Review

'Gij kunt er niets aan doen, dat gij minder zijt dan ik'Superieure biografie van Harry Prick over Lodewijk van Deyssel

Toen Lodewijk van Deyssel op 26 januari 1952 stierf, hij was zevenentachtig jaar oud, legateerde hij zijn gehele schriftelijke nalatenschap aan zijn jonge vriend Harry G. M. Prick. Deze stond sinds oktober 1942, nog maar net zeventien, met de schrijver in een epistolaire en al gauw vriendschappelijke relatie, en was de letterlijk aangewezen persoon om de biografie van de befaamde Tachtiger te schrijven. Prick heeft de met het legaat verbonden opdracht aanvaard en van 'Van Deyssel', de schrijversnaam van Karel Alberdingk Thijm, zijn levenstaak gemaakt, al mag daarbij niet vergeten worden dat ook andere schrijvers, zoals Frans Erens en Pierre Kemp, veel aandacht van hem hebben gekregen.

In de loop van de tijd heeft Prick niet alleen het reeds gepubliceerde werk van Van Deyssel opnieuw uitgegeven en omstandig becommentarieerd, hij heeft ook talloze geschriften en documenten uit de nalatenschap openbaar gemaakt. Dit heeft er toe geleid dat in de literatuurgeschiedschrijving de rol en de betekenis van Van Deyssel onmiskenbaar zijn vergroot. Ook de kennis van zijn leven, naast die van zijn werk, werd door Prick in een menigte studies en opstellen vermeerderd, maar daarmee bestond natuurlijk nog niet die verhoopte biografie.

Het probleem met Van Deyssels biografie, in tegenstelling tot die van bijvoorbeeld Couperus, is niet een gebrek aan bronnenmateriaal, maar juist een welhaast onoverzienbare overvloed. Van Deyssel heeft zoveel levensverrichtingen, ook van de futielste soort, genoteerd en beschreven, en bovendien alles bewaard - Prick gewaagt van een “enorme baaierd van brieven en documenten” - dat de biograaf kampt met een teveel en dat is een situatie die remmender werkt op de totstandkoming van de biografie dan wanneer er maar weinig zou zijn overgeleverd.

Zeker is dat zo in het geval van Prick, die blijkens zijn publicaties de details een warm hart toedraagt, altijd volledig verantwoord wil zijn en in alle opzichten uitermate punctueel tewerkgaat. Met een bijna innig genoegen, zij het ook vaak ook met ironische ondertonen, kon Prick in zijn Van Deyssel-studies de feiten tot in onderdelen van onderdelen uiteenrafelen, zijsporen inslaan die hem in dit verband mede van belang leken, citaten inlassen van soms niet geringe omvang. Heel zijn werkwijze leek eigenlijk ongeschikt voor zoiets als een biografie, waarin de feiten hun plaats moeten krijgen in het grote verband van een leven en waarin toch althans een zekere mate van synthese, bij alle natuurlijk ook wenselijke detaillering, noodzaak is.

Toch is het Prick gelukt en wat mij betreft op een waarlijk superieure manier. Vandaag verschijnt het eerste deel, 'In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890'. Het is een zeer omvangrijk werk geworden van meer dan negenhonderd bladzijden tekst, waar nog een paar honderd bladzijden noten, bibliografie en index achteraan komen. En het is nog maar deel één. Het tweede deel zal de rest van Van Deyssels leven beslaan en hoewel daar meer jaren in het geding zijn, kan het volgens Prick op een andere manier, minder in details tredend en minder citerend, geschreven worden.

Prick vertelt Van Deyssels levensverhaal in twaalf hoofdstukken, die lopen van zijn geboorte in 1864 tot en met de dood van zijn vader, J. A. Alberdingk Thijm, in 1890. Omdat er zoveel, ook nog nooit openbaar gemaakt materiaal bestaat en er soms van dag tot dag, of van uur tot uur gegevens bestaan, die interessant zijn om mee te delen, heeft Prick de hoofdstukken weer onderverdeeld in een menigte kleine onderhoofdstukken met sprekende koppen als 'Liever deugniet dan Brave Hendrik', 'Eerste Zola-lectuur en literaire vingeroefeningen', 'Op kamers in de Plantage'. Op die manier is hij in de gelegenheid een zowel rijk gefacetteerd beeld van Van Deyssels leven te geven, en van de kringen waarin deze zich bewoog, als terzake zoveel mogelijk in details te treden. De lijn van het verhaal blijft aldus zichtbaar, maar Prick hoeft tezelfdertijd zijn aard niet te verloochenen, wat de sprekende details, de minutieuze dateringen, de gulle citaten betreft.

Het superieure van deze biografie noem ik die duidelijk uit alles blijkende greep die Prick heeft op de baaierd van zijn brieven en documenten, en op de kolossale hoeveelheid secundaire literatuur waar hij naar verwijst. Daar komt nog bij dat Pricks eigen stijl van schrijven altijd mooi en amusant is en dat hij een zuiver gevoel heeft voor de juiste, de meest sprekende citaten uit berichten van anderen. Misschien het enige wat soms detoneert wat al te grage afstraffingen van Michel van der Plas, de biograaf van J. A. Alberdingk Thijm, de vader van Karel.

In de biografie van Van Deyssel behoren zijn verhouding tot zijn vader en moeder vanzelfsprekend tot de telkens terugkerende kwesties, maar ook die tot zijn veel oudere broer Frank en zijn zuster Catharina zijn van belang. Frank vervulde een voorbeeldfunctie en heeft bijgedragen tot het dandy-gedrag dat Karel ging vertonen: mooie, dure kleren kopen, veel dassen, parfums, hoeden, sigaren, lekkernijen. Het baarde zijn ouders telkens weer zorgen dat hij een gat in zijn hand had en gemakkelijk hoge schulden maakte.

In Rolduc, waar hij schoolging, bleek hij uiteindelijk niet te handhaven en werd hij verwijderd omdat hij in het openbaar, uit balorigheid, gepiest had in een zomerhoed. Na dit internaat gaat Karel werken in de boekdrukkerij en het antiquariaat van zijn vader, hij krijgt een goeverneur, maar uit alles blijkt dat hij aspiraties heeft om net als zijn vader in de letterkunde iets te gaan betekenen. Al op 15-jarige leeftijd schrijft hij voor zijn moeder een studie over Thomas a Kempis' 'Navolging van Christus'.

Twee jaar later komt hij zijn vader te hulp, onder de schuilnaam Lodewijk van Deyssel, en dat is het begin van een stormachtige loopbaan als scribent in diverse tijdschriften. Het zijn deze eerste jaren van literaire activiteit, 1881, 1882, 1883, die Prick krachtig portretteert en waarbij men zich telkens ervan bewust moet blijven dat ze het leven en het werk beschrijven van iemand die nog lang geen twintig is!

Er is veel over de Tachtiger-beweging geschreven, maar nu wordt het gedaan vanuit het perspectief van Van Deyssel, die in 1882 toen hij Kloos voor het eerst ontmoette weliswaar van mening was dat hij God zelf de hand had gedrukt, maar die lange tijd afzijdig is gebleven van De Nieuwe Gids. De redenen daarvoor blijken uit deze biografie.

Interessante onderwerpen zijn voorts Karels geloofsafval, waar zijn vader het factotum der katholieke emancipatie was; de liefdesaffaire met toneelspeelster Theo Frenkel, de latere Theo Mann-Bouwmeester; het losbandige, wellustige leven, met bordeelbezoek, financiële uitspattingen en al; de nooit verstuurde brief aan zijn vader:

“Gij kunt er niets aan doen, dat gij minder zijt dan ik, dat gij mij niet begrijpt, dat gij, voor de zooveelste maal in de geschiedenis, het misselijke verschijnsel vertoont van een vader, die, als deel uitmakende van een generatie en van een maatschappij, vreemd opkijkt van en zich verzet tegen de kunst van zijn grooten zoon.”

Van Deyssel woonde toen al, getrouwd en wel, in Houffalize, in de Ardennen. Zijn huwelijk, met het dienstmeisje van zijn ouders, dus ver beneden zijn stand, kondigde hij uiterst curieus en geheel geënsceneerd bij zijn ouders aan door een voornamelijk in het Frans gestelde verklaring voor te lezen, thuis aan tafel. De hele commotie die er dan omheen ontstaat, vooral vanwege het feit dat verloving en huwelijk in Van Deyssels optiek vrijwel op stel en sprong moeten plaatsvinden - het zal wel iets te maken hebben met zijn “koïtus-behoevende gestel” - wordt door Prick tot in de puntjes beschreven. Ook de geldelijke aspecten van de zaak blijven niet onderbelicht.

Over geld en inkomen gaat het bij voortduring. De ouders waarschuwen en mopperen (zij ondersteunen hun zoon, maar niet tot alle prijs), schrijven brieven, proberen hun zoon in zijn uitgavenbeleid op het goede, deugdzame pad te houden, maar dat lukt eigenlijk nooit. Gaat hij in Hotel du Nord in Laroche logeren, dan laat hij zich daar het eten smaken “met zijn omeletten van zestig groote versche kippeneieren, omeletten zoo groot als tafeltjens, met zijn ouden Bourgogne, zijn ouden rhum, zijn zware reebouten, zijn hammen, zijn vette, machtige soepen, zijn gebraden kippen, haantjes en hazen, zijn wilde-zwijnen-vleesch, zijn eenden en ganzen, Ourthe-kreeftjes en forellen, zijn lijsters en houtsnippen, zijn lamschvlees”.

Aan het eind van de periode, in 1890, is Van Deyssel een beroemdheid, hij heeft zijn grote en geruchtmakende opstellen geschreven, zijn romans 'Een liefde' en 'De kleine republiek', hij heeft zijn tijd gehad van immense werkdrift en zijn tijd van veel moeite met het 'werkleven'. Hij is al geworden de 'ontoerekenbare neurasthenicus', de man die de honderden bladzijden heeft geschreven van zijn 'Woordenboek van Huishouding en Hygiëne', waarin inventieve manieren zijn opgenomen van onanie-bestrijding of van zoals hij het noemde “de semi-dormitionele onanie”. Tijdens de geboorte van zijn zoon zit hij een avond en een nacht lang te praten met de dokter over Mallarmé. Als Kloos in Houffalize komt, even daarvoor, is hij opgelucht als de verlopen godheid weer verdwenen is. Als zijn vader gestorven is, kan hij maar moeilijk tot de ervaring van verdriet en rouw komen.

Lodewijk van Deyssel, in al zijn tegenstrijdigheden en gecompliceerdheid, is door zijn al jong aangenomen biograaf zonder enig vooroordeel, niet zonder enige ironie (zie ook de titel van het eerste deel), geportretteerd en onvergetelijk gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden