Review

Geknipt voor een kamp als dit

Ze is de dochter van een beroemde vader. Hendrik Algra was een van die krachtpatsers uit de gereformeerde gloriejaren: ARP-politicus, historicus, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. Maar dochter Hetty leerde hem pas kennen door de brieven die hij in de oorlog stuurde vanuit gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. ,,Heel lang ben ik kwaad op hem geweest.'

Hetty Runia-Algra kan zich de 4de mei 1942 nog goed voor de geest halen. 's Morgens vroeg stonden twee mannen voor de deur in Huizum, tegenwoordig een deel van Leeuwarden. Haar moeder lag ziek in bed - astma. In de voorkamer wachtten de mannen die haar vader kwamen ophalen. Hendrik Algra werd opgepakt en als prominent gijzelaar door de Duitse bezetter afgevoerd.

De 10-jarige Hetty werd naar die kamer gestuurd om wat zakdoeken. ,,Zo, kom jij nog wat voor je pappie halen?' vroeg één van de mannen. ,,Ik praat niet met moffen', antwoordde Hetty. Later op de dag stond ze in het centrum van Leeuwarden tussen de schare die, voor het Oud Burger Weeshuis, naar de opgepakte mannen stond te zwaaien. Haar vader schreef nog het woord 'Brabant' op het raam. Daar zouden de Friese gijzelaars naar toe worden gebracht.

De prominent gereformeerde leider Hendrik Algra hoorde in 1942 tot de paar honderd prominenten uit de Nederlandse samenleving die werden vastgezet in een gijzelaarskamp in Sint-Michielsgestel. Zo hoopte de bezetter de intellectuele elite van het land uit te schakelen. Algra - hoofdredacteur van het Friesch Dagblad - zat in 1942-1943 anderhalf jaar vast in het gijzelaarskamp Beekvliet.

Het was een curieus kamp. Hoewel de Duitsers de levens van deze gijzelaars dreigden te nemen als er verzet zou worden gepleegd, fungeerde Beekvliet in de praktijk vooral als een vrijplaats voor studie en ontspanning. Al-gra schreef vanuit Sint-Michielsgestel vrijwel dagelijks aan zijn vrouw en kinderen. Pas via die brieven leerde de dochter haar vader echt kennen. Uit 230 bewaard gebleven brieven stelde zij Hetty een boek samen dat vandaag in het Verzetsmuseum in Leeuwarden wordt gepresenteerd.

De eerste berichten uit Beekvliet - een voormalig seminarie - waren opgewekt: ,,Met een fijne sigaar aan zit ik in het zonnetje te schrijven. Het is het schitterendste zomerweer. Gisteravond hadden we weer veel plezier.(...) De algemene opinie is hier, dat we blijven tot het einde van de oorlog. Maar we worden met groote voorkomendheid behandeld. In dat opzicht zijn er zeer beslist orders. Het is hier geen Amersfoort (een berucht gevangenkamp tijdens de oorlog, red.) De beste figuren uit ons land zitten hier. Directeuren van groote fabrieken, hoogleraren etc.(...)' En een paar brieven verder: ,,Ik ben geknipt voor een kamp als dit.' Tussen zoveel mannen van formaat - ondernemers, wetenschappers, politici, geestelijken en kunstenaars - vermaakte Algra zich opperbest.

Het feit dat hij samen met het puikje van de Nederlandse samenleving gegijzeld werd, moet hem een merkwaardig soort voldoening gegeven hebben. Hét bewijs dat het hem gelukt was vooruit te komen. Hendrik Algra (1896-1982) was trots op zijn nederige afkomst uit de Friese Wouden, waar zijn vader landarbeider was.

Begonnen als gewoon onderwijzer -via zogeheten normaallessen, niet eens aan de kweekschool - behaalde hij in de avonduren aktes MO Geschiedenis en Nederlands. Algra was leraar aan de gymnasia van Leeuwarden en Kampen, actief in de Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde Grondslag en in de Antirevolutionaire Partij. Sinds 1935 was hij bovendien hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. Met al die functies was hij de 'ongekroonde koning van gereformeerd Friesland'.

Zijn internering was een direct gevolg van de hoofdartikelen waarmee hij in zijn krant stelling had genomen tegen het nationaal-socialisme. Overigens was het Friesch Dagblad in 1941 al opgehouden te verschijnen. De medewerkers weigerden unaniem lid te worden van de door de Duitsers verplichte Journalistenkring.

Een echte mannenbroeder was Hendrik Algra. Altijd in de weer voor kerk, staat en maatschappij, staande op het vaste fundament van Gods Woord en de beginselen. Tot 1977, hij was toen al 81 jaar oud, stond hij aan het roer van het Friesch Dagblad. De tijd van zulke karaktervolle en onbuigzame krachtpatsers is voorbij, maar onlangs gebeurde het nog dat een Fries Statenlid in het openbaar verzuchtte: ,,We moeten terug naar de tijd van Hendrik Algra'. Terug naar de tijd dat je wist waar mensen voor stonden. De tijd van een man een man, een woord een woord.

Dochter Hetty Runia-Algra vertelt het met een mengeling van gêne en trots. Ze wil niet verbergen dat ze lange tijd niet veel op heeft gehad met haar vader en wat hij vertegenwoordigde. Zo'n vader met zoveel functies dat hij weinig tijd had om zich met zijn gezin te bemoeien.

,,Heel lang ben ik eigenlijk kwaad op hem geweest. Terwijl hij in het gijzelaarskamp genoot van de mogelijkheden om te studeren en van alle contacten met belangrijke mensen, moest mijn moeder, Eelkje Offringa, haar gezin met vijf kinderen alleen draaiend zien te houden. Van een afstand probeerde vader wel mee te sturen, maar je krijgt niet het idee dat hij veel begrip had voor de moeilijkheden waar mijn moeder voor stond. En intussen vroeg hij in elke brief op dwingende toon om de meest uiteenlopende dingen. Vooral boeken. Die had hij altijd per omgaande nodig.'

Toch ging de zorg voor haar gezin moeder Algra goed af, moet haar dochter vaststellen. Hetty herinnert zich eigenlijk weinig bijzonders van de periode dat haar vader weg was. ,,Het leven ging voor ons als kinderen gewoon door. Dat ze het niet altijd gemakkelijk had, ben ik pas via de brieven te weten gekomen.'

Hoe doortastend en kordaat Eelkje zich door de moeilijke omstandigheden heensloeg, blijkt misschien wel het roerendst uit de lof van haar man in een van zijn brieven: ,,Weet je nog hoe je er eerst tegen opzag, om een visite af te steken? Je bent een stuk zelfstandiger geworden. En nu, in deze maanden, triomfeer je over alle vrouwen.' Die laatste zin klinkt als een echo van de bijbeltekst Spreuken 31, waarin de lof wordt gezongen op de 'degelijke huisvrouw'.

Elders in zijn brieven oppert Algra dat zijn vrouw na de oorlog 'presidente van iets' moet worden. ,,Soms denk ik: wat kan jij best alleen staan, ik heb haar vroeger te veel op de achtergrond gedrongen. Als ik weer thuis ben, moet jij meer in het openbare leven.'

Zo ver is het echter nooit gekomen, want Eelkje Offringa overleed kort na de oorlog bij een zware astma-aanval. Hetty, die op het gymnasium zat, werd thuisgehaald. Het sprak vanzelf dat zij de moederlijke taken in het gezin op zich nam.

Aan die jaren bewaart ze weinig goede herinneringen. ,,Waar ik vooral last van had, is dat ik nergens bij hoorde. Ik had geen schoolvriendinnen meer en voor het gereformeerde verenigingsleven voelde ik niet veel. Ik deed graag aan sport, alleen vader hield er niet erg van. Ik herinner me dat ik eens met mijn vader mee moest naar een Bondsdag (van de jongelingsverenigingen), terwijl elders een volleybaltoernooi was waar ik graag aan mee wilde doen. Maar ik moest naast mijn vader op het podium zitten.'

,,Voor hem ging al zijn werk gewoon door, daar ging hij helemaal in op. Zo kon het gebeuren dat hij mijn 19de verjaardag vergat. Toen ik hem daar 's avonds op attent maakte, ging hij naar de winkel en dan kwam hij thuis met een enorm duur cadeau. Zo was hij dan ook weer.'

Iets van de reserves jegens haar vader klinkt door in het voorwoord dat Runia-Algra schreef bij de brieven uit Sint-Michielsgestel, maar meer nog in een boekje dat ze vorig jaar uitbracht. Daarin reconstrueert ze haar moeders leven aan de hand van brieven. ,,Ik had mijn moeder op een voetstuk staan. Maar in mijn vaders autobiografie ('Mijn werk, mijn leven', Assen 1970) kwam mijn eigen moeder helemaal niet voor. Dat heb ik altijd heel erg gevonden. Ik had er behoefte aan om te laten zien wie zij was.'

En toen bleek dat Eelkje Offringa een pittige dame was, die al in haar verkeringstijd niet met zich liet spotten. Dat ze ook geestig was, blijkt uit de schaarse brieven die van haar bewaard gebleven zijn aan haar man in het gijzelaarskamp. Over de bloemenzee op haar 46ste verjaardag in 1943: ,,Toen ik uit de kerk kwam, was het of kwam ik hier in het Paradijs. Ik zou dan Eva moeten zijn. Maar Adam was er niet, die is in ballingschap.'

Nu ze het pakket brieven van haar vader uitgetypt en doorgewerkt heeft, is Hetty Runia anders over haar vader gaan denken. ,,Hij is me meegevallen', zegt ze eerlijk. Al uitte hij zich tegenover ons moeilijk, hij kon de dingen goed op papier zetten.' Een van de dingen die uit de brieven overduidelijk blijken, juist door het huis-, tuin- en keukenkarakter van de correspondentie, is zijn liefde voor vrouw en kinderen.

Algra mag in het gijzelaarskamp dan volop genieten van interessante gesprekken met de andere prominenten daar, hij mag genieten van de leerzame cursussen die de gijzelaars onderling organiseren, en hij mag lof oogsten voor zijn eigen cursussen Vaderlandse Geschiedenis - met de oude professor Joh. Huizinga steevast op de eerste rij van een uitpuilende 'collegezaal' - door alles heen proef je zijn bezorgdheid.

Dagelijks schrijft hij naar huis, voorzover de kampautoriteiten dat toestaan. ,,We hebben het reuze gezellig. Alleen als ik een brief schrijf, stormt het van binnen...' (16 mei 1942). Ontelbaar zijn de waarschuwingen aan zijn vrouw dat ze om haar gezondheid moet denken, roerend zijn de regels voor hun gehandicapte zoon Jopie en het nakomertje Jitty. Elke morgen zet hij de portretten van vrouw en kinderen voor zich neer voor hij aan zijn brieven begint. Als hij eens een paar dagen van post verstoken blijft, bedelt hij er hongerig om. ,,Al is het maar een briefkaart met een paar regels.'

Dat hij tegelijk een patriarch is, past helemaal in de gereformeerde cultuur van die jaren . Wekelijks stuurt hij zijn vrouw een rooster met bijbelgedeeltes om te lezen, zodat ze van elkaar weten wat voor troostrijks de ander leest. Uitvoerig bespreekt hij de preken van de in Sint-Michielsgestel aanwezige dominees; de zwakke broeders spaart hij niet. Op afstand schudt hij het hoofd over de kerkstrijd die gaande is binnen de gereformeerde kerk.

In het kamp gaat Algra de confrontatie aan met andersdenkenden. Zijn blik verruimt, maar scherp neemt hij het op tegen vermeende vrijzinnigheid. Aan zijn vrouw bekent hij dat hij voor een debat met een gevreesde wetenschapper eerst in gebed is gegaan. Veelvuldig, steeds veelvuldiger naarmate de internering voortduurt, grijpt hij naar het bijbelboek Psalmen. Een van de regels die als een refrein terugkeert, ontleent hij aan psalm 126: 'Als Hij de gevangenen wederbrengt, zal dat een droom zijn'.

Overigens worden die ernstige gedeeltes afgewisseld met dagelijkse beslommeringen: ,,Gister een ei gehad van de burgemeester van Bunnik. De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Stuur mij een haarkammetje, volgende week stuur ik waarschijnlijk wasch'.

Behalve karrenvrachten met boeken moeten er ook kilo's boter heen en weer gezonden zijn. Als Algra te veel had - en dat kwam geregeld voor - stuurde hij de levensmiddelen weer naar zijn gezin in Huizum, soms compleet met suggesties voor de verwerking, mocht het vet wat ranzig zijn.

Maar als er een ding in de brieven boven alles uitsteekt, is het geloofsvertrouwen. Zo vast en vanzelfsprekend is het vertrouwen in een God die hoe dan ook alles uiteindelijk goed zal maken, dat hij het niet verdraagt dat zijn vrouw wel eens moedeloos lijkt.

Het is ook op dit punt dat de dochter zich later wel aan haar vader geërgerd heeft. Twijfel aan Gods trouw en goedheid was eenvoudig niet toegestaan. Daarover viel niet te praten. Ook later, tussen Algra en de kinderen uit zijn eerste huwelijk, niet.

Dochter Hetty verging het als veel gereformeerden van haar generatie. Ze deed belijdenis, trouwde, liet haar vijf kinderen dopen, maar inmiddels heeft ze afscheid genomen. Dat proces heeft zich geleidelijk voltrokken. ,,Het Oude Testament, dat zijn mooie verhalen. Eerst was het: als ik dan maar aan de waarheid van het Nieuwe Testament vasthoud. Toen ging Paulus eraf - als ik de evangeliën maar vasthield. Maar uiteindelijk ging dat ook niet meer. Zo'n vast, innig geloof als mijn vader, heb ik nooit zo gehad. Dus ik mis het ook niet. Als ik het lees in zijn brieven, heb ik er wel respect voor, maar het is me vreemd.'

,,Ik heb er nooit met hem over gesproken. Hij van zijn kant begon er ook nooit over. Waarschijnlijk durfde hij dat niet aan. Bepaalde dingen, daar sprak je niet over. Ook over het sterfbed van mijn moeder, waar ik bij was, heeft hij zich ooit alleen maar per brief tegenover me uitgelaten. Overigens had mijn zusje Nynke uit het tweede huwelijk van mijn vader, die echte gesprekken wél.'

,,Ik heb jaren gevonden dat we geen echte vader hebben gehad, maar daar ben ik van teruggekomen. Ik vind nu dat ik hem niet verwijten mag hoe het is gegaan. Als ik nu zie hoe mijn zonen met hun kinderen omgaan, denk ik: Ja zo moet het. Alleen door hun manier van leven hebben ze geen tijd om zich in te zetten voor kerk, staat en maatschappij zoals mijn vader deed. Vroeger was ik blij dat ik na mijn huwelijk geen Algra meer heette. Nu heb ik ervoor gekozen om te zeggen 'Ik ben een dochter van Hendrik Algra'. En misschien ben ik er zelfs wel een beetje trots op.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden