Review

Heel wat Berlijners konden Kennedy horen zeggen: 'Ik ben een oliebol'

Toespraken en redevoeringen zijn zo oud als onze beschavingsgeschiedenis. Zodra de mens knots en berenvel aflegde en de macht van het woord ontdekte begon hij te oreren tegen zijn medemensen, om ze gunstig te stemmen, iets van ze gedaan te krijgen, ze te overtuigen. De meeste speeches worden tussen de schuifdeuren gehouden, voor rechtbanken, op illusieloze vergaderingen of routineus vanaf de kansel, maar ook de wegen van hele democratieën en dictaturen, vrijheidsbewegingen en schrikbewinden zijn geplaveid met redevoeringen.

Sommige daarvan hebben de geschiedenis een ander aanzien gegeven, andere hebben de mensheid ten diepste geroerd, hoe het ook zij: in de redevoering heeft de mens zich misschien wel het meest mens getoond, in onderscheid van de dieren die dan misschien wel hun eigen communicatiemiddelen bezitten maar waarvan we toch maar niet aannemen dat ze tot ellenlange tafelredes of overrompelende oorlogsretoriek in staat zijn.

Een wezenlijk aspect van zelfs de historische toespraak lijkt overigens te zijn dat men zich er slechts een klein gedeelte of louter de slogans van herinnert. Veel van de allergrootste redevoeringen bestaan grotendeels uit het spreekwoordelijke blablabla of worden als zodanig (niet) onthouden. Wat zei Kennedy nog meer dan 'Ich bin ein Berliner' en wat was de context van Martin Luther Kings 'I have a dream', misschien wel de beroemdste slogan van deze eeuw?

'I have a dream' is dan ook de titel van een grote verzameling toespraken en redevoeringen uit alle hoeken en gaten van de westerse wereld en de geschiedenis, bijeengebracht door historica en journalist Margreet Fogteloo. Het zijn louter geschreven teksten en daardoor mist de toehoorder dus het misschien wel belangrijkste deel van de directe uitwerking van een toespraak: de gesticulaties, het ovationeel applaus, de dreigende stilte, de ontroerde of opgehitste menigte. De redevoering is hier als het ware gereduceerd tot haar status nascendi, het moment dat de redenaar hem in elkaar zet, zonder zicht op het effect.

Van sommige grote redevoeringen uit het verre verleden, zoals de Bergrede of de rede van Pericles, weten we ook niet precies hoe ze bij het eerste publiek aankwamen, maar van recentere exemplaren staat ons de uitwerking nog voor de geest. De ontroerende redevoering van Rabins kleindochter over haar opa, de nauwelijks verpakte aanval op het Britse koningshuis van graaf Spencer bij de begrafenis van zijn zuster, prinses Diana, zijn hedendaagse voorbeelden die direct op het netvlies verschijnen.

Maar hoe spraken Robespierre en Napoleon precies zonder zulke filmbeelden; zelfs van de demagogische toespraken van Hitler blijft zonder publiek, en zonder het merkwaardige contrast tussen zijn verschijning en het publiekseffect nauwelijks iets over.

Toch is het interessant en ook een beetje onthutsend om deze teksten zonder zweet 'kaal' en 'onaangekleed' te zien. Fogteloo selecteerde zo'n honderd representatieve toespraken uit de wereldgeschiedenis, met een begrijpelijk maar tegelijkertijd ietwat vertekenend accent op 'Nederlandse' toespraken. Kunnen redevoeringen van professor Cleveringa, minister-president Schermerhorn, Joop den Uyl, Jan Pronk wedijveren met die van Napoleon, Abraham Lincoln, John F. Kennedy? Een groot deel van het succes van een redevoering heeft minder te maken met inhoud en intelligentie dan met de historische status van de spreker, zijn rol en het moment in de geschiedenis. Wat zo iemand precies zegt is misschien niet eens cruciaal.

Zo meldt Fogteloo dat heel wat Berlijners Kennedy konden horen zeggen 'Ik ben een oliebol' (een 'Berliner' is immers voornamelijk een Berliner Bol), maar ze hoorden het niet, ze hoorden alleen wat ze wilden horen, solidariteit, anti-communisme, een steuntje in de rug. Als verzameling woorden stelt Kennedy's rede bijna niets voor en dat geldt eigenlijk voor het gros van de hier gebloemleesde teksten.

Ook die van Martin Luther King 'oogt' niet op papier, pas tegen het einde kwam hij op dreef en dan nog slaat het repeterende 'I have a dream' op papier aardig dood. Zelfs de korte tekst van Rabins kleindochter, indertijd niet met droge ogen te ondergaan, blijft niet overeind zonder de tranen, de zichtbare moeite om niet in te storten, de context van het moment.

Eigenlijk demonstreert zo'n verzameling historische teksten dus vooral dat het bij toespraken grotendeels niet om de woorden gaat. Maar behalve dat deze selectie mythes doorprikt voedt ze ook nieuwe bewondering of verbazing. Chroesjtsjovs rede waarin hij de destalinisatie aankondigde was veel radicaler en persoonsgerichter dan ik had gedacht. Reagan blijkt, althans in de hier afgedrukte rede voor de National Association of Evangelists, een nog veel dommer geest dan je al vermoedde.

Er laten zich allerlei patronen en verbanden tussen de diverse redevoeringen leggen. Kennedy baseerde zich in zijn inaugurele speech bewust op de retorische herhalingen in de redevoeringen van z'n grote voorbeeld Lincoln. Ook de redenaties van dictatoren vertonen opvallende overeenkomsten in argumentatie. Hier: Robespierre die het hoofd van Lodewijk XVI eist: “Lodewijk moet sterven in de plaats van duizenden deugdzame burgers! Lodewijk moet sterven omdat ons land moet leven.” Vervolgens Stalin over de noodzaak het westen bij te benen: “Doen we dit niet, dan vermorzelen ze ons.” En dan Reynhard Heydrich in zijn rede over de Endlosung van het jodenvraagstuk aan de oevers van de Wannsee: “De Führer ziet zelf in dat fatale bacteriën moeten worden uitgeroeid om het organisme te redden. Het is zij of wij.” Variaties op een thema.

Zelf merkte ik dat ik op papier het meest geraakt werd door rechtbank-redevoeringen met de meest gruwelijke plastische details, zoals de aanklacht van Fidel Castro tegen de misdaden van regime-Batista of die van Gideon Hausner tegen Eichmann.

Echt grote historische redevoeringen mist men hier niet, al had ik graag in de categorie contraproductieve toespraken die van die voormalige Duitse Bondsdagvoorzitter zien opgenomen, die iets goedbedoelds over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog had willen zeggen en vervolgens de ene blunder op de andere stapelde, waarna hij onder tenengekrul van zijn toeschouwers direct kon opstappen.

Wat ook blijkt, speechen is een mannenbedrijf. Wie als vrouw gedenkwaardig wil toespreken moet minstens feministe (mrs. Pankhurst, Joke Smit) of koningin (Wilhelmina, Juliana, Beatrix, Elizabeth) worden.

De samenstelster levert bij alle teksten soms uitgebreid historisch commentaar. Daarbij gaat ze soms merkwaardig kort door de bocht. Zo zou Marinus van der Lubbe gestoord zijn geweest, Henriëtte Roland-Holst onze grootste dichteres en Oswald met zekerheid Kennedy's moordenaar. Bij zulke stelligheden zou je kanttekeningen kunnen plaatsen maar ook kunnen denken dat de schrijfster is aangeraakt door het virus van de redevoeringen zelf, die immers vaak effectiever blijken naarmate ze de geschiedenis meer naar eigen hand zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden