Review

Habsburger met eigenschappen

Of je nu alleen bent of met velen, zonder identiteit kun je niet. Men voelt zich wereldburger, natuurliefhebber, Oranjefan, Duitser, pacifist, man, vrouw, vader, minnares of een aantal van die hoedanigheden tegelijk.

JAAP GOEDEGEBUURE

Haast niemand wil graag een onbeschreven blad zijn en wie er toch voor kiest, spiegelt zich graag in rolmodel Ulrich, hoofdpersoon van Robert Musil roman 'Der Mann ohne Eigenschaften'.

Identiteit bestaat alleen wanneer ze wordt benoemd. Je hebt er woorden voor nodig, liefst hele lappen tekst die je kunt aanschieten als die spreekwoordelijke warme jas tegen de kou. Maar door erover te praten of te schrijven maak je keuzes, die niet alleen je identiteit vastleggen maar jou erbij. Je eigenheid wordt afgebakend van wat er niet toe hoort. Daartussen loopt een grens die niet alleen de verschillen maar ook de wrijvingen en conflicten markeert.

De afgrenzende en dus ook beperkende en uitsluitende werking van het identiteitsdenken hoort tot de grote thema's van de in 1939 geboren schrijver en cultuurhistoricus Claudio Magris. Kenmerkend is zijn keuze voor het compromis van 'een ironische identiteit die zichzelf kan bevrijden van de dwangmatige neiging om zich af te sluiten en ook van de neiging om aan zichzelf te ontsnappen'. Hij voelt niets voor het enghartige conservatisme van afscheidingsbewegingen als Lega Nord, maar is nog veel minder bereid toe te geven aan het kameleontische identiteitsconcept van de postmodernisme.

In de meest letterlijke zin vormt de grens het oerbeeld van Magris' leven en werk. Vanaf zijn geboorte tot vandaag woont/heeft hij gewoond in Triëst, havenplaats aan de oostelijke rand van Italië, na 1945 bijna geannexeerd door Joegoeslavië, enige tijd vrijstad onder beheer van de Verenigde Naties, tijdens de Koude Oorlog voorpost tegen de communistische dreiging en nu nog altijd de brug tussen West- en Oost-Europa.

Magris heeft er nooit een geheim van gemaakt dat zijn hart ligt in het Triëst dat voor Oostenrijk-Hongarije de poort naar de Middellandse Zee vormde. De stad speelde een eminente rol in het economisch en cultureel verkeer en dankte daar haar kosmopolitische karakter aan. Op de kaart van het literaire modernisme staat Triëst zelfs met drie sterren genoteerd: Italo Svevo woonde en werkte er, James Joyce en Valéry Larbaud waren er enige tijd te gast.

In zijn eerste grote boek, 'De Habsburgse mythe in de moderne Oostenrijkse literatuur' (1963), laat Magris zien dat het kosmopolitisme in zekere zin het geestesmerk was van de staatkundige eenheid die tussen 1848 en 1916 werd geregeerd door de legendarische keizer Frans Jozef. Deze vorst placht zijn onderdanen aan te spreken als 'mijne volkeren', en dat was niet omdat hij de majesteitelijke meervoudvorm prefereerde, maar om te beklemtonen dat de Donaumonarchie niet alleen Duitstalige Oostenrijkers herbergde, maar ook sprekers van het Tsjechisch, Slowaaks, Hongaars, Kroatisch, Roemeens, Pools, Italiaans, Friulisch en last but not least ook het Jiddisch.

In deze tijd van herlevend nationalisme geldt zo'n multi-etnisch verband als een monstrum, maar de relatieve harmonie waarin al die verschillende volksdelen samenleefden stond mede garant voor de bloei van cultuurcentra als Wenen en Praag. Het merkwaardige is dat de regeringsperiode van Frans Jozef met terugwerkende kracht tot idealiserende mythe werd verheven door schrijvers die pas aan het woord kwamen nadat Oostenrijk, na afloop van de Eerste Wereldoorlog de grote verliezer, was teruggedrongen tot een vijfde van zijn negentiende-eeuwse omvang.

Magris kent in dat verband een belangrijke plaats toe aan auteurs als Robert Musil, die in 'Der Mann ohne Eigenschaften' Oostenrijk typeerde als een niet uit drukken, anoniem en dus identiteitsloos wezen, en aan de joodse Jozeph Roth, net als hij gefascineerd door het beeld van de grens als ontmoetings- en transitoplek.

Een fragment uit zijn eerste boek en opstellen over Musil en Roth horen tot de keuze uit eigen werk die Magris ter gelegenheid van zijn bekroning met de Erasmusprijs heeft gemaakt. Om begrijpelijke redenen draagt deze bloemlezing de titel 'Langs grenzen'. Naast puur beschouwend proza komen er ook verhalende fragmenten in voor. Van heterogeniteit is overigens geen sprake, laat staan van een stijlbreuk.

Karakteristiek voor Magris zijn de essayistische inslag van zijn romans en de associatieve kracht van zijn essays. In 'Donau' en 'Microcosmi', allebei vanuit cultuurhistorische gedrevenheid ontstaan, glijdt de beschouwing moeiteloos over in de verhalen en omgekeerd. 'Donau' is niet volgens de chronologie geordend, maar gehoorzaamt aan de stroom van Europa's langste rivier die van west naar oost door de voormalige dubbelmonarchie loopt. De lineair verlopende geschiedenis wordt door Magris geprojecteerd in ruimtes waar met het heden ook het verleden aanwezig is.

Hoezeer 'Microcosmi' in het teken staat van een fascinatie voor de menselijke leefruimte als geheugenplek valt te illustreren aan de hand van een fragment waarin Magris schrijft over het Triëster achterland, waar eilanden liggen die namen in minstens vier talen hebben. ,,Het vergeefse onderzoek naar etnische zuiverheid leidt naar de oudste wortels en tot een strijd aan de hand van etymologieën en schrijfwijzen, in een obsessieve poging om te verifiëren welke stam als eerste voet aan wal heeft gezet op de witte stranden en schrammen heeft opglopen aan de braamstruiken in het dichte mediterrane struikgewas, alsof dat de bevestiging zou opleveren van een grotere authenticiteit en van het eigendomsrecht op deze blauwgroene wateren en deze geuren in de wind.'

De ervaring aan de rand van de wereld en de geschiedenis te leven is voor de in 1939 geboren Magris cruciaal. Dat besef, door hemzelf gekarakteriseerd als 'de melancholie van het nulpunt', komt tot uiting in zijn korte roman 'Een andere zee', die naadloos past bij het hiervoor geciteerde fragment uit 'Microcosmi'. De hoofdpersoon besluit een veelbelovende loopbaan op te geven voor een bestaan als gaucho in Argentinië. Daar wordt zijn heden even grenzeloos als de pampa's waarover de straffe poolwind waait. Hij bereikt er een staat van onthechting die hij ook na terugkeer op zijn geboortegrond weet vast te houden.

Hoe complex de verbanden tussen identiteit en geheugenplek kunnen zijn, maakt Magris duidelijk in de roman 'Veronderstellingen aangaande een sabel'. Hier gaat het om de vraag naar het wat en het waarom in de persoonlijkheid van een zekere Krasnov, commandant van een naar de nazi's overgelopen groep kozakken die aanvankelijk dienden onder Sovjet-Russisch bevel. Wanneer dertien jaar na de oorlog Krasnovs resten worden opgegraven, komt het gevest van een officierssabel te voorschijn. De oude priester die het verhaal vertelt, ziet er nu eens het symbool in van krijgsmanseer, macht en onderdrukking, en dan weer het attribuut van een belachelijke operettefiguur. Krasnov verschijnt beurtelings als mythische held en dwaze avonturier.

'Veronderstellingen aangaande een sabel' beweegt zich om dezelfde kern als het werk van Magris in zijn geheel. Er vindt een voortdurende confrontatie plaats tussen twee uitersten, aangeduid met de termen 'retoriek' en 'overtuiging'. 'Retoriek' staat voor starre ideologie, overgeleverde dogma's, vastgeroeste standpunten en een maatschappelijke orde die verstikkend werkt. 'Overtuiging' kenmerkt het individu en zijn authenticiteit. De vonkenregens die ontstaan door de spanning tussen de polen van de persoonlijke overtuiging en de collectieve retoriek noemen we ook wel 'cultuur'. Claudio Magris neemt dat alles nauwlettend waar, op afstand, maar met liefde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden