Review

Helsche boosheit in achttiende-eeuws Nederland

Leo J. Boon, 'Dien godlosen hoop van menschen'. Vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw. Bezorgd door I. Schoffer met medewerking van J. Roelevink, J.P. de Valk en A.J. Veenendaal jr. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 1997, 415 pp., index, ill., f59.

Vreemd genoeg verschijnt nu het als proefschrift geplande boek van Leo Boon postuum als laatste in een reeks belangrijke werken over sodomie.

Noordams Riskante relaties. Vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733 (Hilversum: Verloren, 1995) biedt een wat vlak overzicht van de vervolgingen van Middeleeuwen tot vroegmoderne tijd, terwijl Van der Meer zich in Sodoms zaad in Nederland. Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd (Nijmegen: SUN, 1995) vooral concentreert op Amsterdam in de achttiende eeuw. Het boek van Boon gaat over 'de grote vervolging' in de jaren 1730-1732. Bij zijn overlijden in 1986 was de dissertatie vrijwel af, op in- en uitleiding na. Schoffer heeft het toen op zich genomen om de studie af te maken en elf jaar na dato is hij daar in geslaagd, dankzij de actieve medewerking van oude collega's van Boon.

Sodomie was de exemplarische zonde tegen de natuur in Europa sinds de twaalfde eeuw. Binnen de nieuwe staten en staatjes die er ontstonden, gold het al spoedig als een zeer ernstig misdrijf dat de doodstraf verdiende. Het begrip stond voor alle seksuele handelingen die niet de voortplanting ten doel hadden binnen het huwelijk. Het omvatte dus vrijwel alles, van masturbatie tot bestialiteit en ook de coitus tussen ongehuwde of onvruchtbare partners. Anale seks tussen mannen is evenwel het meest vervolgd en is als zodanig in vele Amerikaanse staten nog steeds strafbaar. Historicus John Boswell in Christianity, social tolerance and homosexuality (1981) en theoloog Mark Jordan in The invention of sodomy in Christian theology (1997) hebben vastgesteld dat de katholieke kerk in het eerste millennium helemaal niet zo fel was op homoseksuele contacten. Soms zegende ze homo- en lesborelaties zelfs in. De scherpe afwijzing van sodomie is dus niet inherent aan christendom, maar er een late spruit van.

Volgens Noordam vond vervolging van sodomie slechts sporadisch plaats in Nederland voor 1730. Hij heeft uit de archieven een honderdtal processen opgedoken voor de periode 1233-1729, meestal tegen mannen vanwege anale seks. Van hen zijn er ongeveer 50 geëxecuteerd. Op andere plaatsen was de vervolging veel heftiger, zoals in Florence waar in de tweede helft van de vijftiende eeuw de helft van de mannelijke bevolking van sodomie verdacht werd. Duizenden mannen kregen een boete of gevangenisstraf, zoals Michael Rocke in Forbidden friendships. Homosexuality and male culture in Renaissance Florence (1996) vaststelt.

De grote vervolging begon in Nederland pas in 1730. In de periode 1730-1732 zijn er, volgens Boon, 174 mannen en jongens gevangen gezet van wie er 91 zijn terecht gesteld en 7 de dood in de cel vonden, door zelfmoord of na toepassing van tortuur. Daarnaast is er sprake van 182 verstekvonnissen tegen voortvluchtigen. Schoffer komt in zijn conclusie met een voorzichtige schatting dat er een 600 slachtoffers zullen zijn geweest van deze eerste vervolgingsgolf want niet alle gevluchten zijn bij verstek veroordeeld en niet alle archieven zijn al uitgeplozen.

De vervolging begon in januari toen de portier van de Domtoren die zelf vastzat vanwege onruststokerij, zich had laten ontvallen dat mannen sodomie met elkaar pleegden in de Michaelskapel in de Domtoren, direct onder zijn woning. De verdachten Gelis van Baden en Willem Luyten werden kort daarop gearresteerd, maar zij ontkenden de aantijgingen eerst in alle toonaarden. Van Baden die al in 1721 met de politie in aanraking was gekomen wegens sodomie, was zeer op zijn hoede, maar zoals Boon stelt, de positie van een verdachte, zonder advocaat en eenzaam opgesloten, was zeer zwak in die tijd. Van Baden ging door de knieen maar lette erop dat zijn eerste belastende verklaringen anderen betrof die naar hij dacht niet meer in Utrecht woonden. Het bleek een misrekening en de politie kon een derde verdachte van sodomie aanhouden. Stapje voor stapje schreed ze voort totdat ze de hand legde op de 'hoofdsodomiet', de schuldbewuste Zacharias Wilsma die tientallen anderen aangaf en de vervolging van een lokale tot een nationale zaak maakte.

Wilsma was, zoals veel andere mannen in het nu gestadig door de politie ontrafelde netwerk, soldaat en herenknecht geweest. Dat laatste beroep was in zijn geval een eufemisme voor schandknaap en in die hoedanigheid kende hij grote en kleine heren uit het hele land. Zijn bekentenissen leidden tot processen bij het Hof van Holland in Den Haag en bij plaatselijke rechtbanken van Namen en Sas van Gent tot Leeuwarden en Groningen. Was de Utrechtse rechtbank nog tamelijk gretig bij het vervolgen van kleine luiden, toen de naam viel van baron Frederik Adriaan van Reede van Renswoude, president van de Utrechtse Ridderschap, stokte de vervolgingsmachine. Hij werd niet eens gedaagd. Ook in andere steden zou het justitiele apparaat haperen zodra de hogere standen werden geïmpliceerd in sodomie. De Haarlemse regent Willem Six en baron Johan van Meeuwen van Heynsberg bleven ondanks vele bewijzen buiten schot.

Boon constateert dat de processen redelijk eerlijk verliepen binnen de juridische kaders van die tijd. Sodomie was een halsmisdrijf en als de rechtbank duidelijke aanwijzingen had dat sodomie was gepleegd, mocht ze tortuur toepassen om een bekentenis los te krijgen. Want omdat de sodomie geen sporen naliet en derden er in de regel geen getuigen van waren, was voor een veroordeling een bekentenis van de verdachte nodig. Die verdachten waren in die tijd geen zelfbewuste homoseksuelen die in hun handelen geen kwaad zagen, maar sodomieten die naar de geest van de tijd juist schuldbewust waren en onder druk erkenden dat ze zondaars en misdadigers waren.

In 1731 bereikte de vervolging een dieptepunt toen de Faanse rechter Rudolf de Mepsche in zijn district in het Groningse Westerkwartier een harde vervolging begon. Het boek van de plaatselijke dominee Henricus C. van Byler Helsche boosheit of grouwelijke sonde van sodomie dat kort voor de vervolging verscheen, was daartoe zeker een aansporing geweest. In de paar boerendorpen waar De Mepsche de scepter zwaaide, zouden uiteindelijk 24 mannen het leven laten. Van hen stierven 21 op de 24e september 1731 door wurging, waarna hun lijken op de brandstapel kwamen.

Boon beklemtoont het verschil tussen deze vervolging op het platteland en die in de grote steden. In de steden bestond waarschijnlijk sinds het eind van de zeventiende eeuw een subcultuur van sodomieten die hun eigen taal, gebruiken en ontmoetingsplaatsen hadden. Op het platteland ging het veelal om een tussendoortje van mannen die al in het huwelijk waren getreden of dat nog wel zouden doen. In de stad had zich een soort homoseksuele leefstijl ontwikkeld die op het platteland ontbrak. Een ander verschil was het buitensporige geweld dat De Mepsche hanteerde om bekentenissen los te krijgen. In Groningen zou de publieke opinie zich tenslotte tegen hem keren en leeft hij nog steeds voort als een wreed monster. In de steden richtte de woede van het publiek dat zich tevoren niet bijzonder druk maakte om sodomitische activiteiten waar het wel van wist, zich juist tegen de sodomieten. Had de portier van de Domtoren niet slechts en passant verteld over de sodomieten die in zijn voorportaal stonden te seksen?

In het nawoord probeert Schoffer tot een interpretatie van de 'grote vervolging' te komen. Een algemene verklaring is tegenwoordig dat rond 1700 een subcultuur van sodomieten ontstond en zich een homoseksuele identiteit in de kiem ontwikkelde. Daarnaast zijn er andere tekenen van een omslag in het denken over sekse en seksualiteit: zo emancipeerde de vrouw in de eeuw van de Verlichting en 'ontdekten' biologen juist een absoluut verschil tussen man en vrouw, begon de Zwitserse arts Tissot met een campagne tegen de onanie terwijl in Frankrijk de libertijnse literatuur opkwam. Als resultaat van de Verlichting verdween de strafbaarstelling van sodomie in Frankrijk in 1791 en in Nederland in 1811. Zulke achtergronden wijst Schoffer als verklaring resoluut van de hand. Hij ziet de oorzaak vooral in het historische toeval, want zonder spraakzame Wilsma en heksenjager De Mepsche was het nooit zover gekomen binnen de kaders van die tijd waarin sodomie nog een doodzonde en een halsmisdrijf was.

Het is jammer dat we nu drie boeken hebben over de geschiedenis van sodomie zonder synthese. Want het 'toeval' waar Schoffer mee komt, is een terugval vergeleken bij de intelligenter verklaringen van andere auteurs zoals Randolph Trumbach en Van der Meer. Er is alle ruimte voor een vierde boek waarin subculturen en vervolgingen van sodomieten samenvattend worden besproken. Daarnaast blijven allerlei thema's zoals receptie van Griekse pederastie of homo-erotiek in beeldende kunst en literatuur nog onontgonnen terrein. We weten veel, maar meer kennis kan alleen maar helpen het toeval beter in zijn sociale en historische context te plaatsen. Boon heeft een mooi boek geschreven. Helaas heeft een ander de conclusies voor hem moeten schrijven. Gelukkig hebben zijn bezorgers het barokke taalgebruik onaangetast gelaten zodat de lezer kan wegdromen bij begrippen als 'handcategisatie' en 'kaele boeren maecken' en uitingen van christelijke verontwaardiging over 'boeleeren' en 'helsche boosheit'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden