Review

'God is eenvoudig een rivaliserende hypothese'

Richard Dawkins: River out of Eden. Weidenfeld, Londen (imp. Consul Books, Blaricum); 172 blz. - ¿ 33,10. Vertaald als 'Onze onsterfelijke genen'; Contact, Amsterdam; 140 blz. - ¿ 29,90.

Dawkins ontleende de titel aan een citaat uit de Bijbel. And a river went out of Eden to water the garden, Genesis 2 : 10. De keuze is een knipoog naar de collega's die met hem strijden tegen de visie op onze oorsprong van de creationisten. En het is een bewuste provocatie van die laatste groep.

Eden is voor Dawkins een plaats die voorkomt in een mythe. Een mooie mythe wellicht en een die onze westerse cultuur vergaand heeft beïnvloed, maar wel een mythe. Het Paradijs heeft nooit bestaan. En als er al een plaats op aarde aan te wijzen valt waar onze oorsprong - voor Dawkins: de oorsprong van het leven - ligt, dan stroomde daar alleen in overdrachtelijke zin een rivier vandaan. Niet in de ruimte maar in de tijd. En geen rivier gevuld met water maar een gevuld met genen.

Dawkins provoceert graag. “Wijs me een cultuurrelativist op dertigduizend voet en ik toon je een hypocriet”, schrijft hij aan het begin van hoofdstuk 2. Daarmee doelt hij niet op hen die stellen dat je een andere cultuur niet kùnt begrijpen als je de opvattingen van zo'n cultuur in termen van de onze, de westerse, beoordeelt, schrijft hij. Zijn gramschap geldt de 'perverse' collega's van deze gematigde relativisten. De collega's die de evolutietheorie beschouwen als het moderne equivalent van goden en epische helden, de 'modieuze salonfilosofen' die, extreem geformuleerd, zeggen dat de westerse wetenschap uiteindelijk geen grotere claim op de waarheid kan doen gelden dan welke mythe van welke stam dan ook.

Van dik hout: “Vliegtuigen die gebouwd zijn volgens wetenschappelijke principes werken. (. . .) Als je naar een internationaal congres van antropologen of literatuurcritici vliegt, is de reden dat je daar waarschijnlijk aankomt - en niet neerstort in een omgeploegd veld - dat een groot aantal westerse, wetenschappelijk opgeleide ingenieurs hun sommen goed gemaakt hebben.” De wetenschap, aldus Dawkins, bracht ons op de maan. Een stam die denkt dat dit hemellichaam een kalabas is die net boven de bomen zweeft, zal die prestatie slechts in zijn dromen kunnen evenaren.

Dawkins is ook een atheïst pur sang. Het bijbelse verhaal is voor hem niet meer dan zo'n stammythe. Of, als je het heel positief formuleert: 'God' is eenvoudig een rivaliserende hypothese. 'God' geeft een antwoord op de vraag waar we vandaan komen, nèt als de evolutietheorie. Alleen: de evolutietheorie is een stuk overtuigender en, vindt hij, ook een stuk interessanter.

Dawkins is een internationaal bekende bioloog. Hij is de auteur van 'The Selfish Gene' (1976). Daarin stelde hij dat wij (net als alle andere organismen) niet meer zijn dan het voertuig van onze genen. We planten ons voort omdat we onze genen willen doorgeven. Nog iets scherper geformuleerd: we planten ons voort omdat onze genen willen dat wij dat doen.

De Brit legde in de 'The Selfish Gene' een overtuigend - of op zijn minst: zeer hanteerbaar - verband tussen de theorie van Charles Darwin en de inzichten van de moderne genetica. Voor de geïnteresseerde leek, maar óók voor zijn collega's. Als concept zijn de zelfzuchtige genen, die niet hun dragers maar alleen zichzelf dienen, niet meer weg te denken uit de evolutiebiologie.

'River out of Eden' is het vierde deel in een nieuwe serie, Science Masters, waarin vooraanstaande wetenschappers de stand van zaken op hun vakgebied melden. Dawkins is gevraagd om dat voor de evolutiebiologie te doen. De titel van het boek verwijst naar een metafoor in het eerste hoofdstuk. Met behulp van die metafoor legt Dawkins uit hoe evolutie werkt.

Evolutie laat zich goed begrijpen als een stromende rivier van genen, schrijft hij. Deze dragers van de erfelijke informatie zijn in principe onsterfelijk. Ze worden doorgegeven aan de volgende generatie. Mens, dier en plant gaan dood, maar genen niet. Alléén als nageslacht uitblijft, loopt hun bestaan gevaar.

Genen groeperen en (bij geslachtelijke voortplanting) hergroeperen zich in individuen. Sommige combinaties hebben daarbij meer succes dan andere. Meer succes in de zin dat een bepaalde combinatie een individu een grotere kans geeft om in een bepaalde omgeving te overleven en zich voort te planten - het principe van natuurlijke selectie. Zulke combinaties komen over een groot aantal generaties het verst.

Een biologische soort laat zich dan definiëren als de verzameling van individuen waardoorheen dezelfde rivier van genen stroomt, schrijft Dawkins. Soms zal de rivier zich splitsen. Een tak buigt af; er ontstaat een nieuwe soort, een nieuwe stroom van genen.

De rivier vertakt zich in de tijd wanneer de populatie van een soort geografisch, in de ruimte, raakt opgesplitst. In de drie tot vier miljard jaar die achter ons liggen, is dit miljoenen malen gebeurt. Minstens dertig miljoen maal: dat is de schatting (van Dawkins) van het aantal nu bestaande soorten. Maar waarschijnlijk veel vaker. Veel soorten zijn immers uitgestorven, in termen van de metafoor: hun stroom van genen verdroogde.

In hoofdstuk 2 behandelt hij 'Zwarte Eva', de theorie die zegt dat de 'oermoeder' van wie alle nu levende mensen een bepaald deel van het DNA (het zogeheten mitochondriaal DNA) kregen, in Afrika leefde, 150 000 tot 200 000 jaar geleden. In hoofdstuk 3 beantwoordt hij de vraag die creationisten graag stellen: hoe kan zoiets ingewikkelds als een oog nu geleidelijk ontstaan?

In hoofdstuk 4 legt hij uit waarom een doel in de evolutie niet bestaat. De vraag naar het waarom van de verscheidenheid van leven om ons heen is daarom een vraag (en daar háált hij weer uit) van 'anafalbeten'. Waarom doden cheetahs gazellen? En waarom rennen gazellen voor cheetahs weg? Het antwoord is in beide en alle andere gevallen hetzelfde: dat vergroot de kans op doorstromen van hun genen. In het vijfde en laatste hoofstuk schetst Dawkins welke 'drempels' er in de evolutie zijn genomen om tot de intelligente mens, die zelfs zijn planeet kan verlaten, te komen.

Boeken over de evolutie, over de oorsprong van de mens en aanverwante onderwerpen verschijnen met grote regelmaat, maar 'River out of Eden' is daaronder iets bijzonders. Het boek is eigenlijk een juweel, een aanrader voor wie zich een algemene indruk wil vormen van de evolutiebiologie in 1995. Dawkins is een begenadigd auteur en blijft ver van een droge, nauwgezette beschrijving van de theorie. De polemiserenede passages versterken nog eens het beeld van een veelkleurig, maar toch zeer aantrekkelijk ogend palet.

Toegegeven: wie zich beter thuisvoelt bij het creationisme, hoeft weinig te verwachten. Wie echter wel wil aannemen dat de evolutietheorie deze rivaal waar het onze oorsprong betreft de baas is, maar toch zijn vragen heeft (en voor wie geldt dàt niet?), wordt op zijn wenken bediend.

Een opmerking nog over de vertaling. Storend is de keuze om de lezer aan te spreken met 'u'. Je zou dat kunen verdedigen met een verwijzing naar de arrogante opstelling waarmee Dawkins zijn tegenstanders benadert. Maar: het is ongebruikelijk in de wetenschapsjournalistiek, die vrijwel altijd voor kiest voor 'je'. En dat niet alleen: als je Dawkins in het Engels leest, voel je je getutoyeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden