Review

Halleluja! We mogen de armen helpen!

Ze bedoelen het goed, de jonge idealisten Anna en Toon. Maar ze bakken er weinig van, in Ecuador. Leo Pleysier bespot de naïviteit van twee wereldverbeteraars.

Leo Pleysier maakt in zijn nieuwe roman twee wereldverbeteraars belachelijk die vol goede moed naar Ecuador vertrekken. De verteller veegt de vloer aan met ontwikkelingshulp van zulke veredelde toeristen. Zijn geestige maar genadeloze oordeel klinkt zo sterk door, dat hijzelf ook een personage lijkt te worden.

Misschien herkennen sommige lezers dat patroon wel. De Vlaming Pleysier (1945) bereikte een groot publiek met ’Wit is altijd schoon’ (1989), waarin een gestorven moeder haar zoon toesprak. Zij nam het woord, maar de zoon moest haar zinnen bedenken en opschrijven: zonder hem was er geen verhaal. Je kunt hem daarom de eigenlijke hoofdpersoon van dat mooie boekje noemen; en zo’n soort manoeuvre maakt Pleysier ook in ’De Latino’s’.

De titel slaat op de bijnaam van hoofdpersonages Toon en Anna. Die babbelen al jaren over het ontwikkelingswerk dat ze in Latijns-Amerika willen verrichten. Maar waar ze ook solliciteren, telkens worden ze afgewezen. Toon schiet in een depressie en Anna raakt ontgoocheld.

Maar dan krijgen ze tot hun grote vreugde eindelijk een baan aangeboden: ze mogen als ’coöperanten’ gedurende drie jaar de bewoners van een dorpje in Ecuador helpen. Ze zijn van harte welkom. De lokale pastoor vraagt al bij voorbaat of de twee idealisten misschien een paar jaar langer zouden willen blijven. Toon en Anna raken op slag in extase. Halleluja, juicht Anna zelfs.

De twee geliefden laten hun geluk dus afhangen van een baan als ontwikkelingswerker in Latijns-Amerika. Wat een naïevelingen, denk je dan vol leedvermaak. Wedden dat Toon en Anna er niets van bakken?

Ook de verteller verkneukelt zich. Soms lijkt het wel alsof Pleysier met zijn elleboog in je zij port, zo dik legt hij de ironie erboven op. Hij vertelt bijvoorbeeld over het ’lieflijke’ bergstroompje de Zula, dat het dorp van water voorziet. Dat onschuldige beekje kan zomaar veranderen in een woeste rivier die buiten zijn oevers treedt en de oogst wegspoelt. Dat kan natuurlijk niet langer. „Het is welletjes geweest met de Zula. Toon gaat hem aanpakken. Toon gaat hem temmen. Toon gaat hem eronder krijgen.”

Toon tegen een oeroude rivier. En dan die herhaling: aanpakken, temmen, eronder krijgen. De spot druipt ervan af. En niet alleen hier, het hele boek is zo geschreven. Daarmee eist verteller een hoofdrol op, net als in ’Wit is altijd schoon’.

De verteller is messcherp, maar heeft aanvankelijk ook iets drammerigs. Pleysier wil gezellig samen Toon en Anna uitlachen. Houd je erbuiten, dacht ik af en toe.

Maar de kracht van deze vertelvorm wordt duidelijk wanneer zich een drama voltrekt in het leven van Toon en Anna. Zij verliezen op een dag hun baby, die daar in Ecuador was geboren.

Dat is nogal wat en het lachen vergaat de lezer even, maar Pleysier piekert er niet over om gas terug te nemen. Integendeel, hij parodieert de manier waarop Toon en Anna de primitieve dorpelingen verheerlijken en beschrijft de begrafenis als volgt: „En toch. Wat had het fraaie en bekoorlijke beelden kunnen opleveren als een buitenstaander op het idee was gekomen om met een camera achter deze begrafenisstoet aan te lopen en om deze teraardebestelling op film vast te leggen. Want het is toch werkelijk prachtig: het majestueuze Andeslandschap met daarin een minuscuul bergdorp vanwaar een kleurrijke stoet indianen zich langs een smal pad naar de hogerop gelegen begraafplaats begeeft.”

Met dit sarcasme legt de schrijver de ergste dwaling van de hoofdpersonen bloot: Toon en Anna hebben er nooit rekening mee gehouden dat een mooie omgeving tegenslag, verdriet en armoede niet goedmaakt. Er schuilt geen romantiek in zo’n bergdorpje. Pas als hun kind sterft, snappen ze het en laten ze de dorpelingen in de steek. „Voor dag en dauw hun koffers gepakt. In zeven haasten vertrokken.”

Niet netjes misschien, maar geldt zelfs een dood kind niet als excuus voor hun vertrek? En hadden Toon en Anna dan helemaal niet moeten gaan? Een lezer zal al snel tot een mild oordeel geneigd zijn. De verteller daarentegen vergeeft helemaal niets en blijft cynisch. Daarmee keert zijn geestigheid zich niet alleen tegen de hoofdpersonages, maar eigenlijk ook tegen de lezer, die hij te grote lankmoedigheid verwijt.

Het boek blijft van voor naar achter erg grappig. Halverwege krijgt het ook nog eens een wrange bijsmaak. Het dringt lastige vragen op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden