Review

Halleluja, mijn Verlosser is gekomen

Naarmate er almaar sneller en meer nieuwe literatuur verschijnt, grijp ik gretiger terug naar oude. Die gewoonte is er langzaam bij me ingeslopen. Over harde bewijzen beschik ik niet, maar ik verdenk mezelf ervan dat ik tegenwoordig ten minste de helft van mijn leestijd doorbreng met herlezing van boeken die ik in een grijs verleden heb aangeschaft en die inmiddels kraken in hun band. Zulke boeken zijn als een intieme geliefde, van wie ik elke stembuiging en iedere aanraking ken, maar die nooit gaat vervelen en die telkens van voren af aan moet worden veroverd. Zo herlees ik regelmatig het proza van Willem Elsschot. Er kan een periode van twee of drie jaar verstrijken eer de noodzaak zich aandient, het kan ook korter duren. Dan voel ik de onbedwingbare behoefte om zijn verzameld werk uit de kast te nemen.

Het dierbaarst is mij Tsjip, een grotendeels autobiografisch verhaal uit 1933. Daarin vertelt Laarmans, het alter ego van Elsschot, dat zijn dochter Adele verslingerd is aan een Poolse jongeman die in Antwerpen handelskennis studeert en die dagelijks bij de familie Laarmans over de vloer komt. Hij heet Bennek en hij is zeer welopgevoed. Ter begroeting van vader Laarmans klapt hij zijn hakken tegen elkaar en moeder kust hij hoffelijk de hand. Avond aan avond eet hij mee. Avond aan avond bespreekt hij met Laarmans de politieke toestand in Polen. Dat doet hij in het Frans. Hij kan urenlang debatteren over Dantzig, Pilsudski en de hele bliksemse Poolse boel. Maar over zijn plannen met Adele zwijgt hij in alle talen, tot groeiend ongenoegen van haar vader. ,,Tussen ons in, als een dreigend vraagteken, staat die dochter. Over haar wordt niet gerept, maar alleen aan haar denken wij beiden. En als ik hem zijn mening vraag over de Poolse corridor dwars door Duitsland, dan verwacht ik dat hij eindelijk zeggen zal: ja, ik bemin Adele en ik verlang met haar te trouwen.'

Een jaar lang is Bennek niet bij Adele weg te slaan. Zijn aanwezigheid werkt Laarmans op de zenuwen. ,,Ik liep gaarne in mijn hemdsmouwen, zonder boord of das, en zat 's winters met mijn voeten boven op onze vulkachel. Dat alles gaat niet meer sedert hij in huis is. Ik moet mij met hem bezighouden.' Intussen duurt de onzekerheid voort. Moeder eist van vader dat hij de jongen voor het blok zet, maar vader is te lafhartig. Moet hij soms, in het vuur van de zoveelste politieke discussie, plompverloren zeggen: 'apropos, en Adele, kerel?' Heus, dat gaat niet. ,,Ik kan onmogelijk de eerste stap doen en hem Adele zo maar voor de voeten gooien.' De spanning loopt hoog op, wanneer het eindexamen van Bennek zich aandient. Heeft de jongen eenmaal zijn handelsdiploma op zak, dan zal hij zonder twijfel zijn koffers pakken en naar zijn eigen land terugkeren. Het is dan ook nu of nooit, zo zegt moeder tegen vader, die nog steeds een confrontatie schuwt. Laarmans: ,,Dit is eigenlijk het eerste onheil dat ons overkomt, want dood en zware ziekten bleven ons gezin tot dusver bespaard. En nu ineens die Pool, waar niemand iets tegen doen kan.'

Zijn opluchting is groot, als Bennek op het nippertje om de hand van Adele vraagt. Er kan worden getrouwd, waarna man en vrouw zich in het Poolse Gdynia zullen vestigen. Hun burgerlijk huwelijk is snel voltrokken, maar het kerkelijke geeft moeilijkheden. Adele is niet gedoopt en heeft nooit een altaar van dichtbij gezien. Toch is een kerkelijke trouwerij gewenst, want de vrome Poolse schoonfamilie ,,bouwt op Rome als op een rots'. Laarmans vindt een priester bereid om het huwelijk van zijn dochter in te zegenen, maar op voorwaarde dat zij kennis heeft van de Artikelen des Geloofs. Intussen dringt de tijd. Op de laatste dag, als het paar gereed is om met de avondtrein af te reizen, neemt vader een geleende catechismus ter hand. Met behulp daarvan stampt hij de leerstellingen van Rome er bij zijn dochter in. Van de Goddelijke Drievuldigheid tot en met de Zondeval, van de Tien Geboden tot en met de Onsterfelijkheid der Ziel, van de Menswording van Christus tot en met Hel, Hemel en Vagevuur: ,,het moet er globaal in, als een purgatie'. Of zij er iets van begrijpt, is bijzaak. ,,Onze pastoor neemt je immers geen examen in de wiskunde af?' zegt hij. ,,Je krijgt niets te bewijzen. Als je maar weet dat het er staat.' In vliegende vaart wordt Adele vervolgens gedoopt, kerkelijk gehuwd en in gezelschap van Bennek door haar familie op het station uitgewuifd.

Na enige tijd komt er uit Polen bericht dat zij zwanger is en tegen Pasen zal bevallen. Die aankondiging veroorzaakt opschudding in het ouderlijke huis in Antwerpen. Laarmans: ,,Er wordt haakwerk geproduceerd als voor een heel regiment kabouters. Overal liggen hemdjes, sokjes, mutsen en manteltjes, nauwelijks groot genoeg voor een flinke pop. Op 't eind van de week pak ik de afgewerkte voorraad zorgvuldig in en hij gaat met de post naar Polen. Adele schrijft na een week of zes dat zij last krijgt met de douane die 't verdacht is gaan vinden.' De familie leeft op grote afstand met Adele mee. En inderdaad, rond Pasen bevalt zij in den vreemde van een zoon die Jan wordt genoemd.

Tot hier is de Elsschot aan het woord, zoals we die kennen uit Lijmen, Het been, Kaas en ander werk: een korzelige cynicus die de spot drijft met zichzelf en de wereld. Maar in het laatste hoofdstuk van het verhaal slaat de stemming om. Daar wordt de eerste ontmoeting beschreven van grootvader en kleinzoon. Het is inmiddels zomer en de familie houdt vakantie in het buitenhuis aan de Belgische kust. Terwijl Adele en Jan aan de trein worden afgehaald, blijft Laarmans achter in de moestuin, waar hij met bonzend hart wacht op de aankomst van het kind. Wanneer de pasgeborene het huis wordt binnengedragen, hoort hij de anderen losbarsten in gejuich. Inwendig juicht Laarmans met hen mee: ,,Halleluja! mijn Verlosser is gekomen. Hij zal mij met mijzelf verzoenen en mij genezen van al mijn kwalen. Door hem zal ik wedervinden waar ik radeloos naar zoek in het zand.' Maar hij weigert het huis te betreden. ,,Al snak ik naar hem, ik versmaad mijn aandeel in die collectieve vreugd. Ik zal met hem een Verbond sluiten en daar is niemand bij nodig. Mozes óók was op de berg met Hem alleen.'

Ten slotte draagt grootmoeder de in doeken gewikkelde Jan aan hem over. ,,Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm te zitten. Wij wandelen de tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak.' Laarmans toont zijn kleinzoon de zonnebloemen, de bonen, de erwten, de aalbessen. Op het aardappelveld wordt het kind luidruchtig begroet door mussen. ,,Ik blijf staan en zeg: tsjip. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach. Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip.'

Nu kan de schrijver zich niet meer beteugelen. In opperste vervoering raakt hij als het ware van de grond los. Hij spreekt niet langer, hij zingt. ,,Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop. En ieder krijgt zijn werk. Terwijl ik doornen kap, kan hij de bloemen plukken. Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten; dat hij niet bukken mag voor 't geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Ik zal met hem het lied der bevrijding aanheffen en zo bereiken wij samen het land waar die gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik. Zijn aanblik zal de boze bedaren; voor rotswanden zal hij de bazuin steken. Geen drek, geen tranen die ons stuiten, want ik zal waden en hij zit op mijn schouders.'

Ik zal waden en hij zit op mijn schouders: het is een letterlijke verwijzing naar de legende van Christoforus, die Jezus in de gedaante van een kind over een rivier zou hebben gedragen. Dit fragment van het verhaal is trouwens één en al verwijzing. Het is een zinspeling op messiaanse teksten uit zowel de Tenach als het Evangelie. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen: die regel lijkt rechtstreeks ontleend aan Psalm 72, waar het heet: ,,Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks, hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker.' Of aan de oude berijming van Psalm 146: ,,'t Is de Heer, die 't recht der armen, der verdrukten gelden doet.'

De geboorte van de kleine Tsjip had voor Willem Elsschot grote gevolgen. Het kind was voor de ongodsdienstige Elsschot wel degelijk een messias. Het verwarmde niet alleen zijn 'verkleumde hart', het bracht zijn pen in beweging. Hij voelde zich erdoor gesterkt in zijn schrijverschap. Het verloste hem van de beklemmende onzekerheid die hij tot dan toe over zijn eigen werk had gevoeld. Hij werd erdoor herboren. In een brief aan zijn vriend Jan Greshoff in december 1933 maakte hij daarvan duidelijk melding: ,,Ik leg de laatste hand aan een nieuw boek. Nooit was ik zo blij als op 't ogenblik, als ik denk aan het slot dat ik schrijven ga.' En in een nawoord dat hij in 1934 aan het verhaal toevoegde: ,,Mijn boeien zijn verkoold tot as. Ik heb mij opgericht om tot grote daden over te gaan.'

Menno ter Braak, met wie Elsschot deel uitmaakte van de redactie van Forum, zag weinig in Tsjip. Hij vond het 'geen vooruitgang, geen vernieuwing'. Hij had, zo zei hij tegen Elsschot, een boek verwacht met 'meer horizon dan alleen een familiehistorie'. Het verhaal was hem niet gewichtig genoeg. De heer Ter Braak leed aan een kwaal waardoor ook menige criticus in deze tijd wordt geplaagd: er stroomde inkt door zijn aderen. Elsschot daarentegen was een man van vlees en bloed. ,,Menno verwacht diepzinnigheid, filosofie', aldus Elsschot. ,,Ik kan alleen schrijven over dingen waar ik iets voor voel.' En: ,,Ik geloof dat de komende generatie te veel met het hoofd schrijft en leest, te weinig met het hart. Misschien zijn hun hoofden voller dan de onze, hun harten minder gevuld.'

Overigens werd het verhaal niet door iedereen zo ernstig onderschat als door Ter Braak. Toen drie jaar later in Berlijn een Duitse versie van Tsjip verscheen, werd die door de vertaalster angstvallig gecensureerd. De gevaarlijkste regel van het slot werd door haar weggelaten: Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Elsschot protesteerde heftig tegen deze verminking van de tekst.

Daarop gaf de vertaalster hem te kennen dat de zin was geschrapt omdat ze die 'ongunstig' had gevonden. ,,Ongunstig is nog mild uitgedrukt, want naar mijn mening zou deze regel voldoende zijn om het boek te verbieden. Er ligt een duidelijke aanstichting tot oproer in de woorden. En het wordt min of meer als een program aan het kind op zijn levensweg meegegeven.' Dat was in maart 1936. Adolf Hitler zou spoedig de machtigste man van Europa worden. Die gaf, zoals wij weten, aan 'het kind op zijn levensweg' een heel ander 'program' mee, dat bestond uit onderworpenheid en kadaverdiscipline. In de nieuwe wereldorde was geen plaats voor Tsjip en zijn gelijken, geen plaats ook voor zijn geestelijke vaderland, waar die gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik. Zelfs de flauwste herinnering aan dat land wilde Hitler uitroeien. Daarom moesten ze van de aardbodem verdwijnen, om het even welke mussenkuikens zoals Tsjip, die weet hadden van het lied der bevrijding. Het duurde niet lang meer, of hij zond zijn soldaten heen om ze uit het nest te roven, zoals vóór hem koning Herodes het had gedaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden