Review

Goeie vraag: wat heeft Nederland Duitsland te bieden?

Auf den Spuren der Niederlünder zwischen Thüringer Wald und Ostsee. Beitrüge des 2. Symposiums der Deutsch-Niederlündischen Gesellschaft (DNG) Berlin. 179 blz. - DM 17,50 (incl. verzendkosten). Te bestellen bij: DNG, Hotel Berolina, Karl-Marx-Allee 31, D-10178 Berlin. J. Enklaar en H. Ester (red.): Ungenaue Grenze - Deutsch-Niederlündische Beziehungen in Vergangenheit und Gegenwart (= Duitse Kroniek 44). Rodopi, Amsterdam; 274 blz. - ¿ 80.

WIM SLAGTER

De bundels 'Auf den Spuren der Niederlünder zwischen Thüringer Wald und Ostsee' en 'Ungenaue Grenze' schenken vooral aandacht aan wat beide landen bindt, speciaal op cultuur-historisch gebied.

De uitgave van de Deutsch-Niederlündische Gesellschaft bevat de tekst van veertien referaten, gehouden op het symposium 'Niederlündische Kultur in Brandenburg-Preussen', waarin aantoonbare Nederlandse culturele invloeden in dat deel van oostelijk Duitsland werden belicht.

De bijdragen blinken uit door een grote diversiteit; zo zijn er artikelen opgenomen over de invloed van de 17e-eeuwse Nederlandse universiteiten op de toentertijd befaamde Alma mater Viadrina in Frankfurt (Oder), over de Nederlandse bewoners van het Hollündische Viertel te Potsdam en over de betekenis van Rembrandt voor de Duitse schilderkunst (in de vorige eeuw werden aan gene zijde van de grens verwoede pogingen gedaan om Rembrandt als 'der deutscheste aller deutschen Maler' in te lijven).

Zeer lezenswaardig is daarnaast het essay van B. Becker over het voormalige Niederlündische Palais aan Unter den Linden in Berlijn, een gebouw dat in de jaren zestig door de autoriteiten van de Duitse Democratische Republiek werd gesloopt. Er kwam een dependance van de Humboldt-Universitüt voor in de plaats. Het paleis dankte zijn naam vooral aan de Nederlandse koning Willem I, die het in 1803 kocht, er tijdens de Franse overheersing lange tijd verbleef en er na zijn troonsafstand in 1840 weer ging wonen. Op 12 december 1843 stierf hij er, 71 jaar oud.

Niet elk artikel verschaft ongeremd leesplezier. Zo kan de in eerste opzet interessante beschouwing van J. F. E. Blüsing (over Nederlanders die tijdens het Derde Rijk in de gevreesde gevangenis Plötzensee zaten) door een minder toegankelijke betoogtrant de lezer niet onmiddellijk 'pakken'.

Mijn ernstigste kritiek geldt echter het beschamend grote aantal zetfouten en feitelijke onjuistheden: keizer (?) Filips II, vanaf 1568 (?) koning van Spanje; Wilhelm II, in 1918 rechtstreeks vanuit Potsdam (?) naar Nederland gekomen; Thorbecke de enige (?) negentiende-eeuwse Nederlandse staatsman van betekenis.

Historie en literatuur, een enkele keer zelfs gecombineerd, zijn de meest in het oog springende thema's in het twintigtal bijdragen in de 'Duitse Kroniek', die dit keer voor het eerst als Jahrbuch wordt gepresenteerd.

Met een uitgebreid historisch overzicht, getiteld 'Ungenaue Grenze', leidt P. Delvaux de bundel in. Wat de tijd na 1945 betreft wijst hij op de paradox in de verhouding tussen de twee buurlanden: van officiële en particuliere zijde werden er al snel weer contacten gelegd, terwijl onder de naoorlogse generatie Nederlanders een nauwelijks verholen antipathie jegens Duitsland en de Duitsers is gegroeid, die veelal in voetbalstadions of op Noordzeestranden haar hoogtepunt bereikt.

Delvaux' verzuchting aan het einde van het exposé lijkt alleszins redelijk: het zou goed zijn, wanneer de Nederlanders zich eens zouden bezinnen op de vraag wat ze hun buren kunnen bieden, in plaats van zich blind te staren op wat ze hen menen te moeten nadragen.

In zijn artikel 'Thorbecke über Deutschland und die Niederlünde' beschrijft G. J. Hooykaas de ontwikkeling in Thorbecke's denken over de positie van de kleine Europese staten, Nederland inbegrepen. Die zouden, zeker in moreel opzicht, een autonome rol kunnen vervullen en daarbij ook tot politieke ontspanning kunnen bijdagen. Maar Bismarcks expansiepolitiek veranderde die overtuiging ingrijpend, zodat Thorbecke - die kort daarvoor nog had overwogen zich in Heidelberg of Dresden te vestigen - in 1865 teleurgesteld in zijn dagboek noteerde: “(. . .) de onafhankelijkheid der kleine Staten (is) in grooter gevaar dan ooit.”

M. van Ackeren staat stil bij de (her-)waardering van de Nederlandse literatuur bij onze oosterburen en komt tot de slotsom, dat Nooteboom cum suis niet slechts de vaderlandse letterkunde hebben opgestoten in de vaart der volkeren, maar ook sterk tot een completer beeld van hun land en volk hebben bijgedragen. Eindelijk een definitief afscheid van de tulpen, de klompen, de molens, de kaas en de melk?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden