Interview Kees 't Hart

Goethe: geniaal schrijver of een charlatan met een boerse kop?

Johann Wolfgang von Goethe (geschilderd door zijn vriend J.H.W. Tischbein) en schrijver Kees ‘t Hart. Beeld Hollandse Hoogte, Robin Utrecht

Was Goethe een god en een geniaal schrijver? Of een charlatan met een boerse kop? In zijn nieuwe roman eert én ontheiligt Kees ’t Hart de grote Duitse schrijver. ‘Hij was ook een gewone meneer.’

“Ik haat Goethe”, zegt schrijver Kees ’t Hart. Een eigenaardige uitspraak voor een man die planken vol Goethe-literatuur heeft bestudeerd en zijn poëzie uit het blote hoofd citeert: “‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind / es ist der Vater mit seinem Kind.’ Dat komt uit ‘Der Erlkönig’, een schitterend gedicht, dat móét je lezen, verplicht!”

Want ja, ’t Hart is óók een bewonderaar van zijn wereldberoemde vakgenoot, vertelt hij in zijn Haagse woonkamer. “Goethe was natuurlijk een geniaal schrijver en de beginner van de westerse romankunst. In ‘Die Leiden des jungen Werthers’ schrijft hij bij vlagen echt ge-wel-dig. Maar hij heeft ook slechte boeken geschreven en hij was ook een heel gewone meneer. Bij mij gaan bewondering en haat samen, ik ben een heel rare bewonderaar.”

Zijn dubbele gevoelens culmineren voorlopig in ‘De ziekte van Weimar’, ’t Harts laatste roman, zojuist verschenen. Die speelt zich af in 1807 en werkelijk iedereen, van Friesland tot Duitsland, van herbergier tot huisvrouw, heeft het over Johann Wolfgang von Goethe. Mythische proporties heeft de man, hij is allang niet meer van vlees en bloed. Het gonst ook van de geruchten: vergrijpt de grote schrijver zich aan jonge vrouwen? En lijdt hij inderdaad aan ejaculatio praecox, vroegtijdige zaadlozingen?

 Wie is Goethe?

Johan Wolfgang von Goethe (1749-1822) was wetenschapper, filosoof en schrijver van een enorm oeuvre. Waaronder ‘Götz von Berlichingen’ (1773), het waanzinnig populaire ‘Die Leiden des jungen Werthers’ (1774) en ‘Faust’, waaraan hij een groot deel van zijn leven bleef schrijven. Hij woonde vanaf 1775 in Weimar, waar hij audiënties hield en ook allerlei bestuurlijke functies vervulde.

Wie daar in elk geval onder gebukt gaat, is Albert van Huszen, schaakmeester te Franeker en hoofdpersoon van deze tragikomische roman – die overigens voor de Goethe-kenners een hoop literaire verwijzingen bevat. Albert raakt geobsedeerd door Goethe, een naam waarin hij het woord ‘God’ herkent, maar die ook een sterk gevoel van onbehagen bij hem opwekt. Al gauw ziet hij overal geheime aanwijzingen dat de Duitser lijdt aan dezelfde ‘lustziekte’ als hij. In opdracht van de universiteit van Franeker reist Albert naar Weimar, waar hij naast zijn officiële verzoek ook zijn privéprobleem aan Goethe hoopt voor te leggen. Misschien kan de beroemde schrijver hem wel genezen?

Wat heeft u met én tegen Goethe?

“Goethe is zo’n ongelooflijke grootheid. Toen hij ‘Die Leiden des jungen Werthers’ schreef was hij een jaar of 25 en in één klap beroemd, in heel Europa, het boek werd overal vertaald. Het is ook een mooie roman, het einde is absoluut fabelhaftig schitterend, dan lijkt het alsof hij Werther, die zelfmoord heeft gepleegd, laat liggen, dan zoemt de camera uit. Maar er staan ook stukken in waarvan je denkt: het zal allemaal wel.

“Iedereen wil iets van hem, ik óók. Dat is het thema van mijn roman. Nog steeds zijn er mensen die over Goethe discussiëren, over álles van Goethe. Hij is een monument, zonder Goethe kan je niet bestaan. Het hele Goethe-standbeeld dat iedereen altijd opricht, dat boeit me misschien nog wel meer dan zijn werk. Want hoe is hij zó groot geworden? Eenzelfde vraag kun je stellen bij de Mona Lisa van Leonardo da Vinci: dat is een behoorlijk goed schilderij, maar hoe kon het zó groot worden?”

In uw roman ‘Ter navolging’ associeert u de achttiende-eeuwse schrijfsters Betje Wolf en Aagje Deken met porno. U wilde hen ‘ontbraven’, bevrijden uit de canon. Wilde u dat nu ook met Goethe?

“Ja, ik wilde hem ontheiligen. Ik wilde Goethe wel een held houden, maar óók menselijk maken. Hij moest de grote cultuurheld spelen in Weimar, een stadje van amper achtduizend inwoners. Er was daar niets te doen, hij verveelde zich te pletter. Iedereen wilde iets van hem en iedereen roddelde over hem, want zo gaat dat met grootheden: heb je het al gehoord, hij heeft zijn vriendin geneukt tegen dat beeld in de tuin, blablabla. Onzin natuurlijk. Er zit veel kletspraat in mijn roman.”

Waarom wilt u van het standbeeld zo graag een mens maken?

“Ik bewonder hem, dus wil ik iets terugdoen door hem onderdeel te maken van mijn creativiteit. Zo houd ik hem in leven, het is een vorm van idolatrie. Dat heb ik ook gedaan met Alfred Hitchcock in mijn roman ‘Hotel Vertigo’ en met Simon Vestdijk in ‘De keizer en de astroloog’. Ik bewonder ze, maar het zijn ook gewone mannen met gewone en soms rare eigenschappen.”

Waarom brengt u Goethe met vroegtijdige zaadlozingen in verband?

“Dat doet mijn held, Albert van Huszen, die met wanen leeft. Hij zit in Goethes werk te zoeken naar tekenen van de ejaculatio praecox. Die zijn er niet hoor, maar kijk…”

’t Hart pakt een dik tweedelig boek: ‘Goethe, eine psychoanalytische Studie’, geschreven door Freud-aanhanger Kurt R. Eissler. “Je weet niet wat je leest. Goethe had als jongeman vaak vriendinnetjes, maar op merkwaardige momenten sloeg hij op de vlucht. Dan verbrak hij de relatie en even later had hij weer een nieuw vriendinnetje. Eissler suggereert: zou het niet kunnen dat hij wegvlucht vanwege zijn seksuele probleem? Totale onzin, maar ik vond het wel fijn voor mijn roman.”

Wat maakt deze aandoening literair zo interessant?

“Een held moet natuurlijk een zwakte hebben en dit is een zwakte: je kunt er niet over praten, het is echt een geheim, dus van groot belang. Mijn held is bekneld, dat snapt de lezer meteen, want die heeft ook vooroordelen: zo iemand is een beetje raar. Ik heb ook wel aan impotentie gedacht, maar daar heeft Adri van der Heijden al over geschreven in zijn grote romancyclus ‘De tandeloze tijd’. Toen dacht ik – roffeltje op het boek van Eissler – ejaculatio praecox, dát is mooi.”

Alberts reis naar Weimar is vol hindernissen. Het duurt lang voordat we Goethe zelf in uw roman ontmoeten.

“Dat is ook een technische truc: uitstel van behoeftebevrediging. Jij wilt als lezer weten: wanneer komt verdomme die Goethe nou? En wat gebeurt er dan? Maar hij komt, de grote Goethe zelf. Ik wilde hem per se live in de roman hebben.”

Begrijpt u nu de Goethe-koorts?

“Nee, die vind ik nog steeds tamelijk onverklaarbaar. Goethe duikt elke keer weer op, nog steeds, ook bij mensen van wie je niet verwacht dat ze hem waarderen. En ja, ook in mij zit een zekere Goethe-waan. Ik wil hem ook bespotten, maar bij mij is spot vaak heel ernstig. In diepste zin ben ik trouw aan Goethe en dat demonstreer ik.”

Kees ’t Hart; De ziekte van Weimar; Querido, 21,99 euro.

Wie is Kees ’t Hart?

Kees ’t Hart (1944) is Neerlandicus, schrijver en literatuurcriticus voor De Groene Amsterdammer. Hij debuteerde in 1988 en schreef sindsdien tientallen romans en verhalen- en essaybundels. Met verschillende titels belandde hij op de shortlist van de AKO- of de Librisprijs, waaronder ‘De revue’ (1999), ‘Ter navolging’ (2004) en ‘Teatro Olimpico’ (2014).

Lees ook:

De Goethe-koorts is nog steeds springlevend

Al tijdens zijn leven brak de Goethe-koorts uit. En de aantrekkingskracht van Johann Wolfgang von Goethe is nog steeds niet uitgewerkt, blijkt op een expositie in Bonn

Bezorg jij overlast, dan krijg je overlast terug

Kees ‘t Hart heeft zich ontwikkeld tot een literair meester in de slapstick, een in Nederland volstrekt ondergewaardeerd genre. In ‘Wederzijds‘ worden pretenties en ambities genadeloos geestig ontrafeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden