Review

Heel Naccos is medeplichtig aan de drie mensenoffers

Mario Vargas Llosa: De geesten van de Andes, Vertaald door Mieke Westra. Meulenhoff, Amsterdam; 277 blz. - ¿ 39,90.

ILSE LOGIE

In zijn memoires 'De vis in het water' deed hij het relaas van de bewogen kiescampagne en likte dapper zijn wonden. Sindsdien gaat hij weer uitsluitend als schrijver door het leven en lijken de goden hem opnieuw gunstig gezind.

Hoe hard hij echter ook probeert een volbloed Europeaan te worden, het wil hem niet helemaal lukken. Eind 1993 schreef hij de pas in het Nederlands vertaalde roman 'De geesten van de Andes', waarin de apocalyptische maar fascinerende Peruaanse werkelijkheid weer nadrukkelijk op de voorgrond treedt. Afgezien van het feit dat Peru Vargas Llosa's geboorteland is, belichaamt het vooral het identiteitsverlies waar de schrijver mee worstelt.

In 'De geesten van de Andes' tekent zich een opmerkelijke toenadering af ten opzichte van de archaïsche patronen waarin uitgestrekte stukken van Peru verankerd liggen. Niet dat Vargas Llosa zijn bekende mening ter zake zou hebben herzien. Hij blijft een vrijdenker in hart en nieren, en waarschuwt onverminderd voor de kwalijke gevolgen van religieus fanatisme, dat hij in één adem noemt met politieke ideologieën. Alleen heeft zijn verkiezingsnederlaag hem blijkbaar de ogen geopend voor de onomstotelijke aanwezigheid van deze 'geesten' in Peru. Zijn hechte verkiezingsprogramma schampte er volledig op af.

In de nieuwe roman is de 'demon' waar de schrijver mee afrekent, de hardnekkigheid van atavistische geloofsvormen in de Latijnsamerikaanse cultuur. Voor de concrete uitwerking van dit thema putte hij uit antropologische verslagen die hij vervlocht met eigen (reis)ervaringen uit de tijd dat hij als voorzitter van de regeringscommissie in de Andes (meer bepaald in Uchuraccay), onderzoek verrichtte naar de moord op acht Peruaanse journalisten. Dat onderzoek leverde onthutsende resultaten op.

Tot gelijklopende bevindingen laat Vargas Llosa in 'De geesten' zijn hoofdpersonage, korporaal Lituma, komen, die de opdracht krijgt drie onverklaarbare verdwijningen op te helderen in het afgelegen Andesdorp Naccos. Deze niet al te snuggere maar goedgelovige politieman is een typisch Vargas Llosa-personage dat lezers kunnen herkennen van 'Het groene huis', waar sergeant Lituma naast handhaver van de openbare orde ook hoerenloper en drinkebroer was. In 'De geesten' wordt Lituma bijgestaan door de onverbeterlijke romanticus Tomás Carreño die hem 's nachts deelgenoot maakt van zijn amoureuze perikelen. Deze ironische gekruide biecht biedt een opgeruimd tegenwicht voor de troosteloosheid van het mijnwerkerskampement en het slecht opschietende speurwerk, en is een uiting van Vargas Llosa's geloof in de helende kracht van het woord. Tegelijk verschaffen zowel Tomás' ontboezemingen als Lituma's gespierde commentaren erop de lezer een blik achter de schermen van de Peruaanse samenleving, waarin onversneden machisme, gewelddadige omgangsvormen en grove corruptie nog steeds aan de orde van de dag zijn.

Vargas Llosa toont zich in deze niet echt ambitieuze roman alweer een meester in het opbouwen van een intrige. Het boek boeit vanaf de eerste bladzijde, de verhaalstrengen kruisen elkaar om later foutloos te worden ontward, waarbij alle beproefde verteltechnieken worden ingezet. Maar vooral de sfeerschepping is onnavolgbaar: geen lezer ontkomt aan de oudtestamentische dreiging die van het hooggebergte uitgaat.

In de ietwat karikaturale figuur van Lituma portretteert Vargas Llosa niet zonder humor in laatste instantie zichzelf. Lituma is immers net als hij een kustbewoner, die tot aan zijn vertrek een buitenstaander blijft in de Andes en totaal geen hoogte krijgt van de bergbewoners. Deze gaan met Olympische onverstoorbaarheid hun gang en verlenen niet de geringste medewerking aan Lituma en zijn ondergeschikte.

Aanvankelijk is Lituma ervan overtuigd dat het Lichtend Pad achter de verdwijningen zit. De steniging van twee Franse toeristen, de moord op een milieu-activiste en het volkstribunaal in een nabijgelegen dorp wijzen in deze richting. In de drie gevallen ontvouwt zich de ijzeren 'logica van de terreur' die Vargas Llosa in een van zijn essays ontmaskerde. Maar naarmate Lituma de zaak nader onderzoekt, bekruipt hem hetzelfde bange vermoeden dat ook Vargas Llosa zelf had gekend bij het oplossen van 'zijn' moordzaak in Uchuraccay.

Lituma komt erachter dat niet het lichtend Pad, maar het echtpaar Dionisio en Adriana in Naccos de plak voert. Dionisio houdt er een groezelige bar open waar de anders zo gesloten Andesbewoners hun hart aan de geestrijke pisco komen ophalen. Daarna, wanneer de heksachtige Adriana daar zo over beschikt, gebeurt het soms dat de roes in een extatische lynchpartij ontaardt.

De auteur suggereert dat het schrikbewind van het Pad en de afstompende armoe waarin vele Peruanen door een slecht beleid terecht zijn gekomen, een soort regressie op gang hebben gebracht. De Andesbewoners nemen hun toevlucht tot vergeten gewaande, uit het Incatijdperk stammende rituelen die alle uiting geven aan het zondebokprincipe. Het geweld dat de gemeenschap dreigt te ontwrichten (natuurrampen, de angst voor een terroristisch bloedbad . . .) wordt daarbij overgedragen op één slachtoffer.

Adriana meent dat de mens zich enkel tegen onheil teweer kan stellen als hij op tijd en stond offers brengt aan de berggeesten of 'apus'. Goed en kwaad zijn als “twee rammen die even sterk zijn en elkaar kopstoten geven zonder dat een van hen vooruitkomt of terugwijkt.” Langzaam dringt het tot Lituma door dat heel Naccos medeplichtig is aan de drie mensenoffers. De afkeer die de bizarre Andesgebruiken hem van meet af aan inboezemden, verhevigt zich tot walging als hem nog meer gruwelijke details over de terechtstellingen ter ore komen.

Uit de epiloog van de roman spreekt vooral Lituma's onmacht. De strijd aanbinden met het kannibalistische bijgeloof is als tegen windmolens vechten. Toch zou het voortvarend zijn uit de roman te concluderen dat de tegenstelling tussen 'civilizacion' en 'barbarie' in Latijns-Amerika in het voordeel van de barbarij is beslecht. Wanneer Lituma op een van zijn tochten zélf door een steenlawine wordt bedreigd, blijkt immers dat de kaarten minder eenvoudig liggen. Op dat ogenblik komt de nuchtere korporaal plotseling sterk in de verleiding om de hulp van de berggoden in te roepen.

Het ziet er dus bij momenten naar uit dat Vargas Llosa bereid is om zijn grenzeloze vertrouwen in de aantrekkingskracht van de Verlichting te temperen. Zijn politieke ontgoochelingen hebben hem bijgebracht dat het klakkeloos importeren van het westerse denken in Latijns-Amerika niet volstaat om oeroude religieuze gebruiken uit te roeien.

Uiteraard zijn de in de roman beschreven taferelen volstrekt onduldbaar en kan er op de geldigheid van het moderne rationele denken niet worden afgedongen. Maar waarom klemt Vargas Llosa de tegenstelling tussen 'het stenen tijdperk' in de Andes en de stralende belofte van de 'informatiemaatschappij' nog steeds in het demagogische keurslijf van een dilemma?

In het door hem verdedigde westen gaan immers in toenemende mate stemmen op die pleiten voor een ernstig gewetensonderzoek. Ook ons wetenschappelijk-technologisch-kapitalistisch bestel, en de ongrijpbare, geïnstitutionaliseerde onrechtvaardigheden die ermee samenhangen zijn volgens sommige antropologen verre uitlopers van de door Vargas Llosa beschreven primitieve cultussen. Willen de duistere driften die nu eenmaal in de mens huizen niet voor politieke ontsporingen zorgen, dan zullen ze op een organische manier in het leven moeten worden ingepast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden