Review

Helden noch demonen

Hoewel de Spaanse premier Aznar vierkant chter de oorlog in Irak staat, keert de Spaanse bevolking zich er massaal tegen. Misschien heeft ze te vaak moeten zwijgen over de eigen oorlogswonden: decennialang werden die gesmoord onder een deken van nationale verzoening. Maar daaraan lijkt een einde gekomen. Tekenend is het ongekende succes van de roman 'Soldaten van Salamis'. In dit hevig bediscussieerde boek over een falangist die nóch helemaal fout, nóch helemaal goed is, herkennen de Spanjaarden de morele dilemma's die een oorlog met zich meebrengt.

Ilse Logie

Twintig november 2002, precies 27 jaar na de dood van dictator Franco, vond in het Spaanse parlement een gedenkwaardige gebeurtenis plaats. Alle fracties keurden een resolutie goed die het leed erkende dat de slachtoffers van de Burgeroorlog (1936-1939) was aangedaan en die het gebruik van geweld om overtuigingen op te leggen formeel veroordeelde.

Dat dit politieke gebaar geen alleenstaand feit is, blijkt uit de stortvloed van publicaties die recentelijk over de Burgeroorlog en het franquisme zijn verschenen, alsook uit de vele initiatieven die in dit verband werden genomen: de organisatie van de druk- bezochte tentoonstelling Exilio in Madrid, over het thema van de ballingschap onder het Franco-regime; het uitzenden van spraakmakende documentaires op de Spaanse televisie, onder meer één over kinderen van gevangengenomen republikeinen die op grote schaal werden ontvoerd; de oprichting van een vereniging die ervoor ijvert dat de massagraven met de gefusilleerde republikeinen worden opengemaakt. Opvallend is ook het succes van een roman als 'Soldaten van Salamis' (2001), van de tot dan toe vrij onbekende Javier Cercas, waarvan al meer dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht werden, en die zopas in het Nederlands werd vertaald.

Dat er nu pas volop aandacht wordt besteed aan de miljoenen Spanjaarden die tijdens en na de Burgeroorlog naar het buitenland uitweken of een pijnlijke binnenlandse ballingschap doormaakten, kan voor een deel verklaard worden door de transición, de overgang naar de democratie in de tweede helft van de jaren zeventig. Om voor politieke stabiliteit te kunnen zorgen, moest tijdens deze periode een verzoeningsretoriek worden gehuldigd. Het heette dat alle Spanjaarden hun schouders moesten zetten onder de modernisering van hun land. De slachtoffers van de franquistische repressie moesten alweer zwijgen, want hun verhaal paste niet in het toekomstplaatje, en deed afbreuk aan de euforie van de movida, of culturele heropleving van de jaren tachtig.

Dat tijdperk van collectief geheugenverlies lijkt voorbij, nu zelfs de conservatieve Partido Popular van premier Aznar een mea culpa slaat in een poging een eind te maken aan de diepgewortelde tweedeling van Spanje. Door de betrokkenheid van diezelfde regering Aznar bij de oorlog in Irak dreigt van dit nobele steven echter weinig terecht te komen; het verzet van de Spaanse bevolking is aanzienlijk, en valt grotendeels samen met de traditionele ideologische breuklijn tussen links en rechts.

In de Spaanse literatuur zijn Burgeroorlog en franquisme altijd prominent aanwezig geweest. Zolang de censuur van kracht was, werd uiteraard omzichtiger geformuleerd en kwamen de krachtigste protesten van ballingen als Max Aub of Ramón J. Sender. Vanaf het midden van de jaren tachtig onderging de historische roman - in het verlengde van de algemene vernieuwing van het Spaanse proza - een opmerkelijke verjongingskuur. Auteurs als Antonio Muñoz Molina ('Beatus ille', 1986) of Manuel V zquez Montalb n ('Autobiografie van Generaal Franco', 1992) wijdden belangrijk werk aan de gebeurtenissen uit de jaren dertig en de nasleep ervan.

Weinig romans werden echter zulke bestsellers als het pas verfilmde 'Soldaten van Salamis' van de veertiger Javier Cercas, een schoolvoorbeeld van de hedendaagse houding tegenover de vaderlandse geschiedenis. Cercas doorbreekt immers resoluut de klassieke schema's van helden versus demonen, en kiest voor een minder betrokken, sere-

ner en relativerender benadering van het conflict dat zulke diepe wonden in de Spaanse samenleving heeft geslagen.

De roman dient zich aan als een reconstructie van de laatste januaridagen van 1939. De Burgeroorlog loopt naar zijn einde en Rafael S nchez Mazas, schrijver en ideoloog van de Falange, het Spaanse fascisme, is door de republikeinen opgepakt en gevangengezet in de buurt van Gerona. Op 29 januari wordt hij, samen met vijfentwintig anderen, voor een vuurpeloton gebracht. Als bij wonder ontsnapt hij aan de kogels en vlucht het struikgewas in. Daar komt hij oog in oog te staan met een republikeins soldaat, die hem laat ontsnappen. Hij overleeft ook daarna, dankzij het mededogen van een boerengezin en twee deserteurs.

Het is er de ikverteller, journalist met literaire ambitie, in eerste instantie om te doen de beweegredenen van die onbekende barmhartige soldaat te achterhalen. Door zijn verhaal helemaal op dit voorval toe te spitsen, maakt hij het extra spannend, wat hem niet belet tal van morele dilemma's, die zich in oorlogstijd nu eenmaal voordoen, aan de orde te stellen. Een artikel dat hij voor zijn krant over S nchez Mazas schreef, bracht de bal aan het rollen. De vele reacties die het uitlokte, deden hem ertoe besluiten de feitelijke gebeurtenissen van januari 1939 in boekvorm weer te geven. Hij tracht objectief te zijn over zijn hoofdpersonage, noemt hem een goed schrijver en looft sommige van zijn eigenschappen. Toch valt de eindbalans negatief uit: als het op daden aankwam, was S nchez Mazas bepaald lafhartig, en toen Franco de macht in handen kreeg, gedroeg hij zich opportunistisch. Cercas revisionisme aanwrijven zou zeker onrechtvaardig zijn. Sceptisch is hij wel; terecht suggereert hij dat er morele schemerzones bestaan, en dat beoordelingen achteraf veel makkelijker zijn dan op het ogenblik zelf.

De resultaten van zijn zoekwerk maken de verteller gaandeweg wanhopig. Tot de feiten zelf krijgt hij geen toegang - er resten hem slechts tegenstrijdige versies en twijfelachtige hypothesen. Maar dan wint de drang tot schrijven het van de historische accuratesse, en beseft de verteller dat alleen zijn talent en overredingskracht bij machte zijn om loutere vermoedens om te buigen tot onwankelbare waarheden. Wanneer hij nog maar eens de brui aan het hele boek wil geven, ontmoet hij de Chileense auteur Roberto Bolaño, die hem ervan overtuigt dat 'alle goede verhalen waargebeurde verhalen zijn, in ieder geval voor degene die ze leest'. Daarenboven zet Bolaño zijn vriend op het spoor van Antoni Miralles, oorlogsveteraan en misschien wel de anonieme soldaat die S nchez Mazas het leven redde door hem niet te verraden. De vernuftige opbouw van de roman en de ontroerende stijl van vooral het derde deel, ontwapenen de lezer, die inderdaad geneigd is de verteller te geloven, ook al wijst veel erop dat zijn voorstelling niet klopt met de historische waarheid.

Maar eigenlijk is de vraag of Miralles, die zijn laatste dagen in de eenzaamheid van een Frans bejaardentehuis slijt, al dan niet die bewuste soldaat was, bijzaak. Doorslaggevender is dat zijn visie grondig afwijkt van die van de verteller, die hij verwijt teveel uit te zijn op romantisch heldendom. Zelf herinnert hij zich de oorlog als chaos en ontbering, en denkt hij verbitterd terug aan zijn jonge vrienden die het niet hebben overleefd.

Sommige critici van 'Soldaten van Salamis', zoals Mario Vargas Llosa, hebben de vermenging van genres - journalistiek en literatuur, thriller en onderzoek - bejubeld als de grote kracht van Cercas' roman. Anderen vinden deze dubbelzinnigheid dan weer problematisch en goedkoop: de auteur zou allerlei verwachtingen van historiciteit oproepen die hij niet waarmaakt. Maar dat doet hij niet; hij laat juist het onvermogen zien om zulke 'objectieve feiten' aan het licht te brengen. Eigenlijk vertelt Cercas twee verhalen: dat van S nchez Mazas en, nog belangrijker, dat van zijn verteller, die voortdurend met zijn materiaal worstelt tot hij zich neerlegt bij de fictieve component, die nu eenmaal in elke interpretatie van het verleden aanwezig is.

Niet voor niets heeft hij zijn boek 'Soldaten van Salamis' genoemd, waarmee hij zich de titel toe-eigent van een roman die S nchez Mazas van plan was te schrijven. Op het eerste gezicht bevat deze titel een verwijzing naar de slag die in de vijfde eeuw voor Christus bij Salamis tussen Grieken en Perzen werd geleverd. De Perzen, hoewel militair superieur, moesten er het onderspit delven, en de Griekse democratie zegevierde. De ironie is echter dat deze historische vergelijking gemaakt werd door een notoir falangist, die de nationalistische coupplegers gelijkstelde met de vrijheidslievende Grieken, en de republikeinen met de barbaarse Perzen.

'Soldaten van Salamis' is een interessant boek, maar geen meesterwerk. De vlotte, badinerende toon doet soms te modieus aan, en niet alle hoofdstukken zijn even sterk. Dat het zo'n schot in de roos was, duidt er wel op dat Cercas een gevoelige snaar wist te treffen bij de Spaanse publieke opinie.

Tegelijkertijd met de roman van Cercas is ook 'De val van Madrid' (2000) van Rafael Chirbes in het Nederlands verschenen. Deze Chirbes behoort tot een oudere generatie, en werkt al jaren gestaag aan een indrukwekkend oeuvre waarin de naweeën van de Burgeroorlog centraal staan.

'De val van Madrid' kan worden gelezen als het vervolg op 'De lange mars' (1996), dat vooral in Duitsland erg veel bijval oogstte. Chirbes is een uitmuntend observator die over een groot inlevingsvermogen beschikt. Anders dan die van Cercas, is zijn literatuuropvatting uitgesproken realistisch. Hij biedt zijn lezer een aantal portretten van mensen die allerlei uiteenlopende relaties met elkaar aangaan. Naarmate zijn romans vorderen, blijken deze persoonlijke lotgevallen stevig verknoopt met collectieve gebeurtenissen. Bindmiddel tussen deze individuele geschiedenissen is de figuur van de verteller, nu eens laconiek, dan weer vol begrip voor zijn personages, maar nooit onverschillig. Elke titel vormt een rijk geschakeerd mozaïek van de Spaanse maatschappij in een bepaald tijdsgewricht.

In 'De val van Madrid' is dat het einde van het Franco-regime. De hele roman is opgehangen aan de laatste levensdag van Franco, 19 november 1975. Het is tevens de vijfenzeventigste verjaardag van José Ricart, een ondernemer die zijn fortuin aan collaboratie te danken heeft. Ook zijn schoondochter Olga, die een feestje voor hem voorbereidt, blikt met gemengde gevoelens terug op wat voorbij is, en vooruit naar wat komen gaat. Ze maakt zich zorgen over haar jongste zoon Quini, die op de universiteit tegen Franco ageert. Aan de andere genodigden wordt eveneens een hoofdstuk gewijd. Hun avondje uit contrasteert met de nacht in de cel, die enkele militante arbeiders te wachten staat.

Veel meer dan Cercas is Chirbes een geëngageerd schrijver, die de ontnuchtering en de verloren illusies van zijn generatie subtiel in kaart brengt. Had hij in 'De lange mars' vooral oog voor de verliezers, in zijn laatste roman schenkt hij meer aandacht aan de dubbele moraal die zo kenmerkend was voor de triomferende Spaanse burgerij. Chirbes' mensbeeld is pessimistisch, maar zeker niet zwart-wit of hinderlijk moraliserend. Hij heeft het moeilijk met het gesjacher en de schandalen die altijd de overhand krijgen, en uiteindelijk ook het failliet van de socialisten van Felipe Gonz lez hebben veroorzaakt. Voor de zelfgenoegzaamheid van het huidige Spanje heeft hij al helemaal geen goed woord over. Tegen beter weten in gelooft hij nog in authenticiteit. Als die in de politiek geen bestaansrecht meer heeft, dan toch in de literatuur.

Wie Chirbes en Cercas na elkaar leest, krijgt een duidelijk beeld van de uiteenlopende manieren waarop in de Spaanse literatuur van het begin van de 21ste eeuw het eigen oorlogsverleden wordt verwerkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden