Haarlems museum laat 18de eeuw in Enschede opbloeien

Het gebeurt niet iedere dag dat een museum een belangrijk onderdeel van zijn collectie naar een ander museum doet verhuizen. Het overkwam het Rijksmuseum Twenthe in Enschede, waar binnenkort zo’n zestig schilderijen uit het Frans Halsmuseum in Haarlem komen te hangen. De schilderijen dateren allemaal uit de 18de eeuw. Die wordt ook wel de ’Zilveren Eeuw’ genoemd, omdat ze als het mindere zusje van de 17de eeuw, de beroemde ’Gouden Eeuw’ wordt beschouwd.

Het Rijksmuseum Twenthe wil zich graag profileren als hét museum voor de 18de eeuw, een periode in de kunsten die volgens Enschede beslist niet in het verdomhoekje thuishoort. In het Haarlemse museum, waar de nadruk in de collectie en in het expositiebeleid veel meer op de 17de eeuw ligt (denk alleen maar aan de schuttersstukken van Frans Hals, maar ook aan recente tentoonstellingen van Pieter Claesz en Nicolaes Berchem) kwijnden de 18de-eeuwse doeken weg.

Ze hingen deels in een veel te krappe gang of waren opgeslagen in depot. In ieder geval kregen ze van het publiek nauwelijks de aandacht die Hals, Goltzius, Steen en Ruisdael wel te beurt viel. En omdat er in Nederland een opvatting in de musea bestaat dat kunstcollecties eigenlijk herschikt zouden moeten worden als ze in een bestaande situatie op de verkeerde plek aanwezig zijn, kan het Frans Halsmuseum nu een mooi gebaar maken door deze schilderijen in een bruikleen van minimaal vijf jaar naar het oosten van het land te laten afreizen.

Met als enige tegenprestatie dat de werken, voor zover noodzakelijk, een restauratie zullen ondergaan. Conservatoren van het Haarlemse museum hebben in de afgelopen tijd elk schilderij dat daarvoor in aanmerking komt, in een uitvoerig conditierapport beschreven.

De hele collectie van 18de-eeuwse en enkele vroeg-19de-eeuwse werken omvat zo’n 60 nummers. Daar zitten bekende namen onder, zoals Isaak Ouwater die met een indrukwekkend gezicht op de bekende Amsterdamse Poort in Haarlem is vertegenwoordigd. Ook ’kleinere’ meesters als Pieter Barbiers, Cornelis van Noorde en Johannes Horstok zijn aanwezig. Maar echt blij in Enschede zullen ze vooral met Wybrand Hendriks zijn. Deze schilder, die van 1744 tot 1831 leefde, was lange tijd een tamelijk onderschatte meester. Zijn interieurs van bedaagde ouderen die gezellig aan de thee slurpen, werden zeker niet in een progressieve ontwikkeling gesitueerd. Sinds de jaren zeventig toen een algehele herwaardering voor dit soort intieme schilderkunst doorbrak, is Hendriks een echte publiekslieveling geworden. Wanneer het Rijksmuseum Twenthe er echt werk van gaat maken om de 18de eeuw aan een herwaardering te onderwerpen, dan zal het niet lang meer duren dat Wybrand Hendriks op het expositieprogramma zal verschijnen.

Ook in een ander opzicht zijn de werken van Ouwater en Hendriks als een belangrijke aanwinst voor een in de 18de eeuwse kunst gespecialiseerd museum te beschouwen. Ze zijn representanten van een cultureel leven dat in Haarlem in deze tijd op een hoog niveau stond. De stad kende in de figuur van Pieter Teyler een ware mecenas van de kunsten en de wetenschap. Zijn verzamellust zou de grondslag vormen voor het eerste openbare museum in Nederland: het nog altijd toegankelijke Teylers Museum aan het Spaarne. Een grote, kwalitatief rijke productie aan schilderkunst was daar mede het gevolg van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden