Review

Had lithium Hamlets geliefde kunnen redden?

Een hardnekkig misverstand wil dat Shakespeare's Hamlet te moeilijk is, hoogstens geschikt voor een stelletje snobistische intellectuelen. Met de ongewroken vadermoord raakt het stuk echter het hart van de zielkunde. Anders dan Oedipus had Hamlet zijn vader niet zelf vermoord. Wie dat wel doet is een psychopaat óf zwaar psychotisch, verstrikt in een krankzinnige waanwereld.

In 'Cultures of Psychiatry and Mental Health Care in Postwar Britain and the Netherlands' snijdt een achttiental Britse en Nederlandse acteurs brandende kwesties aan over de naoorlogse psychiatrie, zoals het experiment Dennendal, het gebruik van LSD in de therapie, de antipsychiatrie met Laing en Foudraine die zich opwierpen als redders van schizofrenen, de moeizame relatie tussen het eeuwenoude gesticht Bethlem en de universiteitskliniek Maudsley in Londen, en de frustrerende vredesoperaties en het, vergeleken met elders, grote aantal psychologen in dienst van het Nederlandse leger.

Het bezwaar tegen de meeste bijdragen is het ontbreken van mooie gevalsbeschrijvingen. Een uitzondering vormt het stimulerende stuk van de Britse sociaal-historicus Roy Porter die de antipsychiatrische ideeën over de ziekmakende invloed van het gezin toepast op beroemde psychiatrische gevallen uit de negentiende eeuw.

Een fameuze casus is John Perceval (1803-1876) die op zijn 27ste voor het eerst voorspellende religieuze visioenen krijgt, waarbij hij tevens stemmen hoort. In 1832 laat zijn broer hem opnemen in het gesticht Brislington bij Bristol. Aanvankelijk realiseert Perceval zich niet dat hij in een inrichting zit. Hij meent dat het de woning is van een vriend van zijn vader. Na een verblijf in Ticehurst, een gesticht voor de rijken, laten de artsen hem in 1834 gaan. Sindsdien is hij weliswaar altijd een moeilijk mens gebleven, schrijft Porter, maar psychotisch is hij nooit meer geweest.

Behalve zijn gestichtservaringen, door Perceval uitvoerig geboekstaafd, zijn de gebeurtenissen met betrekking tot de dood van zijn vader opmerkelijk. Zijn vader was Spencer Perceval, de Engelse Tory-premier, die in 1812 werd vermoord toen hij het Lagerhuis wilde binnengaan. John was negen jaar toen dit gebeurde. De berispingen en vernederingen in het gezin na de dood van zijn vader en zijn mislukkingen nadien werden volgens Porter later psychotisch verwerkt: “Ik ben de laatste hoop van een adellijke familie. . . Ik ben de verlosser van de verlosten van de Heer.”

De ontwikkelingspsycholoog Erikson ziet in het geval-Perceval een langdurige identiteitscrisis. Een vermoorde premier als vader is nu eenmaal een problematisch identificatie-object. Een belangrijk verschil met Hamlet lijkt me dat Perceval de moordenaar van zijn vader niet hoefde te doden. De moordenaar, de zakenman Bellingham, was al jaren dood. Hij werd enkele dagen na zijn gruwelijke daad veroordeeld en opgehangen.

Nieuw is wat Porter schrijft over Richard Dadd (1817 - 1886), die in 1843 zijn vader vermoordt omdat hij denkt dat deze niet zijn echte vader is en omdat hij vermoedt dat deze zijn nageslacht wil vernietigen. Terwijl Oedipus zich niet eens bewust is van het feit dat hij zijn eigen vader vermoordt, is Dadds patricide het direct gevolg van een psychose.

Dadd is de beroemdste kunstenaar van Bethlem uit de negentiende eeuw. Tot aan zijn dood toe meent hij beïnvloed te worden door Osiris en andere Egyptische geesten. Dadd verblijft het grootste deel van zijn leven in het gesticht, waar hij huiveringwekkende, van geweld en spanning doortrokken schetsen over menselijke hartstochten produceert. Hij is nooit hersteld. Op zijn dertiende jaar krijgt zijn artistieke gave voor het eerst serieuze aandacht. Vooral zijn vader ziet veel in de poëtische verbeelding van Richards schilder- en tekentalent. Als student wint Dadd prestigieuze prijzen aan de Koninklijke Academie. Shakespeare-scènes zoals in 'A Midsummer Night's Dream' inspireren zijn verbeelding het meest.

Vanaf 1843 openbaart zich zijn psychiatrische ziekte ten volle, nadat hij eerst vele verre oorden heeft bezocht. Hij raakt bevreesd achtervolgd te worden door geesten die zich vermommen als bekenden, in de psychiatrie beschreven als Capgras syndroom. Het griezelige hiervan is dat achter elk bekend gezicht een kwade genius schuil kan gaan. In datzelfde jaar doodt hij zijn vader, vlucht naar Frankrijk, en komt een jaar later in Bethlem terecht. Dadd is een duidelijk geval van paranoïde schizofrenie, een ziekte die bijna nooit tot (vader)moord leidt.

Naar aanleiding van een paar schilderijen op een tentoonstelling in 1857 noemde de Manchester Guardian Dadd een voorbeeld van een schilder bij wie een hersenstoornis bevorderlijk was voor de verbeelding. Hoewel hij door zijn arts vriendelijk werd bejegend, had deze geen enkel oog voor het gezin als ziekmakende factor, schrijft Porter. Op zijn beurt verzuimt hij de lezer op dit punt wijzer te maken.

Verder is het vreemd dat Porter de opvattingen van zijn Canadese collega Edward Shorter over de betekenis van de veranderde gezinsconstellaties in de negentiende eeuw als mogelijke verklaring voor de toename van psychiatrische opnames buiten beschouwing laat. Tegenwoordig ontkent vrijwel niemand meer de door erfelijkheid bepaalde rol van de familie bij psychiatrische aandoeningen.

Opmerkelijk is de fraaie geschiedenis van de Deense psychiater Mogens Schou (1918) in wiens familie het ritselt van de manisch-depressieven. Het maakt hem tot een van de fanatiekste lithiumonderzoekers ter wereld. Dat Schou zelf regelmatig manisch was en een broer had die jaarlijks een ernstige depressie doormaakte is echter nieuw.

In 'The rise of psychopharmacology' en 'The anti-depressant era' wordt de geschiedenis van de ontdekking van lithium als therapie bij manisch-depressieve patiënten uitstekend beschreven. 'The Rise of Psychopharmacology' bevat ruim 80 verhalen van toponderzoekers op het gebied van de psychofarmaca.

Veel aardiger voor een algemeen lezerspubliek lijkt me 'The Antidepressant Era', waarmee David Healy internationaal veel stof deed opwaaien door zijn prikkelende relaas over de geschiedenis van de medicamenteuze behandeling van depressies gedurende de laatste veertig jaar. Zou het inderdaad waar zijn dat de psychiatrische ziektebeelden van onze tijd voor een groot deel in het leven geroepen zijn door de industrie, zoals Healy betoogt? Tot nu toe dacht ik bij de 'ontdekking' van nieuwe psychiatrische ziekten eigenlijk alleen aan het samenspel van patiënt en dokter.

Voor de introductie van nieuwe psychofarmaca is de farmaceutische industrie cruciaal geweest. Het verklaart deels waarom lithium zo laat ingang vond. Commercieel was lithiumzout oninteressant, aangezien geen industrie er patent op had. De ontdekking van lithium voor de acute behandeling van manische episodes en ter voorkoming van terugval van depressie én manie was overigens puur toeval.

In 1949 maakte de Australische psychiater John Cade voor het eerst melding van het kalmerend effect van lithiumzout bij manische patiënten. Schou kon in de jaren vijftig het antimanische effect van lithium in een gedeeltelijk dubbelblind onderzoek bevestigen. Bovendien toonde hij in een ander onderzoek aan dat met lithium de kans op terugval bij manisch-depressieve en depressieve patiënten tot een derde daalde en bij schizo-affectieve patiënten tot de helft.

Dat lithium pas in de jaren zeventig ingang vond in Engeland en Amerika wijt Schou aan sceptici die Schou's objectiviteit in twijfel trokken. In het vuur van zijn betoog vermeldde Schou in 1966 tijdens een wetenschappelijke bijeenkomst in Gottingen behalve zijn onderzoeksresultaten tevens de dramatische verbetering van zijn broer. Door deze persoonlijke betrokkenheid namen de Engelse psychiaters zijn resultaten niet langer serieus.

Vanwege de weerstand van de Britten en Amerikanen én om voor manisch-depressieven mondiaal lithiumtherapie mogelijk te maken, besloot Schou tot een dubbelblind onderzoek bij patiënten die minstens een jaar met lithium waren behandeld. Schou aarzelde omdat in de onderzoeksopzet de helft van de patiënten zonder dit te weten met lithium moest stoppen en een placebo kreeg met als mogelijk risico suïcide. Besloten werd patiënten die achteruitgingen uit het onderzoek te halen en zo nodig opnieuw de juiste behandeling te geven. Reeds na zes maanden bleek lithium duidelijk superieur aan placebo.

Aangekomen bij de nieuwste vertaling van Hamlet, rijst de vraag of de zelfmoord van Hamlets geliefde Ophelia in onze tijd met lithium of een modern antipsychoticum zou zijn te voorkomen. Dat sprake was van een ernstig probleem in de familie valt moeilijk te ontkennen. De veronderstelling van de psychoanalyticus Ernest Jones dat Shakespeare's eigen vader een jaar voordat Shakespeare het stuk schreef overleed, blijkt onzin. Jones heeft zich wellicht te veel laten meeslepen door de omineuze spookverschijning van Hamlets vader in de nacht. Shakespeare schreef het stuk in 1600, zijn vader stierf in 1601 en in 1602 werd Hamlet voor het eerst opgevoerd.

Op de vraag waarom de tragedie zo'n duistere paranoïde sfeer ademt valt een intrigerend licht door wat Frank Albers in de inleiding schrijft. In 1599 ging het gerucht in Londen dat Queen Elizabeth was overleden en dat Spaanse troepen op Britse bodem waren geland.

Dit bleek volkomen onjuist. Elizabeth was nog springlevend. Niet bij ons, maar elders is het mis, zegt Shakespeare olijk: 'There is something rotten in the state of Denmark'. Om je dood te lachen. Tijdens de slaap was daar de koning op duistere wijze vermoord, door gif in zijn oor. Alleen moest de prins van Denemarken die moord nog even wreken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden