Review

GERDA DENDOOVEN TREKT VLAAMSE SCHOOL VAN ILLUSTRATOREN

Sindsdien is ze expressiever en associatiever geworden, op het surrealistische af, terwijl haar prenten wel toegankelijk en verhalend blijven. Voor 'Strikjes in de struiken' (1994) volgde nog een Boekenpauw en in 1995 werd ze door België voorgedragen voor de Hans Christian Andersenprijs. Terwijl Vlaanderen geen illustratietraditie kende - alleen faam op het gebied van strips -- is met Gerda Dendooven sinds een jaar of vijf een ware 'Vlaamse School' van illustratoren opgestaan.

Gerda Dendooven woont met vriend en twee dochtertjes van 61/2 en 21/2 in Gent, in een groot huis aan een kade. Ze komt net van de Gentse Hogeschool voor Wetenschap en Kunst, waar ze zestien uur per week Grafische Vormgeving geeft. In haar kleine atelier, op drie-hoog, vertelt ze:

“Ik kom niet uit een artistiek gezin. Mijn vader was bediende (ambtenaar) bij de spoorwegen. Bij ons thuis werd alleen maar gewerkt. Elke seconde moest gebruikt worden om iets nuttigs te doen. Als ik een boek ging lezen was het: Weet je niets beters te doen? Er moet nog gestreken worden, of de prinsessebonen moeten nog geplukt. Toen ik na mijn Humaniora (een soort gymnasium-alfa) besloten had naar de Kunstacademie te gaan vonden mijn ouders dat eerst niet goed. Voor hen was kunst iets om erbij te doen, als hobby. En als vrouw kon je maar beter je kinderen opvoeden. Nog steeds heeft mijn moeder het er moeilijk mee dat mijn kinderen naar de opvang gaan.”

“Eigenlijk is alles zo'n beetje gekomen door Grieks en Latijn, en doordat ik op school klassieke toneelstukken ging spelen. Die kunstgeschiedenis is zo boeiend, en je leert echt teksten analyseren. Je zoekt naar andere lagen dan de meest voordehandliggende. Dat merk ik ook bij mijn studenten: degenen die Grieks en Latijn hebben gedaan gaan inhoudelijk dieper op een opdracht in. 't Resultaat is er niet beter om, maar 't is wel plezanter om over te praten.”

“Het was aanvankelijk niet de bedoeling om kinderboeken te maken. Als ik dan hier op de Kunsthogeschool zat tekende ik altijd vrouwen. Niet echt erotisch, maar van die struise madammen, zoals wij hier zeggen. Ken je die fotoboeken van Lartigue en Brassaï, uit het Parijs van de jaren twintig? Die hebben me geïnspireerd om grote linosnedes en zeefdrukken van vrouwen te maken. Ik was de enige in mijn richting die figuratief werkte. Het was begin jaren tachtig, de tijd van de conceptuele kunst, en daar kwam ik met mijn madammen. Dat werd dus niet gewaardeerd. Terwijl 't niks realistisch was! Ik voelde me geïnspireerd door de Jonge Wilden in Duitsland: Baselitz, Kiefer, Enzo Lucchi. Dat was toen nieuwe figuratieve kunst, die weer beïnvloed was door de Duitse expressionisten van de jaren twintig en dertig: Die Brücke, Der Blaue Reiter, George Gross, Otto Dicks, Beckmann. Ik heb daar stapels kunstboeken van.”

Er zijn meer inspiratiebronnen herkenbaar in het werk van Gerda Dendooven. Verbazend veel, en ze gaat er heel bewust mee om. Picasso in de vorm van de gezichten, Chagall in de zwevende en vervormde voorwerpen, Modigliani in de lange dunne ledematen, Dada in het denken, het expressionisme in het aan de laars lappen van de wetten van perspectief en verhoudingen terwille van de expressie: “Kinderen begrijpen dat,” zegt Gerda Dendooven. Ze noemt de Nederlandse Fluxusbeweging, “een soort neo-Dada uit de jaren zestig,” met Wim T. Schippers. En Andy Warhol uit de tijd vóórdat hij met zijn Marilyn Monroe kwam en nog illustrator was.

Kinderboekillustratoren met wie ze zich verwant voelt waren vroeger Quentin Blake en Björn Berg (die veel voor Astrid Lindgren tekende), maar nu Wim Hofman en Rotraut Susanne Berner. De omslag van het nieuwste boek van Toon Tellegen, 'Dokter Deter', dat deze maand verschijnt, herinnert aan een prent van Wolf Erlbruch in het recente 'Mevrouw Meier, de merel'. Ze kent het boek inmiddels en is zelf ook gefrappeerd door de verwantschap. “We zitten op dezelfde golflengte, alsof het in de lucht hangt.”

Voordat ze even tien minuten wegholt om haar dochter van zes uit school te halen stopt ze me een dik boek over Walter Trier (karikaturist en politiek tekenaar, 1890-1951, tekende onder meer 'Emiel en zijn detectives' van Erich Küstner uit 1928) in handen: “Hier, heb je even wat te doen. Trier is ook zo'n grote inspiratiebron. Voor Rotraut Susanne Berner trouwens ook. Hij werkte ook associatief, wel figuratief, maar sterk gestileerd.” En ja, de verwantschap is treffend.

“Als ik dan van de Kunstschool af kwam dacht ik: waar kan ik met mijn tekeningen terecht? Toen schoten de kinderboeken over. Maar ik wist absoluut niet wat er in die wereld gaande was. Je denkt aan je eigen kindertijd: een kinderboek, o ja, dat ziet er dus zo-en-zo uit. Vanuit die herinnering maakte ik in 1989 'IJsjes'. Maar tegelijkertijd dacht ik: eigenlijk wil ik dit niet, ik vind het te zoet en te zacht en te flauw. Maar de uitgeverij, Clavis, vond die beertjes zo schattig. Als ik het nu aan mijn kinderen voorlees vind ik het saai. Het verhaal is op zich wel plezant, maar niet met die tekeningen erbij: zo weinig variatie! Dat ik er de Boekenpauw voor kreeg was bij gebrek aan beter.”

“Wat ik op de Akademie maakte wilden de uitgeverijen toen niet hebben, nee, dat was kunst, daar konden ze voor kinderen niks mee. De kinderboekencultuur in Vlaanderen was toen niet te vergelijken met wat het nu is. Het is nog altijd niet vergelijkbaar met wat in Nederland gebeurt, maar het begint sinds een paar jaar gelijk te trekken. Er begint zich zoiets als een 'School' van Vlaamse illustratoren af te tekenen: Klaas Verplancke, Erica Cotteleer, Gregie de Maeyer, André Sollie, Anne Westerduin, mensen die op zeker moment tegelijkertijd een nieuwe richting in sloegen. Eigenlijk was Kristien Aertssen, die lesgeeft op de Kunstakademie in Antwerpen, de eerste die een andere wind liet waaien dan de zoetsappige. Ja, we beïnvloeden elkaar. Soms teveel. Dan zegt iemand: ik heb een nieuw boek van je gezien. Maar dan blijkt het van Anne Westerduin te zijn, of soms van Klaas.”

Tijdens het gesprek is steeds de spanning voelbaar tussen vrije en gebonden kunst, het dilemma van de illustrator die zo vrij mogelijk wil werken, maar ziet dat kinderen kiezen voor het vertrouwde. 'Boekillustraties hoeven niet altijd experimenteel te zijn. Als ik mijn kinderen voorlees maakt het niet uit hoe de illustraties er uitzien, dan kun je veel met de tekst doen. Maar als ze zelf kiezen, op grond van de plaatjes, kiezen ze voor het realistische, herkenbare, of voor felle kleuren. Tja, dan vraag ik me af: waar gaat het nu eigenlijk om, om dat heel individuele ei dat je wilt leggen, of... (stilte). Eigenlijk kies ik alleen voor mezelf. Maar tegelijkertijd zit het niet in mijn natuur om zo extreem ver te gaan. Als ik nu vrij zou schilderen, als autonoom kunstenaar, zou dat ook herkenbaar zijn: wel expressief maar niet hermetisch.''

Hoewel het werk van Gerda Dendooven zelfverzekerd overkomt twijfelt ze voortdurend aan zichzelf. Een nieuw boek durft ze pas na dagen in te kijken, en dan loopt ze over van zelfkritiek. Tegelijkertijd weet ze precies wat ze wil.

“Ik wilde graag voor Querido tekenen. En een hele tijd was het (handpalmen tegen elkaar, vingers naar boven, ogen ten hemel, licht ironisch): O, als ik eens een boek van Toon Tellegen mocht illustreren! Maar toen Querido mij vroeg voor 'Dokter Deter' - ze wilden iets absurdistisch' - sloeg me de schrik om het hart. Ik durfde mijn tekeningen maar niet laten zien. Ik had zoiets van (diepe zucht): het is vast niet goed genoeg. Op een dag wou ik alles overdoen. Maar uiteindelijk heb ik het toch maar afgestaan.”

“Ik dacht dat Toon Tellegen zich niet met de tekeningen bemoeide, maar hij had toch allerlei commentaar. Dat heeft, denk ik, te maken met de autobiografische trekjes die het boek heeft, ook al ontkent hij dat. Ik had die dokter Deter als een grote struise man getekend, met zo'n klein mevrouwtje in zijn armen, maar hij wou liever een onopvallend klein mannetje. Dus dat heb ik veranderd. En deze knecht ook (laat dummy zien met een reus van een knecht). Je zult zien: in de definitieve versie is de knecht kleiner. Tellegen wil namelijk dat al zijn personages ongeveer even groot zijn, zodat je geen hiërarchie krijgt. En het huis moest er zó uitzien, en dat moest zó. Op zich vind ik dat niet erg, maar ik had het liever op voorhand geweten. Uiteindelijk doe je er toch mee wat je zelf wil, zelfs met enkele beperkingen. Ik hou m'n hart vast als het boek verschijnt: zie ik weer allerlei fouten. Er zal wel veel tijd overheen moeten gaan voordat ik kan zeggen: eigenlijk valt het toch wel mee.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden