen (1945) - podiumkunstenaar, schrijver, en muzikant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden