Review

Genoeg reden om met Van der Leeuw cultuurpessimist te zijnHeidendom of gemene maat

G. van der Leeuw (rechts) in 1949 met o.a. Ortega y Gasset (met hoed) en Albert Schweitzer tussen hen beiden. “De Jodenvervolging is iets verschrikkelijks, omdat het de uiting is van een principieel en krachtig verzet tegen de heerschappij van God over de mensen. En ons past, naast een krachtig protest, inkeer tot onszelven, omdat wij door ons slap en ongehoorzaam christenleven, mèt de Duitse machthebbers de schuld zijn, dat het Heidendom, na zoveel eeuwen, zichzelf weer heeft gevonden.”

Dit schreef de godsdiensthistoricus en theoloog Gerardus van der Leeuw (1890-1950) in 1936 in een internationale protestbundel tegen rassenwaan en jodenhaat. Van der Leeuw vond dat, als men een staat toelaatbaar acht die geen andere norm kent dan de Staatsraison, men zich niet moet beklagen over de jodenvervolging. Maar een christen mag een dergelijke staat natuurlijk nooit toelaatbaar achten. Van der Leeuw beschouwde niet alleen het nationaal-socialisme maar ook het communisme als nieuwe religies die voortkwamen uit een geseculariseerde wereld die zoekt naar nieuwe goden en vereringsvormen.

Aansluitend bij het werk van de protestantse Frans-Zwitserse cultuurcriticus Denis de Rougemont was Van der Leeuw van mening dat kapitalisme en liberalisme een vorm van individualisme hadden gecreëerd, dat had geleid tot morele ontworteling en verval van waarden. Het christendom was zover onttakeld dat het geen commune mesure meer kon handhaven. De totalitaire ideologieën voorzagen in deze lacune door zo'n 'gemeenschappelijke maat' buiten het christendom te zoeken.

Deze cultuurkritiek van Van der Leeuw lag ten grondslag aan zijn godsdienstwetenschappelijke werk. Dat is althans de mening van Willem Hofstee, die onlangs is gepromoveerd op een opvallend goed geschreven en zeer interessant proefschrift over de godsdienstwetenschap van Van der Leeuw. Hofstee schrijft dat in de tegenstrijdige ontwikkeling rond de vorige eeuwwisseling tussen “enerzijds de groeiende onkerkelijkheid en anderzijds een toenemende belangstelling voor religie de sociogenese wortelt van Van der Leeuws godsdienstfenomenologie en zijn interesse voor het vraagstuk van de primitieve mentaliteit”. Aangezien die tegenstrijdige ontwikkeling tot vandaag voortbestaat, loont het de moeite om kennis te nemen van de denkbeelden van Van der Leeuw.

Hij de godsdienstwetenschap als middel om de theologie een wetenschappelijke basis te verschaffen. Zodoende zou de theologie een 'gelovige wetenschap' kunnen worden. Hij wilde met zijn wetenschap “die ook apologetisch zijn kàn” de inhoud der christelijke prediking laten gelden en die historisch gegeven inhoud rechtvaardigen. Daarbij was Van der Leeuw niet zozeer geïnteresseerd in de geschiedenis der godsdiensten, als wel in de psychologische grondslag van godsdienst in het algemeen.

Hij veronderstelde een fundamentele eenheid van de menselijke geest, ongeacht plaats en tijd, en daarmee een psychologische eenheid van alle religies. Zijn godsdienstfenomenologie had als doel de psychologische verwantschap van verschillende religieuze verschijnselen aan te tonen. Om door te kunnen dringen tot godsdienst als psychologische eenheid moet men in staat zijn na te voelen. Daarom moet “van de onderzoeker op het gebied der religie geëist worden, dat hij zelf religieus zij.”

Hofstee constateert nogal onderkoeld dat Van der Leeuw een hekel had aan 'vermeende objectiviteit'. In navolging van Karl Jaspers streefde hij naar een ordening van de veelheid van verschijnselen tot een organisch geheel. Daarbij moet de onderzoeker zich zo inleven in zijn object dat dit in hemzelf overgaat. Dit vraagt, volgens Van der Leeuw, “een rijk innerlijk leven en een grote openheid voor alle menselijke gedachten en gevoelens”.

Wat is nu precies die psychologische eenheid die aan de basis van alle religies ligt? Van der Leeuws antwoord is sterk geïnspireerd door de Franse cultuurwetenschapper Lucien Lévy-Bruhl, uit de kring rond het tijdschrift L'année sociologique, opgericht door Emile Durkheim en Marcel Mauss. Durkheim introduceerde het concept van de collectieve representaties, het geheel van denkpatronen van een volk of bevolkingsgroep. Lévy-Bruhl ontdekte dat die collectieve representaties in primitieve, schriftloze samenlevingen sterk verschillen van die in meer complexe culturen. De eerste zijn mystiek en magisch; subject en object zijn niet scherp van elkaar onderscheiden en de oorzaak van verschijnselen wordt vooral gezocht in bovennatuurlijke processen, ook als natuurlijke oorzaken sterk voor de hand liggen. De denkwereld van moderne samenlevingsvormen is meer rationeel en objectiverend van aard.

Lévy-Bruhl verwierp het evolutionistische standpunt van Durkheim dat de moderne denkwereld zich heeft ontwikkeld vanuit de primitieve en dat zij daarom 'hoger' staat. De primitieve en de moderne denkstructuur verschillen weliswaar sterk van elkaar, maar de ene vertegenwoordigt geen hogere waarde dan de andere.

Dit standpunt wordt door Van der Leeuw verder uitgewerkt en aangescherpt. Hij ziet de primitieve mentaliteit als “een religieuze levenshouding” die wij “overal bij de onbeschaafde volkeren, maar in meerdere of mindere mate ook bij die der Oudheid en in ons eigen geestesleven vinden”. Die primitieve mentaliteit is de psychologische grondslag van alle religie, ook van het christendom. “De religie verlangt geen zekere en logisch gefundeerde kennis van de wereld of van God, maar streeft naar het heil der mensen. En al haar dogma's, al haar concepten zijn door die ene heilwens geïnspireerd.”

Het woord 'primitief' heeft bij Van der Leeuw evenmin als bij Lévy-Bruhl een laatdunkende betekenis. Integendeel. De primitieve en de moderne mentaliteit zijn gelijkwaardige geestesstructuren die zelfstandig naast elkaar bestaan in zowel de primitieve als de moderne mens en die hun eigen wetten kennen.

Hofstee benadrukt de cultuurkritische bedoeling die Van der Leeuw met deze exercitie had: “De door technologie beheerste moderne wereld werd volgens Van der Leeuw wel bedreigd door nihilisme, secularisering, normvervaging en cultureel verval, maar het onderkennen van een primitieve geestesstructuur die de grondslag vormde van de menselijke existentie kon de organische eenheid herstellen en de eenzaamheid van de moderne mens relativeren.”

Hofstee geeft een uitgebreid maar helder en leesbaar overzicht van het verzameld werk van Van der Leeuw, van diens inspiratiebronnen en van de kritieken op dat werk. Daarnaast plaatst hij het werk in de tijd waarin Van der Leeuw leefde. Het boek is ook een “aanzet tot een biografie”. Uitgebreid staat hij stil bij de rol van Van der Leeuw voor en tijdens de oorlog. Ondanks zijn onomwonden stellingname tegen het nationaal-socialisme weigerde Van der Leeuw zich aan te sluiten bij het onder meer door Du Perron en Ter Braak opgerichte 'Comité van Waakzaamheid'. Als reden daarvoor geeft Hofstee dat daarin ook mensen met communistische sympathieën zitting hadden. En Van der Leeuw beschouwde het communisme als een even grote bedreiging voor de beschaving als het nazisme. Bovendien hield hij volgens Hofstee niet van organisaties. Des te twijfelachtiger is het dat Van der Leeuw zich kort na de Duitse inval wèl aansloot bij de Nederlandse Unie, die loyaal wilde samenwerken met de bezetter om de schade beperkt te houden.

Niet bekend

Van der Leeuw schreef zijn belangrijkste godsdienstwetenschappelijke werk vóór de oorlog, maar oogstte zijn roem vooral erna. Hij nam deel aan de beroemde Eranos-Tagungen in het Zwitserse Ascona en maakte kennis met grootheden als C.G. Jung, Mircea Eliade, Albert Schweitzer en Ortéga y Gasset. Toen Mircea Eliade in 1984 een bezoek bracht aan Groningen, schreef hij in zijn dagboek: “There is just one thing I'd like to discover: the location of G. van der Leeuw's house and the park and the streets where he liked to walk...”

Hofstee's proefschrift verdient alle lof. Hij moet bergen werk hebben verzet om leven en werk van Van der Leeuw zo nauwgezet uit de doeken te doen. Toch kan er ook een kritische kanttekening worden geplaatst. Hofstee is ambivalent over de waarde die Van der Leeuws werk nu nog heeft voor de godsdienstwetenschap. Enerzijds verdedigt hij krachtig en mijns inziens terecht de fenomenologische methode van Van der Leeuw en diens moed om speculatief-theoretisch boven de empirie uit te stijgen. Anderzijds meent hij dat de godsdienstwetenschappelijke ideeën van Van der Leeuw sterk beheerst werden door diens cultuurpessimisme, dat typisch zou zijn voor het interbellum en dat na de Tweede Wereldoorlog, toen de politieke verhoudingen veel stabieler werden, veel van zijn geldigheid zou hebben verloren.

Ik waag dat te betwijfelen. Het cultuurpessimisme is, ondanks de stabiele politieke verhoudingen, zeker niet verdwenen. Het wordt misschien wel breder aangehangen dan ooit tevoren en behoort tot de permanent aanwezige ondertonen van nagenoeg alle politieke en sociale beschouwingen. De redenen die Van der Leeuw ervoor had - individualisering en secularisering - zijn in onze tijd dan ook niet overwonnen maar juist sterk uitgedijd. Anders dan in het begin van deze eeuw strekken zij zich nu uit tot de gehele bevolking.

Iets anders is of de ideeën van Van der Leeuw ook nu nog als tegengif kunnen dienen tegen de dominantie van wat hij noemde 'de moderne mentaliteit'. Van der Leeuws centrale gedachte - dat de religieuze geestesgesteldheid een onvervreemdbaar en wezenlijk deel uitmaakt van de menselijke psyche - is bij mijn weten nooit weerlegd. Zij is nader uitgewerkt door de jungiaanse psychologie, vooral ook door Van der Leeuws leerling Fokke Sierksma. Die religieuze, 'primitieve' mentaliteit is natuurlijk niet verdwenen, maar wel, psychisch en sociaal, verdrongen. Voor zover zij nog wordt onderkend, is ze sterk gefragmenteerd .

Tegenwoordig kunnen wij alleen nog als individu het heilige onderkennen en vieren. “Heilig is wat geheiligd wordt”, schreef Frans Kellendonk, “en God troont op de gezangen van de mensen.” Maar daarmee is Van der Leeuws voornaamste probleem, zijn angst voor de verdwijning van de gemeenschapszin, niet opgelost. Integendeel. Die angst is volledig bewaarheid. God troont in verschillende gedaanten op het gezang van individuen, dat allang niet meer harmonieert. Van een taoïstische wijze wordt in de Zhuangzi gezegd: “Nooit hoort men hem zélf zingen, maar altijd in harmonie met de anderen”. Het individualistische staat de ervaring van het heilige in de weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden