Gertjan Scholte-Albers schildert altijd buiten, 'Het mooie van olieverf is dat het niet bevriest'

Beeld Reyer Boxem

Landschapsschilder Gertjan Scholte-Albers schildert altijd buiten, in weer en wind. 'Het mooie van olieverf is dat het water afstoot en niet bevriest.'

Gertjan Scholte-Albers trekt snel een tak opzij. "Kijk uit voor je kleren", waarschuwt hij. Op de bladeren zitten verfspatten. Als hij 'lekker ruig' aan het schilderen is, wil er weleens een klodder olieverf naast het doek belanden in de struiken.

De kunstenaar heeft laarzen meegenomen voor de verslaggeefster, want het heeft die nacht flink geregend in Groningen. Toen hij 's ochtends om half acht zijn schildersezel neerzette op deze moddderige, verscholen plek in het Abelstokbos - ergens halverwege tussen de dorpen Wehe-den Hoorn en Mensingeweer - was het nog steeds niet droog. Maar dat deert hem niet. Dan schildert hij 'tegen de wind in' en spant hij een groot zeil achter het schildersdoek, dat hij een beetje naar voren laat hellen. Af en toe wat regendruppels in de verf is ook niet erg. "Het mooie van olieverf is dat het niet bevriest en water afstoot."

Beeld Gertjan Scholte-Albers

Landschapsschilder Gertjan Scholte-Albers (Valthermond, Drenthe, 1971) komt al jaren in dit bos, 'mijn privé-atelier'. Het is een van zijn favoriete schilderlocaties in de natuur. Eigenlijk verklapt hij deze plek liever niet. "Toen ik hier twintig jaar geleden voor het eerst kwam, zag je nooit iemand. Sinds er een fietspad is aangelegd is het drukker geworden. Mensen willen dan een praatje maken, wat me maar afleidt van het werk. Daarom vind ik het hier zo fijn in de winter, dan is het doodstil."

Het bos ligt niet al te ver van zijn huis in Winsum. Meestal pakt hij de scooter, omdat hij daarmee gemakkelijk om de bomen en het struikgewas heen kan manoeuvreren, op zoek naar een plek met mooi licht en - heel belangrijk - diepte. Hij wijst: "Kijk eens die kant uit, langs de bemoste takken van die oude appelboom. Zie je hoe je telkens weer verder kunt kijken tussen de struiken en stammen door? Het mooie en uitdagende is dat het ook zo weer anders kan zijn als de zon verdwijnt, de wind wegvalt of als het gaat schemeren. Dat heb je allemaal niet in een atelier."

Buiten gaat het vanzelf

In het laatste jaar van de Kunstacademie in Enschede ontdekte Scholte-Albers hoe anders het is om buiten te schilderen en niet 'tussen de olieverfdampen' in een atelier. "Buiten schilderen was not done in die tijd, dat was ouderwets. Maar ik vond het een openbaring, het licht, de diepte. Je voelt de omgeving heel intens en dat gaat ook in je schilderij zitten. Buiten gaat het schilderen ook haast vanzelf."

Scholte-Albers beschouwt zichzelf als een 'en plein air-schilder' pur sang (zie kader). Er zijn meer kunstenaars die bij goed weer buiten hun ezel opzetten of in de natuur tekeningen en schetsen maken om die in het atelier uit te werken tot een schilderij. Scholte-Albers schildert uitsluitend buiten, ongeacht het seizoen, in weer en wind, vaak op grote doeken van 1 bij 2 meter, soms zelfs twee- of drieluiken. In Het Hogeland in Groningen, waar hij na de Kunstacademie ging wonen vanwege het mooie landschap, is hij uitgegroeid tot een bekende verschijning met zijn scooter met daarachter een aanhangwagentje, waarin hij zijn materialen vervoert. Ook achter zijn fiets kan hij een karretje hangen. Alleen bij verre ritten, bijvoorbeeld naar de naaldbossen in Drenthe of soms de Veluwe, pakt hij zijn bestelbus waarin ook zijn vrouw en vier dochters met gemak passen. Meestal gaat ook de fiets met aanhangertje mee in de bus, zodat hij daarmee dieper het bos in kan gaan, zonder te hoeven zeulen met spullen.

Beeld Gertjan Scholte-Albers

De aanhangwagen zit niet alleen vol schildersmaterialen, waaronder drie emmers die elk gevuld zijn met zo'n dertig verftubes. Er zijn veel meer dingen nodig op de lange dagen die hij doorbrengt in de natuur: boterhammen, drinken, deet tegen de muggen (het stikt er van deze dag), zonnebrand, een boek en een nietpistool voor de lappen zeildoek waarin Scholte-Albers de nog natte doeken verpakt op de terugweg. Dat roept meteen de vraag op hoe hij dat voor elkaar krijgt zonder de natte verflaag te beschadigen. Daar heeft hij een simpele oplossing voor bedacht. Hij vervoert de doeken altijd twee aan twee, met de beschilderde kant naar elkaar toe. Aan de zijkant van de doeken timmert hij een plankje dat zorgt voor een kleine tussenruimte. In de loop der jaren word je steeds handiger, vertelt hij. Het overkomt hem nog maar zelden dat de ezels - hij zet er altijd twee naast elkaar - met het schilderij erop omwaaien. "Bij harde wind hang ik er een emmer met verftubes aan."

De laatste jaren heeft hij steeds meer succes met zijn schilderijen, die de aandacht trekken door de opvallende kleuren van de bomen en landschappen. Hij exposeert regelmatig in galerieën verspreid over het land en had een expositie in het Coda Museum in Apeldoorn. "Dat ik zover zou komen, had ik nooit verwacht", zegt hij. De eerste jaren na de Kunstacademie was er amper belangstelling voor zijn werk. Daarom werkte hij ernaast als onderhoudsmonteur. Dat was niks voor hem, hij liet zich omscholen tot docent basisonderwijs.

"Ik vind kinderen leuk en lessen handvaardigheid en tekenen ook, maar taal- en rekenlessen waren niet mijn ding. Ik zat er toen echt doorheen, tot op een dag de Kunstuitleen in Amsterdam twaalf schilderijen aankocht. Toen ging het ineens lopen. Kunstenaar zijn is een onzeker vak. Het is als met een rubberbootje de oceaan opgaan, zei een docent op de Kunstacademie. Waarom ik het gered heb? Keihard werken. Wat misschien ook geholpen heeft is het winnen van de Buning Brongersprijs.

"En bidden. Ik ben gelovig en heb veel gebeden in die moeilijke periode." De eerste jaren na de academie had hij, vertelt hij, nog heel erg de behoefte om zijn geloof ook nadrukkelijk in zijn schilderijen te uiten door bijvoorbeeld religieuze thema's te kiezen. "Maar iedereen kan religieuze kunst maken, daarvoor hoef je niet te geloven. Ik leg het er niet in, maar als mensen in mijn schilderijen het wonder van Gods schepping zien, dan mag dat."

Beeld reyer boxem

Elke dag verwondert Scholte-Albers zich weer over de 'overweldigende diversiteit' van de natuur. Toch zien de bomen er op zijn schilderijen nooit uit zoals wij ze zien. Hij wil ook niet de werkelijkheid weergeven, maar zijn beleving ervan. Op het doek waaraan hij deze dag werkt, vlamt de stam van de oude appelboom oranje op. Andere bomen kleuren vurig rood en fluorescerend magenta tegen een citroengele lucht en paarsblauwe achtergrond.

Zijn schilderijen zijn niet alleen kleurenexplosies, er gebeurt ook heel veel op zijn doeken in schilderkunstige zin. Hij heeft de verf erop gespat, in hele dunne veegjes aangebracht of juist in pasteuze streken uitgesmeerd, om er vervolgens in te krassen of delen weer weg te schrapen. Je ziet er de stijl in van Jackson Pollock, die de verf in druppels en slierten op het doek liet vallen. Maar ook andere schilders inspireren hem, vooral wat betreft het kleurgebruik, zoals Vincent van Gogh, de kunstenaars van De Ploeg, Jan Sluijters en andere schilders die werkten in de stijl van het luminisme. "Die enorme variatie en dynamiek zitten ook in de natuur."

Omgekeerde kleurencirkel

Het weer is ook van invloed op hoe Scholte-Albers werkt. Op een winderige dag als vandaag, waarbij ook nog eens voortdurend wolken voor de zon schuiven, schildert hij vanzelf wat 'ruiger'. "Het is me haast te onrustig", zegt hij met een keurende blik op het schildersdoek. Niet elk schilderij lukt. Het komt voor dat hij na een dag werken weer helemaal opnieuw begint. Ook de kleuren zijn een weerslag van wat het landschap met hem doet, al kiest hij altijd tinten die je normaal gesproken niet ziet. "Dat begon met een soort omgekeerde kleurencirkel. Waarbij ik ook de contrasten in het landschap omkeerde: wat licht is wordt donker en donker wordt licht. Op dit schilderij is de lucht citroengeel, maar door de oranje grondlaag die er doorheen schemert zie je ook roze vlakken. Dan ga ik kijken welke achtergrond daarbij past, in dit geval paarsig blauw. Ik werk altijd van achteren naar voren, ook bij de bomen. Daar zit oranje in en ook rood, kleuren die contrasteren met de achtergrond maar ook harmoniëren met de lucht. Door zo te werken ga je veel nauwkeuriger kijken naar de contrasten en variaties in het landschap. Elke dag zijn die weer anders. Ik raak er nooit op uitgekeken. Al maak ik op deze plek nog zoveel schilderijen, ze zijn allemaal verschillend."

En plein air schilderen

Halverwege de negentiende eeuw verlieten veel kunstenaars hun atelier om buiten te gaan schilderen, in de vrije natuur. Deze trend was het gevolg van wat een van de grootste innovaties in de schilderkunst wordt genoemd: de uitvinding van de uitknijpbare verftube, door de Amerikaan John Goffe Rand. Vanaf de zeventiende eeuw trokken schilders er ook wel op uit, maar dat was voornamelijk om tekeningen en schetsen te maken met potlood en inkt, die later werden uitgewerkt in het atelier.

Beeld Gertjan Scholte-Albers

Door de tube werd het zo simpel om de olieverf mee naar buiten te nemen, dat het 'en plein air' schilderen een hoge vlucht nam. Dat had ook te maken met de manier waarop er in die tijd in de schilderkunst naar de natuur werd gekeken. De overweldigende natuur moest in al haar facetten en momenten worden vastgelegd. En dat kon het beste door er midden in te gaan zitten. Bekende aanhangers van deze stroming waren de kunstenaars van de school van Barbizon in Frankrijk, met schilders als Corot, Daubigny en Rousseau, die naar het bos van Fontainebleau trokken om in de open lucht de echte natuur en het landleven vast te leggen. In hun kielzog trokken ook in Holland de schilders van de Haagse School naar buiten. J. H. Weissenbruch, Anton Mauve en Willem Roelofs schilderden in een bootje op de plassen bij Noorden, in de polders rondom Den Haag of op de duinen en het strand van Scheveningen. Aan het einde van de negentiende eeuw raakte het en plein air schilderen uit de mode.

Het Singer Museum in Laren wijdt vanaf 4 september een tentoonstelling aan dit fenomeen. Op En Plein Air - Honderd jaar buiten schilderen zijn schilderijen te zien uit de eigen collectie van onder meer Mauve, Daubigny, Monet, Breitner en Hart Nibbrig.

Lees ook:

Veerwolken, bloemkoolwolken en regenwolken: de lucht verveelt schilder Willem den Ouden nooit

'Wolkenschilder' Willem den Ouden is 90 geworden en dat wordt gevierd met twee tentoonstellingen. De kunstenaar vertelt over prachtwolken, cirruswolken, veerwolken, bloemkoolwolken, regenwolken en wolkenflarden die hem blijven inspireren.

Totaal verschillende schilders met geloof als verbindende schakel, je wordt er stil van

Het zijn werelden van verschil, die van de schilders Pieter Pourbus (1523-1584) en Henk Helmantel (1945). En toch zijn ze verbonden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden