Review

Hannah Arendt en de moraal

Al het werk dat Arendt schreef, nadat ze in 1961-1962 het proces tegen Adolf Eichmann had bijgewoond, ging over de verhouding tussen denken, willen en doen, over moraal, over verantwoordelijkheid. De ontmoeting met een persoon -er stond in Jeruzalem geen systeem of ideologie terecht, maar een mens -die uit 'gedachteloosheid' de leiding had genomen over de moord op miljoenen andere mensen, was een keerpunt in haar werk.

Martin Reints

Haar studenten vroegen Hannah Arendt eind jaren zestig of ze bij hun verzet tegen de oorlog in Vietnam moesten samenwerken met de vakbonden. Ze aarzelde geen moment: ,,Ja, want dan kunnen jullie hun stencilmachines gebruiken.'' Het antwoord tekent de filosofe als iemand met oog voor het praktische. Op specifieke vragen gaf ze specifieke antwoorden, en ze haalde haar neus niet op voor de werkelijkheid. Aan die houding is te danken dat ze altijd onder woorden brengt wat de aanleiding is voor haar denken -een van de dingen die haar werk zo leesbaar maken.

Hoewel ze in haar beschouwingen de hele filosofiegeschiedenis en als het kan de wereldliteratuur betrekt, is haar uitgangspunt dikwijls journalistiek. Haar 'Overpeinzingen bij Little Rock' bijvoorbeeld, een essay uit 1959 over de strijd tegen de rassenscheiding in het onderwijs, schreef ze naar aanleiding van een foto in de krant.

De belangrijkste aanleiding om te denken is het proces tegen Eichmann geweest. Arendt schreef er in afleveringen een reportage over in The New Yorker. In 1963 werd het verslag uitgegeven als Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil -het verscheen in Nederland als 'De banaliteit van het kwaad'.

Wat haar in de rechtszaak boeide, was het oordeel over de individuele verantwoordelijkheid van de oorlogsmisdadiger. In de beschouwing 'Persoonlijke verantwoordelijkheid onder een dictatuur' uit 1964 schrijft ze: ,,Toen ik naar Jeruzalem ging om het proces van Eichmann bij te wonen, vond ik dat het grote voordeel van een procedure in de rechtszaal was dat praten over radertjes in die omgeving geen betekenis heeft (...). De rechters hebben zich veel moeite getroost om expliciet duidelijk te maken dat in een rechtszaal geen systeem terechtstaat, noch de Geschiedenis of een historische tendens, noch een -isme, bijvoorbeeld antisemitisme, maar een persoon (...).''

Ze ontwikkelde het begrip 'de banaliteit van het kwaad' toen ze merkte dat Eichmanns optreden niet klopte met de gebruikelijke opvattingen over het kwaad. Hij was niet gedreven geweest door iets duivels, door afgunst, door zwakheid of haat, hij had niet gehandeld uit ideologie of stompzinnigheid, maar uit gedachteloosheid. Arendt kreeg het overrompelende inzicht dat hij, zowel in zijn loopbaan bij de Gestapo als nu in de beklaagdenbank, iemand bleek die nooit nadacht over wat hij deed.

Deze ervaring bepaalde alles wat Arendt daarna schreef. Haar werk is een omvangrijke bestudering van het denken, de wil en het vermogen te oordelen, wat had moeten uitmonden in de trilogie 'The Life of the Mind'. Maar daarvan heeft ze alleen de delen 'Thinking' en 'Willing' voltooid. In Nederland verscheen lang geleden het eerste deel: 'Denken'. Na haar dood in 1975 werd van het beoogde derde deel alleen de eerste bladzij aangetroffen. Om het hiaat enigszins op te vullen werd onder de titel 'Oordelen' postuum wel een lezingenreeks uitgegeven waarvan kon worden aangenomen dat die er de grondslag voor had moeten vormen.

Onlangs verscheen de bundel 'Verantwoordelijkheid en oordeel', een vertaling van 'Responsibility and Judgment'. Het boek is een verzameling lezingen, toespraken en essays, uitgezonderd 'Overpeinzingen bij Little Rock' alle van na het proces-Eichmann. Uit de titel valt al af te leiden dat je ook dit boek kunt zien als een welkome aanvulling op de onvolledige trilogie.

Wat is er gebeurd toen in de jaren dertig en veertig in Duitsland alle morele maatstaven in het politieke en persoonlijke leven ineenstortten? Plotseling leken de oude begrippen 'moraal' en 'ethiek' niet meer te betekenen dan gebruiken en gewoonten: het ging om conventies die je kon vervangen door andere conventies.

Door de berechting van Eichmann kwam deze morele kwestie te voorschijn achter de gruwelijkheden die er het zicht op hadden benomen. In de lezingenreeks 'Enkele problemen uit de moraalfilosofie' stelt Arendt: ,,De eerste conclusie die volgens mij moet worden getrokken, is dat geen weldenkend mens nog kan beweren dat moreel gedrag vanzelfsprekend is (...), een veronderstelling waarmee de generatie waartoe ik behoor nog altijd werd grootgebracht.'' De traditionele opvatting was immers dat het onderscheid tussen goed en kwaad ons werd ingefluisterd via goddelijke geboden of de menselijke rede.

De morele stellingen die alle voorschriften en geboden opsommen, luiden 'Heb uw naaste lief als uzelf' of 'Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet'. Kant zei: 'Handel zo dat de grondregel van uw handeling een universele wet kan worden voor alle intelligente wezens.' Verrassend genoeg neemt dus de moraal, die ons gedrag ten opzichte van anderen stuurt, de omgang van de mens met zichzelf als maatstaf. Dat die maatstaf in de joods-christelijke voorschriften eigenliefde is en bij Kant angst voor zelfverachting, maakt in dit verband geen verschil.

Het verklaart volgens Arendt dat de weinigen die in nazi-Duitsland vrij van schuld bleven, nooit een gewetenscrisis hebben doorgemaakt: ,,Ze betwijfelden nooit dat misdaden misdaden bleven, ook al werden ze door de regering gewettigd, en dat het beter was om onder alle omstandigheden niet aan deze misdaden deel te nemen.''

Hun geweten had geen verplichtend karakter. Het zei niet 'Dit mag ik niet doen' maar 'Dit kan ik niet doen'. Het morele denken legt de nadruk op het zelf, omdat het voortkomt uit het geluidloze gesprek dat we met onszelf voeren. ,,Het is'', zegt Arendt, ,,geen kwestie van mezelf liefhebben zoals ik anderen liefheb, maar van grotere afhankelijkheid van de stilzwijgende partner die ik in mezelf draag, van als het ware meer aan hem overgeleverd zijn dan wellicht aan wie ook. De angst zichzelf te verliezen is authentiek, want het is de angst niet langer in staat te zijn met zichzelf te praten.''

Ik geef met deze samenvatting een indruk van de eerste stappen die Arendt zet in haar omvangrijke 'Enkele problemen uit de

moraalfilosofie'. Omdat Arendt, zeker sinds het proces-Eichmann, steeds over dezelfde kwesties dacht, komen deze kwesties telkens weer aan de orde, in alle teksten die in 'Verantwoordelijkheid en oordeel' zijn verzameld. Voor een fan van haar werk, zoals ik ben, is dat geen bezwaar - integendeel. De niet-aflatende poging onder woorden te brengen hoe denken, willen en oordelen precies gaat, is inspirerend. Haar werk draagt geen kennis, theorie of oplossingen aan, maar zorgt dat haar lezers en toehoorders met zichzelf in gesprek raken.

Arendt heeft haar denken in de jaren twintig ontwikkeld bij haar leermeesters Martin Heidegger en Karl Jaspers. Met beiden bleef ze na haar studie corresponderen. Kort geleden is haar briefwisseling met Heidegger vertaald: 'Brieven en andere getuigenissen, 1925-1975'. Het boek is samengesteld uit de nalatenschap door Ursula Ludz, die geen moeite te veel is geweest om onduidelijke details toe te lichten.

Het eerste oogcontact tijdens een college in november 1924 moet indrukwekkend zijn geweest -zowel voor Arendt (1906) als voor Heidegger (1889). Heidegger schrijft vijfentwintig jaar later nog over haar blik die hem op de katheder 'toebliksemde'. Ruim een jaar is Arendt Heideggers geheime minnares geweest. Daarna bleven ze schrijven als geliefden. Hij aan haar: ,,Ik kus je lieve handen.'' Zij aan hem: ,,Ik kus je voorhoofd en ogen.'' In de winter van 1932/1933 reageerde Heidegger op beschuldigingen van antisemitisme die de ronde deden en waar Arendt hem kennelijk mee had geconfronteerd. Vanaf toen was er geen contact meer.

Arendt was in 1929 getrouwd met Günther Stern -de schrijver Günther Anders. Ze vluchtte in 1933 naar Parijs, scheidde in 1936 van Stern, trouwde in 1940 met Heinrich Blücher en vluchtte in 1941 naar Amerika.

Begin 1950 is er ineens weer contact. Arendt moest eind 1949 in Duitsland zijn en wilde haar oude docent en geliefde kennelijk opnieuw ontmoeten. Heidegger gebruikt op 7 februari 1950 nog de u-vorm. Maar de volgende dag, nadat zij hem en zijn vrouw heeft opgezocht, is de meester nog poëtischer dan vijfentwintig jaar eerder: ,,Een stil ochtendlicht bleef na je vertrek in mijn kamer hangen. Mijn vrouw had het geroepen. Jij hebt geholpen het hierheen te halen.''

Voor liefhebbers van Heidegger moet het een feest zijn over deze brieven te beschikken. Mij generen ze. Mij ontroert het niet wanneer ik lees: ,,Het demonische heeft me te pakken. Het stille bidden van je lieve handen en je lichtend voorhoofd beschermden het in vrouwelijke verheerlijking.'' Het zegt me niets over Heideggers filosofie, laat staan over die van Arendt -het geeft me het gevoel dat ik een gesprek hoor dat niet voor mijn oren bestemd is. Dat komt ook doordat Arendt en Heidegger het in hun brieven nauwelijks over hun denken hebben. In plaats daarvan leer ik Heidegger kennen als een bespottelijk dichter: ,,Haar gebaar is zijn 'ontwordt'! / In het wonen uit haar. / Ze bloeien: het sieraad / op de kroon van het zyn: / dronk donkerste wijn.'' Maar wat voor zin heeft het van zulke curiosa kennis te nemen?

Het is mooi dat de belangstelling voor Arendt de laatste jaren tot nieuwe publicaties leidt. Maar liever dan deze briefwisseling zou ik een goede Nederlandse vertaling lezen van haar 'Willing'. Omdat ze daarin uitvoerig op Heideggers werk ingaat, zou dat beduidend meer recht doen aan het belang van beide denkers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden