Gouden glorie imponeert

H et werd een tentoonstelling die menig museumcurator zich alleen maar kon dromen: schilderijen in meervoud van Rembrandt, Vermeer, Frans Hals, Aelbert Cuyp, Jacob van Ruisdael, Pieter Saenredam, Carel Fabritius, en dat alles omkranst met goud, zilver, brons en porselein, met een verdieping lager nog eens die namen terugkerend, maar dan met tekeningen en grafiek gerepresenteerd. Dat alles omdat het Rijksmuseum ter gelegenheid van zijn 200-jarige bestaan (niet het gebouw, want dat bestaat 'pas' ruim een eeuw, maar de verzameling) een feest heeft te vieren. En omdat het museum de eerst aangewezen plek is waar de schilderkunst van de Nederlandse 17de eeuw optimaal bekeken kan worden, werd de droom gerealiseerd met dit overzicht dat gerust een vlootschouw genoemd mag worden.

Cees Straus

'De glorie van de Gouden Eeuw' in het Rijksmuseum is een bewuste poging om de glans weer te geven van de eigen verzameling, al is de kwaliteit daarvan natuurlijk in het verleden al talloze keren erkend. Voorzover het publiek daarvan nog onwetend is, kan de expositie ook worden beschouwd als een introductie op een periode waarin de kunst in de Nederlanden in het zenith van haar ontwikkelingen stond. Dat is echter een constatering die maar voor weinigen (het buitenlandse toerisme waarschijnlijk uitgezonderd) opgaat. Want ook wie de kunst van de 17de eeuw goed denkt te kennen, wordt door het Rijksmuseum keer op keer verrast met bruiklenen die uit belangrijke, maar daarom nog niet vaak gefrequenteerde verzamelingen komen.

Neem die 'Sint Sebastiaan' bijvoorbeeld, een van de mooiste doeken die de Utrechtse Caravaggist Hendrick Ter Brugghen (1588-1629) ooit heeft gemaakt. Het doek, dat de met pijlen doorboorde jongeling toont die na zijn marteling door de heilige Rita met intense liefde wordt verzorgd, komt uit een kleine kunstinstelling in Amerika, het Allen Memorial Museum in Oberlin, Ohio, dat onderdeel vormt van de aldaar gevestigde universiteit. Je kunt die studenten kunstgeschiedenis benijden die dagelijks de (overwegend Nederlandse) kunst in het museum kunnen bestuderen; Oberlin is nu niet een stad die gemakkelijk op een route langs Amerikaanse kunststeden is in te passen. Zo'n schilderij vraagt er dan ook om in deze presentatie, die behalve met veel zorg voor de kwaliteit vrij weinig beperkingen kende, te worden getoond.

En dan is Ter Brugghen niet eens de bekendste naam van wie de glorie gewoonweg afstraalt. Rembrandt, in het Rijks in het verleden veelal uitvoerig getoond, komt vanuit een aantal ongewone inzichten op een bijzondere wijze tot leven. Natuurlijk staat in het traject dat de bezoeker langs de circa 200 werken moet afleggen Rembrandts Nachtwacht centraal en zullen de meesten, die goed bekend zijn met dit hoogtepunt in het oeuvre, snel doorlopen, begerig als ze zijn naar naar vergelijkbare kwaliteit. Om vervolgens te merken dat Rembrandt een hoogst spannende confrontatie is aangegaan met zijn evenknie in de por tretkunst, de Haarlemse schilder Frans Hals.

Op die punten blijkt de expositie, die soms de neiging vertoont om in een schier eindeloze uitstalling van postzegels te vervallen, goed tot haar recht te komen. Rembrandt én Frans Hals worden vooral met hun psychische inzichten geconfronteerd. Rembrandt met zijn jeugdige figuren als 'Het meisje aan het venster' (uit Stockholm, waar het zelden weggaat), met zoon Titus uit Rotterdam en het prachtige portret van schilderscollega Gerard de Lairesse uit New York. Zij nemen het op tegen de kwetsbare blik die Frans Hals in het portret van Jaspar Schade legde dat de Nationale Galerie in Praag beschikbaar stelde, terwijl in de categorie groepsportretten ook op een onderlinge samenhang wordt gewezen (die bij Rembrandt Staalmeesters heten).

Zo zit de tentoonstelling vol met mooie dwarsverbanden die de kijker op een weinig nadrukkelijke manier tot zich kan nemen. Het is een wijze van exposeren die in de keuze van de schilderijen op een kwalitatief hoog niveau wordt uitgedragen, maar op het vlak van inrichting hier en daar wel erg lelijk uitpakt. De inrichtster (Evelyne Merkx van bureau Merkx+Girod) accentueerde de confrontaties met behulp van steunkleuren die weinig gelukkig uitpakken. Haar kleuren, zoals het schrale, onverzadigde kanariegeel en oranje vloeken met de overwegend donkere kleurstelling die in de Hollandse 17de eeuw zo bon ton was.

Door voor zo'n bonte kleurstelling te kiezen, kan ook niet worden verheeld dat de expositie toch wel erg opsommerig is samengesteld. Natuurlijk, je zit bij dit onderwerp vast aan het gegeven, dat, wil je de hele Gouden Eeuw bestrijken, alle belangrijke namen aan bod moeten komen. Die zijn er zonder uitzondering, al kan het als kritiek worden beschouwd dat de tegenstelling tussen protestantse en katholieke schilders in de 17de eeuw zo slecht werd uitgediept (met bijvoorbeeld Abraham Bloemaert die slechts met één enkel werk is vertegenwoordigd, wat ook geldt voor Aert de Gelder, terwijl van Rembrandt slechts twee keer een bijbelonderwerp wordt getoond).

Als er al kritiek op deze mega-presentatie gegeven moet worden, dan slaat die niet zo zeer uit op de kwaliteit van de uitverkoren werken (die boven elke twijfel verheven is), maar op het feit dat deze tentoonstelling, hoe omvangrijk ze ook is, eigenlijk weinig te vertellen heeft. Nergens wordt een uitspraak gedaan over de Nederlandse schilderkunst, anders dan dat het zo'n vertoon van kunnen is. Ook in de catalogi, hoe uitvoerig ze ook zijn samengesteld, staat de beschrijving van de werken en hun makers centraal. Wie over de expositie rondloopt en met de vraag blijft zitten hoe nu het schildersbedrijf in de 17de eeuw functioneerde, vindt nergens het antwoord op die vraag. De meeste bezoekers zullen trouwens, geïmponeerd als ze zijn door kwaliteit en kwantiteit, niet eens tot die vraag geraken. Het Rijksmuseum wilde zijn feestje bouwen zonder al te veel statements te hoeven doen. Dat zal voor de meeste museumgangers die in de afgelopen jaren met concepten in de musea om de oren werden geslagen, wel eens verfrissend overkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden