Review

Gezellejaar helpt dichtende priesters aan nieuwe aandacht

Zeventien negentiende- en twintigste-eeuwse bekende en minder bekende priester-dichters zijn onlangs van het stof der geschiedenis ontdaan dankzij een initiatief van Trajecta, tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden. In het Gezellejaar 1999 zag de redactie een goede aanleiding een themanummer samen te stellen over het genre van de priester-poëzie in Vlaanderen en Nederland.

Priester-dichters en dichtende dominees behoren sinds de Reformatie en Contrareformatie tot de literatuurgeschiedenis van de Nederlanden, maar hebben het, ondanks een grote opleving in de negentiende eeuw, altijd moeilijk gehad, als het om erkenning ging: bekend waren ze vaak alleen in de eigen, confessionele gemeenschap. De literaire wereld daarbuiten zag het priester- of domineesambt als een beperking voor het ware dichterschap.

Met zijn Predikantenlied bracht de Tachtiger Frederik van Eeden, onder het pseudoniem Cornelis Paradijs, de priester-poëten een zware slag toe:

Velen, die men dichters heet,

kost het dichten droppels zweet,

maar in 't priesterlijk pakje

gaat het van een leien dakje.

Overigens konden de dichtende dominees op eenzelfde behandeling van Paradijs rekenen, zoals de dominee-dichter J.J.L. ten Kate in het navolgende hekelvers:

Ten Kate! Ten Kate!

O koning der cantate!

Die hupp'lend in het priesterkleed,

Den Lusthof onzer taal betreedt.

In Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst (1913) werkt Van Eeden zijn vernietigende oordeel nader uit: ,,In de geschiedenis der cultuur staan dichter en priester tegenover elkander. De dichter toch vertegenwoordigt de vrije waarheid, de priester de geketende. De dichter eert den bewegelijken levenden God, de priester den in dogma en ritueel versteenden, het doode beeld. De dichter is de vinder van oorspronkelijk geluid en nieuwe expressie, de priester zweert bij zijn gebeden en formulen, zijn rhetoriek en zijn sofismen.''

Mede dankzij de kwaliteit van Guido Gezelle wist de priester-dichter zich in het katholieke Vlaanderen meer aanzien te verwerven dan in het confessioneel gemengde Nederland. Toch werden ook de meeste Zuidelijke priester-dichters niet opgenomen in de standaardwerken van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Van de zeventien priester-dichters wier werk in het themanummer van Trajecta wordt beschreven zijn er acht van Nederlandse bodem: Dorus Asselbergs (1870-1947, de heeroom van Anton van Duinkerken), H.J.A.M. Schaepman (1844-1903), A.M.J.I. Binnewiertz (1879-1942), W.H.A. Smulders (1879-1942), de Betuwse pater-jezuïet Bernard van Meurs (1835-1915), Jacques Schreurs (1893-1966), en van de jongere, nog in leven zijnde garde, de ex-priester Huub Oosterhuis en de ooit-bijna-priester Michel van der Plas.

Op Van der Plas en Oosterhuis na, zullen deze priesters inderdaad niet meer veel gelezen worden. Toch kan de naam van een enkeling ook postuum nog onverwacht opduiken. Zoals die van de Limburgse priester Jacques Schreurs, aan wie de neerlandicus-antropoloog Theo Schouw in het themanummer een bijdrage wijdt. Van Scheurs verschenen twaalf dichtbundels, zes romans, vier biografieën, twee reisboeken, honderden gelegenheidsgedichten en eenendertig toneelstukken -leken-, massa-, passie-, hoor- en wagenspelen.

Zijn bekendste roman was de, op Georges Bernanos' Journal d'un curé de campagne geïnspireerde trilogie 'Kroniek eener parochie', waaraan hij van 1940 tot 1947 werkte. De verandering van het Limburgse land door de komst van de mijnen was het centrale thema van de Kroniek. De hoofdpersoon, kapelaan Odekerke, verandert mee. Hij tobt over socialisme, liberalisme, roeping en seksualiteit. In de Kroniek maakt de lezer kennis met het priesterleven van alledag in een Limburgs mijndorp. Schreurs, die zelf kapelaan was in de volksparochie Overhoven-Sittard, gunt hem een blik in de pastorieën, met onhandig mannengedoe en gebrek aan goede smaak, met drank, een intellectueel ondermaats klimaat, eenzaamheid, verlangen naar warmte en vriendschap en alle geroddel daaromheen. De belevenissen van kapelaan Odekerke doorstonden de tand des tijds zo goed dat de KRO er in 1978, twaalf jaar na Schreurs' dood, de populaire tv-serie Dagboek van een herdershond aan wijdde.

Maar ook zijn passiespel Van Gabba tha naar Golgotha overleefde de auteur ruimschoots. In de loop der jaren lokte dit spel uit 1937 vele honderdduizenden naar Tegelen. De première was in 1940. Nadien werd het om de vijf jaar opgevoerd. De bezoekersaantallen waren enorm: in 1946 115000, in 1950 150000, in 1955 zelfs 160000. Daarna varieerden de aantallen van 15000 in 1973 tot 60000 in 1980. Toen kwam de terugslag die de organisatoren ertoe bracht eerst Hans Berghuis en nadien Thomas Verbogt te vragen het spel te 'herschrijven'. Zij haakten uiteindelijk af. Dit voorjaar vond de première plaats van de zeventiende editie van het Tegelense passiespel. Filmregisseur Ben Verbong stak het spel in een moderne jas en nam afscheid van de tekst van Schreurs, die naar zijn smaak teveel roomse ballast bevatte en te weinig psychologische diepgang had.

Priester-dichters in Nederland en Vlaanderen; themanummer van Trajecta, Katholiek Documentatie Centrum, postbus 9100, 6500 HA Nijmegen, 153 pg, fl 20.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden