Review

'Heer, ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend'

Wat oud-Philipsbaas Timmer betreft is Nederland klaar voor het nieuwe millennium en inmiddels maakt de Kerk van Rome zich op voor de viering van nog eens duizend jaar. Toch zijn er lieden die minder bevreesd zijn voor dolgedraaide computers dan voor de finale ingreep van de Ultieme Bovenbaas.

Zoals minstens twee keer deze eeuw is bewezen trekt de apocalyptische psychose zich niets aan van een eeuw- of millenniumwisseling. De Nederlandse gevallen van infectueuze godsdienstwaanzin deden zich voor tijdens de beide wereldoorlogen.

Zo beschreef psychiater F. J. Tolsma, die later geneesheer-directeur werd van het huidige Delta Psychiatrisch Ziekenhuis in Poortugaal, de collectieve godsdienstwaanzin van de boerenfamilie Verrips die in de nacht van 1 op 2 februari 1944 leidde tot de geruchtmakende moord in Meerkerk. Het slachtoffer was Aart Verrips, het zwarte schaap van het gezin, die door de jongste zoon Abraham als de duivel werd aangewezen.

Eerder, in 1915, was het grootste deel van de dertienkoppige bemanning van een Katwijkse logger op zee ten prooi gevallen aan een destructieve godsdienstwaanzin. Daarbij werden drie mannen op last van Arend Falkenier gruwelijk vermoord. Na dagenlange omzwervingen op zee werden ze door een Noors schip opgepikt en in plaats van naar het Hemelse Jeruzalem naar Engeland gebracht. Vandaaruit werd Arend enige tijd in Medemblik opgesloten en later naar Endegeest overgeplaatst, waar ook de rest van de bemanning was opgenomen.

In 'Waanzin' laat Robert Haasnoot vijf bemanningsleden pas in 1949 over het drama het zwijgen verbreken, op aandrang van de toenmalige burgemeester en de gemeentesecretaris die het verhaal vertelt. Hun verklaring mocht vijftig jaar niet openbaar worden gemaakt. Na vijftig jaar is het zover. Uit de archiefstukken blijkt dat de mannen nog vier maanden na de ramp geloof hechtten aan het realiteitsgehalte van hun waanideeën over de Satan en het Hemelse Rijk.

Genuanceerd en respectvol jegens de bevindelijk ingestelde gelovigen beschrijft Haasnoot de duivelse historie van de Katwijkse Gekkenlogger. Uit prudentie dragen de personages en het vissersdorp gefingeerde namen. Maar alleen al de naam van de auteur zelf wijst in de richting van Katwijk, in het boek tot Zeewijk omgedoopt. En wat kan 'Wendehart nabij Rijngeest' anders zijn dan Endegeest? Vermoedelijk weet heel Katwijk om welke personen het gaat. Zo zal de eigenlijke naam van de hoofdpersoon Arend Falkenier daar nog ongetwijfeld bekend zijn.

Mijn grootste punt van kritiek geldt de geromantiseerde opzet van dit boek, waardoor het onhelder blijft waar feit in fictie overgaat. Heette de Katwijkse dominee die na de ramp onverdroten doorging met zijn preken over de nakende ondergang van de wereld inderdaad Waalkamp en de burgemeester die hem dat verbood Verheijen?

Op grond van het rapport van de twee artsen die de opvarenden in 1915 onderzochten werden ze allemaal van rechtsvervolging ontslagen omdat hun verstandelijke vermogens ziekelijk gestoord waren toen zij de misdrijven begingen. De diagnose was inductiepsychose, schrijft Haasnoot, ,,bevorderd door het aangeboren, plaatselijk bijgeloof op godsdienstig gebied'. Gebruikten de artsen deze term inductiepsychose werkelijk al of is hij afkomstig van de auteur en dus in feite een anachronisme?

Deze kritiek laat onverlet dat de schrijver schitterend mooi demonstreert hoe in bevindelijke kringen de persoonlijke bekering, met als lichtend voorbeeld John Bunyan, kon omslaan in een regelrechte waan. Geheel zonder risico was deze bevindelijke geloofsbeleving overigens niet, getuige de zelfmoorden die regelmatig voorkwamen als gevolg van de ,,zonde begaan tegen de Heilige Geest'.

Knap en indrukwekkend zijn ook de heldere beschrijvingen van de psychotische diepten en visioenen. Triest en zelfs een beetje ontroerend is de scène waarin Arend Falkenier zich waant in de wastobbe van zijn moeder, kort na de bloedige moord op een bemanningslid dat dorst te twijfelen aan Arends goddelijke missie. De mannen moeten voor hem zingen: ,,Heer, ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend.'

De biografische kant van de hoofdpersoon komt goed uit de verf. Arend werd vroeg kaal en zijn jeugd was allesbehalve gelukkig. Zijn kaalheid beleefde hij echter als teken van uitverkiezing, al werd dit overschaduwd door het feit dat hij met zijn kale hoofd opeens sprekend op zijn tirannieke vader leek. Zijn vader nam na iedere reis zijn redeloze woede mee van zee en sloeg zijn vrouw en kinderen, vooral als hij uit drinken was geweest.

Hij sarde en kleineerde zijn kinderen, en Arend het meest, omdat de knaap zo sterk op hem leek. Als kind was de jongen schuchter en hij had weinig vrienden. Hij liep voorovergebogen en hield zijn ogen meestal op de grond gericht, alsof hij zich bij voorbaat wilde verontschuldigen voor zijn buitenissig lange en forse postuur. Zijn vader overleed toen Arend 14 jaar oud was. Na de dood van zijn vader raakte hij spoedig zijn schuchterheid kwijt. In korte tijd groeide hij uit tot de imposante windmaker die hij de rest van zijn leven zou blijven.

Ruim een halfjaar na zijn desastreuze ontsporing lieten de gestichtsartsen Arend gaan, waarna hij in een andere plaats moest gaan wonen. Op de zwaarvernielde logger rustte geen zegen. Geen Katwijker wilde er nog op aanmonsteren. Uiteindelijk werd het schip verkocht aan een IJmuidense rederij. Nog geen twee jaar later liep het schip op een mijn. De gehele bemanning kwam daarbij om het leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden