Review

HEBZUCHT IN DE ALPEN

Jean Ziegler: Hitlers bankiers. Meulenhoff, Amsterdam; 319 blz. ¿ 34,90.

RENSKE HEDDEMA

Zieglers methode is zeker niet wetenschappelijk, zijn afwerking vaak slordig. Daarover is de omstreden hoogleraar en parlementariër in eigen land al fel aangevallen. Toch legt dit snel geschreven boek precies de vinger op de zere plek: een neutraliteitspolitiek die in feite neerkwam op pure collaboratie. Een 'interventieboek', en een 'analyse van een mentaliteit', noemt Ziegler het zelf.

Op 20 maart hield de Zwitserse Nationale Bank een persconferentie in haar hoofdkantoor, schuin tegenover het Parlement in Bern. Het nieuws was dat de SNB haar eigen oorlogsboekhouding nog eens had nagelopen. Zoals het Zwitserse bankiers betaamt, zag het er allemaal keurig uit. Met tabellen en spreadsheets werden de exacte goudbewegingen van 1939 tot en met 1945 inzichtelijk gemaakt. De diverse commissies voor wie het bankgeheim is opgeheven (Volcker, Bergier) konden rustig langskomen. De Bank wilde graag benadrukken dat er nooit informatie was achtergehouden over transacties met buitenlandse klanten, de collega-nationale banken van andere mogendheden. Hoeveel er in- en uitging, welke landen depots hadden in de Zwitserse bankkelders, zelfs het rondpompmechanisme waarbij de SNB een cruciale rol speelde, het werd allemaal netjes met getallen en pijlen aangegeven. Geruchten over omsmeltingen van Duits goud in Bern misten elke grond, aldus vice-president Jean-Pierre Roth.

Wat er in Duitsland was gebeurd, onttrok zich uiteraard aan de waarneming van de bank. Het beleid was er tijdens de Tweede Wereldoorlog, net als altijd, op gericht het vertrouwen in de Zwitserse frank te behouden. En dat kan alleen door een stevige verbinding met goudvoorraden. Dé taak van een nationale bank.

Het is precies tegen deze mentaliteit - feitelijk correct, maar zonder de morele verantwoordelijkheid te nemen - dat Ziegler in zijn boek tekeergaat. In de oorlog had Zwitserland een nazi-gezinde, zwakke regering, wier politiek op pragmatisme was gebaseerd. De Bundesrat regeerde voornamelijk bij volmacht, de pers was monddood gemaakt. De financiële oligarchie - de Nationale Bank en de grote particuliere banken - maakte de dienst uit en die was o zo bang de Duitsers te mishagen.

In 1940 hield Bondspresident Pilet-Golaz een radiotoespraak, waarin hij de Zwitsers opriep de Bundesrat te vertrouwen als een Führer. Later waren het de Zwitsers die de nazi's verzochten om joden met een grote J in hun paspoort herkenbaar te maken. Zo kon het Zwitserse vluchtelingenbeleid, dat joden niet als politieke vluchtelingen erkende, gemakkelijker worden uitgevoerd.

Betere handlangers dan de Zwitsers konden de nazi's zich niet wensen; op economisch, financieel, en moreel gebied. Ziegler vraagt zich af waar dat mechanisme vandaan komt: in een bordeel werken, maar toch maagd willen blijven. Want het meest opvallende kenmerk van de Zwitsers is dat er bloed aan hun handen kleeft, maar ze zich nauwelijks van enige schuld bewust zijn. Zwitserse particuliere banken beheren vandaag de miljarden van dictators die mensenrechten met voeten treden op grond van precies dezelfde gedachtegang.

Zieglers verklaring is opmerkelijk: hij wijt het aan het diepgewortelde calvinisme van het Zwitserse volk. Het waren de Zwitserse theologen Calvijn en Zwingli die predikten dat 'alles genade' is. Het leven van volkeren en mensen is voorbeschikt. Als je rijk wordt, is dat een teken van Gods welbehagen. Schuldig zijn kun je alleen maar voor God, niet voor je medemens. Vandaar de ongemakkelijke reacties van de Zwitsers tegen de buitenlandse kritiek, die maar niet wil ophouden. Zij konden het toch ook niet helpen, dat Hitler hen uitkoos als goudwasmachine.

Later in zijn boek komt Ziegler met een andere levenbeschouwelijke variant om de mentaliteit van zijn landgenoten te beschrijven. Het begrip 'fideïsme', ontleend aan Thomas van Aquino, betekent dat men ideeën onderschrijft, maar ze niet realiseerbaar acht. Hierdoor kon één en dezelfde man zowel voorzitter zijn van het Internationale Rode Kruis, als commissaris bij Oerlikon-Bührle, de Zwitserse wapenleverancier van Hitler. Bovendien was deze alom geachte hoogleraar in de rechtswetenschap, Max Huber, ook nog voorzitter van de Raad van Commissarissen van Alussuisse, die honderden slavenarbeiders uit de Oekraïne, gekocht van de SS, aan het werk had.

Met zijn soms clichématig taalgebruik, wordt Ziegler nooit moe om rode tulpen rood te verven. Stilistisch niet altijd even fraai, heeft zijn directheid toch iets innemends. Bankiers zijn de 'gnomen van de Bahnhofstrasse' die vrij naar Wagner, opereren tussen 'Nacht und Nebel': 'Hitlers helers', 'handlangers', 'nijvere knechten' of gewoon 'struikrovers'. Het triumviraat dat de Nationale Bank in de oorlog leidde wordt als volgt beschreven: “Hun hebzucht was oeverloos, hun hoogmoed grenzeloos, hun verblinding zo diep als de afgrond.”

Maar het meest treffend is toch Zieglers karakterisering van de Zwitsers als 'Wirte'; herbergiers, kasteleins. Je kunt alles krijgen en de waard zwijgt, als de gast maar betaalt. Het hoogste compliment dat een Zwitserse politicus of ambtenaar in het parlement kan krijgen is dat hij of zij “de zaak heeft afgehandeld”. Zwitsers willen altijd alles afhandelen. Snel, grondig, effectief. Met welke methoden en welke consequenties iets wordt afgehandeld, doet er niet toe.

De Zwitsers waren geen nazi's, zegt Ziegler, en het nationaal-socialisme heeft nooit wortel geschoten in de Alpen. Wel waren ze dienstverleners, kasteleins en kruideniers, die zich lieten leiden door een hebzucht van het zuiverste water. Dat gold voor hun diensten aan de nazi's, hun zaakjes voor de SS, de sommen die ze vroegen voor de joden die wel werden toegelaten, de uitreispapieren naar Zuid-Amerika voor SS'ers die ze vanaf 1944 leverden.

Vooral het bankgeheim moet het ontgelden: bedoeld om de identiteit van de rekeninghouder te beschermen, verwerd dat in de afgelopen jaren tot een mechanisme om nabestaanden af te houden van tegoeden waar ze recht op hebben. Ziegler gaat ervan uit dat veel banken deze tegoeden allang in hun eigen reserves hebben doen vloeien, of dat bankdirecteuren, advocaten en zaakgelastigden ze hebben toegevoegd aan hun privé-vermogen. Een uiterst plausibele verklaring, gezien de afweerreacties van de laatste maanden.

In Zwitserland zelf wordt schamper gedaan over de observaties en opinies van de hooggeleerde nestbevuiler. Maar Ziegler maakt zeer aannemelijk waarom hij dit boek publiceert. Zijn hartstocht wordt gevoed door het voortdurende cynisme van de heersende klasse, die van hun profijtelijk gedraai in de oorlog een nationale mythe hebben weten te maken. Pas als het Zwitserse bankgeheim wordt opgeheven, kan Zwitserland af van zijn helersimago. Ziegler zal niet rusten, voordat dat is bereikt.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden