Hendrick Heerschop, ‘Koning Casper’, 1654 of 1659.

ExpositieZwart in Rembrandts tijd

‘Herkenning in het museum, dat had ik nooit ervaren’

Hendrick Heerschop, ‘Koning Casper’, 1654 of 1659.Beeld Staatliche Museen zu Berlin

De eerste zwarte Amsterdammers waren geen slaven, maar trotse zeevaarders. Het Rembrandthuis vertelt over hen aan de hand van portretten van Rembrandt en zijn tijdgenoten. Voor Stephanie Archangel, die de tentoonstelling samenstelde, is het een heel persoonlijk verhaal geworden.

Al was ze bepaald geen onbekende in de Nederlandse musea, pas vijf jaar geleden zag Stephanie Archangel voor het eerst Rembrandts ‘Twee Afrikaanse mannen’ in het Mauritshuis. Een verpletterende ervaring was het. “Wauw, dit zijn zwarte mannen van vlees en bloed die teder bij elkaar staan, maar ook trots voor zich uitkijken, met de schouders naar achteren. Ik zag er een soort menselijkheid in – het is best wel gek om te zeggen, maar dat verwacht je niet als zwarte persoon als je naar zeventiende-eeuwse kunst kijkt.”

Conservator Archangel vertelt het met passie. De expositie ‘Zwart in Rembrandts tijd’, die ze samenstelde met het team van Museum het Rembrandthuis, is een heel persoonlijke. Natuurlijk kende ze de bedienden en slaaf­gemaakten die op schilderijen voorkomen, en ook Caspar, een van de drie ­koningen uit het kerstverhaal. Maar dat zijn stereotypen waarin zij zich niet herkent. Ze vroeg Elmer Kolfin, docent aan de UvA, of er meer portretten ­bestaan van échte zwarte mensen uit die periode. En zo ontdekte ze ook het schilderij van de vrij onbekende Haarlemse schilder Hendrick Heerschop, een tijdgenoot van Rembrandt.

Gerrit Dou, ‘Tronie van een jonge zwarte man’, circa 1635.Beeld Niedersächsisches Landesmuseum, Hannover

Dat raakt haar zo mogelijk nog meer, zegt ze kijkend naar het ernstige gezicht op het portret tegenover haar. “Ik zie mijn oom. Ik kom van Curaçao en deze man is zoals de zwarte mannen die ik in het dagelijks leven ken. Het kan niet anders dan dat deze man heeft gezeten voor dit portret: hoe het licht zijn huid vangt, die ogen, dat snorretje. Zijn haar, dat zit net niet helemaal goed. Met mijn haar hoef ik maar zo te doen” – ze duwt tegen haar krullen – “en het blijft zo zitten, net als bij hem.” Ik vroeg iemand in mijn omgeving: ‘Als jij in een museum bent, en je kijkt naar schilderijen, denk je dan ook: hé, zij lijkt op mijn tante of mijn nicht?’ ‘Ja natuurlijk’, luidde het antwoord. Dat had ik dus voor het eerst, ik wist niet wat ik miste omdat ik dat nog nooit had ervaren. Mensen hebben het vaak over herkenning in het museum. Zo dicht kun je dus bij een werk komen. Dat ontroerde me enorm. Ik moet nog steeds mijn best doen om niet in janken uit te barsten.” Waarop ze de emotie uitbundig weglacht.

Rembrandt van Rijn, ‘Buste van een Afrikaanse vrouw’, rond 1650.Beeld Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam

“Ik dacht: stel je voor dat ik een zaal vul met portretten van mensen die lijken op mijn ooms en tantes, met werken uit de zeventiende eeuw waarop zwarte mensen anders verbeeld worden dan bedienden of tot slaafgemaakten.”

Het werden twee museumzalen, waar ruim vijftig werken hangen – schilderijen, etsen, tekeningen – van Rembrandt en zijn tijdgenoten. Eén werk ontbreekt: de twee Afrikanen waar het allemaal mee begon. Het Mauritshuis had het best willen uitlenen, maar in een legaat is vastgelegd dat dit werk het museum nooit mag verlaten.

Jasper of Jeronimus Beckx, ‘Portret van Dom Miguel de Castro’, 1643.Beeld Statens Museum for Kunst, Kopenhagen

Slavernij was illegaal

“In Rembrandts tijd, de vroege zeventiende eeuw, was de slavenhandel wel aan de gang, maar nog niet booming, als ik het zo mag zeggen”, vervolgt Archangel. “Slavernij was hier in Amsterdam trouwens illegaal, het gebeurde alleen in de koloniën. Het is ook precies de fase waarin de Hollandse meesters naar het leven gaan schilderen en dingen zo echt mogelijk weergeven. Die combinatie zorgt voor een korte periode in de kunstgeschiedenis waarin je zwarte mensen van vlees en bloed treft.”

Na die tijd zie je de pages komen en andere zwarte bedienden. “Dat waren geen echte mensen, maar eerder accessoires, een trend. Iedereen wilde zo’n zwart jongetje achter zich, op een portret. Met altijd hetzelfde wipneusje en mooie krulletjes.” Het beeld van zwarte mensen in de kunst wordt daarna alleen maar negatiever, volgens Archangel om de slavernij te legitimeren. Het dieptepunt wordt bereikt in de negentiende eeuw. “Dan worden het karikaturen, de karakteristieken van een mens verdwijnen. Grote neus, grote lippen, het wordt een soort clown.”

Denk ook gerust aan Zwarte Piet. Pas halverwege de twintigste eeuw verandert dit beeld, als zwarte kunstenaars zelf aan het werk gaan in de Verenigde Staten en het Caribisch gebied. “Dat wordt tegenwoordig aangeduid als naïeven en primitieven”, zegt Archangel misprijzend. “We hebben nog wel wat moeite met kunsthistorische termen.”

Cornelis van Dalen naar Govert Flinck, ‘Zwarte courtisane’, circa 1660-1665.Beeld Rijksmuseum, Amsterdam

Sinds de zeventiende eeuw

Met de expositie in het Rembrandthuis wil ze een keer geen karikaturen of slaafgemaakten laten zien, maar prachtige portretten van zwarte mensen die echt leefden. “Dat is hoe ik te werk ga. Op een stille manier, ik ben niet van het activisme. Dat zit in mijn opvoeding. Op Curaçao zijn revolutie en opstandigheid niet oké. Heel post-koloniaal. Dat leerde ik pas een beetje toen ik in Nederland ging studeren.”

Het punt dat ze wil maken – terwijl ze ‘keurig binnen de lijntjes kleurt van de museale wereld’ – is dit: je kunt niet terugverlangen naar een wereld die nooit bestaan heeft. “Want wij zwarte mensen zijn hier al heel lang: er is nooit een Nederlandse samenleving geweest waarin zwarte mensen geen rol speelden. We waren hier, al sinds de zeventiende eeuw.”

Rembrandt van Rijn, ‘Twee Afrikaanse mannen’, 1661.Beeld Museum het Mauritshuis, Den Haag

Om dat verband te leggen hebben curatoren Raul Balai en Brian Elstak ­hedendaagse werken toegevoegd aan de tentoonstelling. “Het is niet gelukt om de mensen op de schilderijen en prenten te identificeren. Nou ja, op één na: Dom Miguel, maar dat was een gezant uit Congo, een controversiële hoogwaardigheidsbekleder. De gewone mensen die we zien blijven anoniem. Van de moderne werken weten we wel wie afgebeeld zijn. Dat vond ik belangrijk voor de balans in de tentoonstelling. Kijk: zwarte mensen, anno nu, afgebeeld door zwarte kunstenaars.”

De eerste zwarte Amsterdammers waren geen slaven, maar trotse zeevaarders

In het Amsterdam van Rembrandt van Rijn – waar slavernij verboden was – vestigden veel zwarte Amsterdammers zich rondom het huis van de schilder. Mark Ponte van Stadsarchief Amsterdam pluisde hun geschiedenis na.

Rembrandt hoefde niet ver te zoeken naar zwarte stadsgenoten, ze woonden bij hem om de hoek. Mark Ponte weet precies waar. Hij heeft een kaart gemaakt waar hun huizen – vaak kelderwoningen en gehuurde kamers – in de stegen en gangen rond het huis van de schilder staan aangegeven.

De adressen vond hij in het stadsarchief, waar hij werkt. “De ondertrouwregisters van Amsterdam zijn compleet vanaf de late zestiende eeuw. Daarin werd altijd het adres geregistreerd waar iemand in de stad verbleef, al huurde je maar een bed in een pension.

Vernederlandste namen

“Ook de landstreek waar mensen vandaan kwamen werd genoteerd. IJverige ambtenaren schreven er soms ook de huidskleur bij van stellen die in ondertrouw gingen, maar dat was geen standaardprocedure. Van de namen word je vaak niet veel wijzer, omdat die bij alle immigranten werden vernederlandst. Zwarte Amsterdammers heetten gewoon Pieter, Bastiaan of Lijsbeth. Achternamen als ‘Van Angola’ of ‘Van Congo’ zijn dan weer nuttige aanwijzingen.”

Dat de eerste zwarte Amsterdammers zich vestigden in de Jodenbuurt, rond de plek waar nu het Waterlooplein ligt, is niet toevallig. “Ze kwamen begin zeventiende eeuw mee met Portugese Joden, die voor de inquisitie vluchtten. In Spanje en Portugal had je huisslavernij, al vanaf de vijftiende eeuw. Een aantal rijke vluchtelingen nam hun zwarte bedienden mee.” Maar in Amsterdam was slavernij verboden.

“Mocht iemand tegen zijn wil gehouden worden dan kan hij zich wenden tot de autoriteiten”, citeert Ponte uit de wetgeving. En dat lijkt gebeurd te zijn.

Veel zwarte mannen kwamen echter op een heel andere manier terecht in de stad die destijds het centrum van de wereldhandel was. Ze waren zeemannen die voeren op schepen van de Oost- en West-Indische Compagnieën. “Het kan heel goed zijn dat ze altijd vrije zwarte zeelieden zijn geweest”, vertelt Ponte. “De Hollanders huurden ze in. Soms omdat halverwege de reis al een deel van de bemanning was overleden en in Afrika nieuwe matrozen aan boord werden gehaald. Ook werd gretig gebruikgemaakt van de kennis van zeeroutes die zeevaardersvolken van Kaapverdië of Sao Tomé hadden.”

Thuishaven Amsterdam

Aan het einde van de reis kwamen ze terecht in de thuishaven Amsterdam, waar ze zich voegden bij de zwarte ­gemeenschap, trouwden en kinderen kregen. “Terwijl de mannen weer de zee op gingen, soms voor jaren, bleven hun vrouwen in Amsterdam achter en werkten vaak als dienstbode.”

Ze vormden een hechte groep, ontdekte Ponte in de ondertrouwregisters. “Bij huwelijken traden ze op als elkaars getuigen. Ik kom vaak dezelfde mensen tegen. In 1636 bijvoorbeeld trouwen ­Diogo Anthoine en Catharina Anthonis van Angola en ze maken meteen een testament op. Er is een tolk bij die vertaalt in het Spaans. Wat interessant is: ze benoemen niet alleen elkaar tot erfgenaam, maar ook de drie getuigen, mochten ze geen kinderen krijgen.”

Het schept een beeld van een hechte maritieme gemeenschap die goed voor elkaar zorgt – het risico dat een man niet terugkeert van zee is groot. Ook zwarte nieuwkomers lijken snel opgenomen te worden in de groep, die rond 1650 tussen de honderd en tweehonderd mensen telt, schat Ponte.

Je zou er ook uit kunnen afleiden dat de zwarte Amsterdammers een geïsoleerde groep zijn. Werden ze gediscrimineerd? Ponte vond daar geen aanwijzingen voor. “Ze hoorden bij het arme deel van de bevolking, maar dat gold voor de meeste immigranten die destijds met duizenden per jaar naar Amsterdam kwamen – tussen 1570 en 1670 groeide stad van 30.000 naar 200.000 inwoners.

“In deze tijd begint ook de grootscheepse slavenhandel, omdat de Hollanders de kolonie Brazilië veroverden op de Portugezen, waar die handel al volop aan de gang is. Maar in Amsterdam bestaan nog niet de stereotype beelden van zwarte mensen als geboren slaven.”

Dat blijkt ook uit de portretten die Rembrandt en zijn tijdgenoten van ze maken. “De zwarte zeelieden verdienden, voor zover ik kon nagaan, hetzelfde als hun witte collega’s. Tijdens dat huwelijk met de drie getuigen blijkt dat de groep nog geld tegoed heeft van een schipper. Met behulp van de tolk eisen ze het op.” Of ze het gekregen hebben is niet bekend, maar ze hadden dezelfde rechten als alle Amsterdammers.

An educated guess

Tot in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw kan Ponte de groep goed volgen. Daarna gaan ze, zeker in de archieven, op in de bevolking. “Je moet wel bedenken: het waren heel ­arme mensen. Veel kinderen stierven, ze hadden geen groot nageslacht. De ­jaren zestig waren stevige pestjaren waarbij duizenden mensen omkwamen en als je hier in een kelder woonde hoorde je bij de eerste categorie die besmet werd.”

Hoewel Ponte de levenswandel van veel mensen heeft kunnen nagaan, is het niet gelukt een naam te verbinden aan een portret van een zwarte Amsterdammer. Dus staat Ponte zichzelf dan maar een educated guess toe. “Die mannen op het schilderij van Rembrandt: ze staan heel amicaal dicht bij elkaar. Zouden ze broers zijn? Misschien zijn het dan wel Bastiaan en Manuel Ferdinando, afkomstig van Sao Tomé en in dienst bij de Admiraliteit van Amsterdam. Ze woonden aan de Jodenbreestraat en hun kapitein is ook door Rembrandt vereeuwigd.” Wellicht hebben zij samen geposeerd in het atelier van Rembrandt in het Rembrandthuis.”

Hier, Zwart in Rembrandts tijd is t/m 31 mei te zien in Museum het Rembrandthuis in Amsterdam.

Lees ook:

Een hechte, zwarte zeemansgemeenschap

Mark Ponte werkt bij het Amsterdamse stadsarchief en ging de levenswandel van Rembrandts zwarte stadsgenoten na. Hij maakte een kaart waar hun huizen – vaak kelderwoningen en gehuurde kamers – in de stegen en gangen rond het huis van de schilder staan aangegeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden