Review

God bestaat niet, daarin is hij uniek

Het christelijk geloof is volgens dichter Rutger Kopland een illusie. Toch is zijn poëzie religieuzer dan je zou denken. „Als je mystiek omschrijft als een religieuze ervaring, los van godsbeeld en dogma’s, dan herken ik dat.”

Liesbeth Eugelink

’Het christendom is voor mij niet meer dan een kinderlijke illusie”, schreef Rutger Kopland (pseudoniem voor Rudi van den Hoofdakker) eens in een essay. Toch is in zijn poëzie het geloof veel minder afwezig dan je op grond van zo’n uitlating zou verwachten.

Een terugkerend thema in Koplands gedichten is ’afwezigheid’, ’leegte’, of de ’lege plek’.

Filosoof Chris Bremmers wijst op het belang daarvan: „De ’open plek’ is de plek waaruit de liefste en de dichter zelf afwezig zijn, die aldus door geen van beiden wordt bezet en die daarom de plaats van ontmoeting en aanwezigheid kan zijn.”

Het thema van leegheid, of afwezigheid heeft overduidelijk religieuze connotaties. Het mooiste voorbeeld daarvan is de gedichtenreeks met de veelzeggende titel ’G’, die begint met de regels:

G, ik schreef een vers over jouw gezicht, dat het zo afwezig was.

Gods afwezigheid is in dit gedicht pregnant aanwezig. Volgens sommige theologen is die leegheid echter een ander woord voor God. Zo schrijft Karl Rahner: „Midden in het onafgebroken weefsel van de taal houdt het woord ’God’ een lege plek open, en dat is van het allergrootste belang.”

Ik zong mee in het koor van de protesteerders.

Uit: Twee ambachten

„Vanaf mijn puberteit ging ik niet meer met mijn ouders mee naar de kerk”, zegt Rutger Kopland (73). „Maar dan ging ik soms wel nog uit eigen beweging. Toen ik ging studeren in Groningen, kreeg ik contact met dominee Krop, die praatgroepen organiseerde voor studenten. Ik heb veel aan hem gehad. Krop was een liberale man en liet voor mij een nieuw licht schijnen over de vroegere moraal bij ons thuis. Hij sprak over leven en dood, goed en kwaad. Hij deed ook aan seksuele voorlichting. Dat was voor mij een ware bevrijding van de vroegere, strenge seksuele moraal. Ik was wel een nadenkende jongen en ik hield er christelijke principes op na, maar van bijvoorbeeld bidden of naar de kerk gaan heb ik me altijd buitengewoon weinig aangetrokken.

Toen ik mijn vrouw Ineke ontmoette, vond zij het behoorlijk vreemd dat ik er een christelijk geloof op nahield. ’Wat is dat toch voor een wonderlijke verhouding met een man daarboven die je helemaal niet kent!’ Ze is wel eens meegegaan naar de kerk, maar het sprak haar niet aan.

Ik begon het mezelf ook af te vragen: ’Wat moet ik ermee?’ Ik verloor mijn overtuiging, en toen heb ik het overboord gegooid.”

Als mijn moeder voor mij gebeden had en mij weer een dag langer vergeven was bleef ik achter tussen roerloze paarden en koeien te vondeling gelegd in een wereld van gras.

Uit: ’Een psalm’

„Ik ben streng christelijk opgevoed. Het ging om eerlijkheid, oprechtheid, niet liegen. Een heel strenge seksuele moraal ook. Schuldgevoel en bidden om vergeving waren belangrijke elementen van mijn leven toen. Ja, ik betreur het dat ik zo ben grootgebracht. Ik heb nu nog steeds geen positieve associatie met het geloof.”

Er waren twee kabouters, At en Ot, zo klein dat zij niet in de mensgeloofden, alleen een beetje in god.

Uit: ’Verhaaltje voor jullie’

„Religie is een manier van naar de werkelijkheid kijken. Net zoals een musicus of een schilder op een bepaalde manier naar de werkelijkheid kijkt.

Het is wel een boeiende vraag: ’Als ik in het heelal kijk, wat zou daar zijn?’ Maar voor mij is de wereld zoals die is. Zijn en niet-zijn sluiten elkaar uit, dat leert de antieke filosofie al. De wereld is wat het geval is, alles wat je ziet is er, wat je niet ziet is er niet. God is een hersenschim voor mij. Ik wil niet zeggen dat ik blíj ben dat ik geen geloof heb, maar het doet er gewoon niet toe.”

Je leest: dit uitzicht is het gevalen: het geheim van de wereld is het zichtbareniet het onzichtbare.

Uit: Over het hiernamaals

„Wij lopen hier rond op de aarde, en het heeft geen enkele bedoeling. Vragen als: ’Waar komen we vandaan?’, ’Waar gaan we heen?’, ’Wat is de zin van het leven?’, dat zijn voor mij geen goede vragen. Er ís geen antwoord. Er ís geen zin. Klaar. Het interesseert me wel in natuurwetenschappelijke zin: uit niet-levende stof is op een gegeven moment leven ontstaan. God mag weten hoe dat is gegaan; hoe dode materie ooit is overgegaan in leven.

Maar in religieuze zin houdt het me niet bezig. We zijn er niet helemaal voor niks; we zijn er om een redelijk leven te leiden, een bestaan dat bijdraagt aan het geluk van anderen. Maar als we dood zijn, is het afgelopen.

Voor sommige mensen is dat een onverdraaglijke gedachte. Voor mij is de totale zinloosheid van dit ’gedoe’ een ontroerende gedachte. Als ik in een dal kijk, naar de dorpjes, de koeien, de paarden en hier en daar een vogel, dan bedenk ik me: dit is gewoon allemaal nergens voor bedoeld, niet voor mij om aangenaam te vinden, niet om het gras te maaien en er later hooi van te maken, niet om die schaapjes op te eten, het is er, zomaar. Dat is voor mij ontroerend.”

Nee er is geen hoop, hoop vervliegtweer als je bij de borrel, in het uur van de waarheid G hoort menen dat de dichter niet weet wat hij doet.

Uit: ’Er is geen hoop’

„Vroeger lazen we thuis elke dag de Bijbel, dat was voor ons als kinderen één groot sprookjesboek. Ook werd er gebeden voor en na het eten. Dat er een God was, een duivel, een hel en hiernamaals, was voor mij een tijdje pure werkelijkheid. Nu ben ik zelf ook hartstikke achristelijk. Het interesseert me geen enkele moer.

Maar wat ik wel herken: de angst voor de hel die op de loer ligt. Stel je voor dat je het mis hebt? Dat je later wél voor eeuwig zult branden? Die angst voor straf is bedoeld om mensen in het gareel te houden. Diezelfde angst beheerst Hans Sievez, de hoofdpersoon in ’Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink. De sterfbedscène in die roman, waarin de vrouw van Hans niet bij zijn bed mag komen, is gruwelijk; hij wil geen enkele kans lopen dat hij in de hel komt. Als je van jongs af aan opgegroeid bent met een dergelijke angst, dan kun je je daar later maar moeilijk aan onttrekken.”

En in dit liefelijk landschap de zoon van de maker, aan een boom genageld,maar geen spoor van geweldof verzet, alleen maarvrede, rust.

Uit: ’Al die mooie beloften’

„Ik ben nooit bestempeld als christelijk auteur. Integendeel. Ik heb felle kritiek gehad op het christelijk geloof. Bovenstaande regels over Jezus aan het kruis zijn niet echt christelijk te noemen. Maar ik heb er nooit twijfel over laten bestaan dat religie als gemoedsbeweging een menselijke ervaring is, net zoals mededogen dat is, of seksualiteit, en dat het in die zin dus belangrijk is. Ik vind het goed dat religie serieus genomen wordt; het hoort bij het menselijk leven. Maar het levert geen goede literatuur op; voor mij hebben dergelijke boeken een valse boodschap. ’Het christendom als verlossing’, dat hoeft voor mij niet.”

Ik was moe en in gedachtenging ik de bergen weer in, hoger en hoger,naar die eenzame heldere wereld van steen,zat daar weer in de wind en keekin de diepte.

Uit: ’Gesprek met de wandelaar’

„Als je mystiek omschrijft als een religieuze ervaring, los van godsbeeld en dogma’s, dan herken ik dat wel. Kijkend in een dal heeft de diepte iets angstaanjagends, maar ook iets aantrekkelijks. Of als je je vereenzelvigt met een vogel die onbekommerd heel hoog in de lucht vliegt, of als je omhoogkijkt naar het hoge gewelf in een kerkgebouw. Dat kan iets oproepen wat je mystiek zou kunnen noemen.

Ik heb meerdere keren over een dergelijke ervaring geschreven. In het gedicht ’Tijd’ bijvoorbeeld, en in ’Koraal’. Of in bovenstaand gedicht ’Gesprek met de wandelaar’. Ik heb die ervaring vooral bij berglandschappen, het ’sublieme’ landschap: diepe dalen, hoge toppen. Dáár zijn, daarin opgaan zodat er geen grens meer is tussen jou en de wereld. Als je op de top van een heuvel staat en er verder niets meer is, alleen nog maar de wind. Maar ik noem dat geen religieus gevoel, want het heeft niet met God te maken, niet met de hemel, niet met een hiernamaals. Het heeft wel met ruimte te maken, grenzeloze ruimte en gewichtloosheid. Een ander zou dat wellicht ’God’ noemen, maar dat zou betekenen dat God niets is, want op zo’n moment sta je oog in oog met het niets.”

Die dagen met jou G, ze smaakten heel hevignaar weinig.

Uit: ’G’

„God is aanwezig, anders kun je hem niet aanspreken, maar zonder dat je weet wie hij is. God is een onbruikbaar begrip, God staat voor een werkelijkheid die niet kenbaar is. In mijn jeugd stond God voor straf, belofte, hoop, geruststelling, vergeving, al dat wat een mens beweegt.

Maar daarin is hij niets anders dan een projectie van wat wij aan menselijke eigenschappen hebben. De belangrijkste eigenschap van God is dat hij niet bestaat. Dat kan niemand hem nadoen. Daarin is hij uniek.

Heel veel van wat ik geschreven heb, heeft te maken met een gesprek met een niet-bestaande ander, waarvan iedereen zich kan verbeelden dat hij het is. Veel mensen voelen zich letterlijk door mijn werk ’aangesproken’, voelen zich onderdeel van een gesprek met mij, alsof ze van míj een soort god maken, waardoor ze zich begrepen voelen, verstaan voelen. Dat zit misschien ook wel in poëzie tout court, dat mensen hebben: ’dat is voor mij bedoeld’. Ze herkennen iets waarvan ze nog niet wisten dat ze het kenden. Dat is ook de ervaring van de wetenschapper, als je eindelijk iets ontdekt: ’Natuurlijk is het zo, dat wist ik eigenlijk wel!’ Je herinnert je iets, waarvan je nog niet wist dat je het wist. Die ervaring is voor mij aanleiding om een gedicht te schrijven en de lezer daarin te laten delen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden