Geen polder, maar een arena

Deelnemers aan de National Bedevaart in Brielle. Daar wordt elk jaar herdacht dat in 1572 negentien katholieken door de Watergeuzen zijn gemarteld en opgehangen. (FOTO ANP)

In zijn afscheidsrede haalde historicus Piet de Rooy nogal wat zekerheden onderuit. Waren Nederlanders door de eeuwen heen wel zo tolerant jegens elkaar?

Alle aanwezigen moeten hetzelfde gevoel gehad hebben: deze geschiedenisles moeten we ons ter harte moeten nemen. Alleen, hoe dat precies moest, wist niemand na afloop van de afscheidsrede van de hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, Piet de Rooy.

Het was ook een gedenkwaardig college, typerend voor de historicus De Rooy: op de hem eigen even onnadrukkelijke als onontkoombare wijze haalde hij nogal wat overhoop. Na een kleine veertig minuten lag heel het -– tot vervelens toe herhaalde –- vaderlandse zelfbeeld aan gruzelementen. De gevierde tolerantie en de befaamde scheiding van kerk en staat; het gaf allemaal net wat minder reden tot zelfvoldaanheid dan we altijd geneigd zijn te denken.

Geen wonder dus dat de kersverse emeritus na de wolk van gelukwensen nog stond na te genieten van zijn boetepreek, of beter gezegd van zijn condoleantie aan het tegenwoordige Nederland. Dit nagenieten deed hij overigens op de hem bekende manier, buiten, nog steeds in toog en niet in het vertrouwde corduroy, met een sjekkie in de hand; als de bescheiden historicus die weet dat zijn woorden vanzelf aankomen.

Zijn afscheidscollege is nu in boekvorm verschenen en de vraag is of de gestelde diagnose op schrift beter tot ons doordringt dan bij de eerste mondelinge kennisname, waar je, net als een patiënt bij de dokter, nu eenmaal niet alles kunt bevatten. Het ziektebeeld is helder. We lijden aan geheugenverlies. Nederland is namelijk aan het vergeten dat het ruim vier eeuwen lang een godsdienstig, of beter gezegd, een christelijk land was. En dat gat in ons geheugen is niet iets om onszelf geluk mee te wensen, aldus de sociaal-democraat De Rooy.

Want met die collectieve amnesie verdwijnt ook een collectieve kwaliteit, te weten: het vermogen om met religie om te gaan in het openbaar, en dat is juist een ’eigenschap’ die heden ten dage met zoveel gelovigen van vreemde snit goed van pas zou komen. Bovendien heeft het geheugenverlies nog een ernstige bijwerking: omdat we niet meer weten hoe onze tolerantie is ontstaan, houden we haar voor een ethische wilsdaad, een gevolg van burgerlijke ontwikkeling en mensverfijning, terwijl ze ooit begon als noodzakelijk kwaad en dat ook heel lang bleef.

Dat leert de geschiedenis. Want ook al is het in dit Calvijnjaar vol boterzachte revisies op Calvijn gemakkelijk over het hoofd te zien: calvinisten hadden eeuwenlang harde koppen. Aan het jonge Nederland van de zestiende eeuw legden zij in elk geval de gedragsregel op dat paapse en andere religieuze afwijkingen van het ware geloof hooguit gedoogd mochten worden, en dat is iets anders dan gewaardeerd. In feite was er sprake van getemde intolerantie, zo men wil, van een zelf opgelegde en beperkte welwillendheid van de peer group der calvinisten tegenover andere godsdienstige groepen, met name tegenover de katholieken. De roomsen mochten dus best een kaarsje opsteken voor hun afvallige heiligenbeelden, zolang zulks maar niet zichtbaar gebeurde.

„Er was”, schrijft De Rooy, „een verschil tussen gewetensvrijheid en vrijheid van belijdenis.” Simpel gezegd: de straat was van Calvijn, de zolderkamer van de katholieken. De religieuze pluriformiteit als feest van erkenning van de andersgelovige bestond niet. Wat wél bestond was het besef van de calvinist dat het in het religieus verdeelde vaderland onmogelijk was te doen alsof de bijgelovige ’bijwoners’ er niet waren, heel langzaam aan ontstond hieruit het vermogen ’naast elkaar’ te leven, wat niet hetzelfde is als ’met elkaar’.

En de scheiding van kerk en staat dan? Bracht deze geen betere betrekkingen tot stand tussen de verschillende gelovigen en geloven, nu de staat vanaf 1795 (Uitroeping Bataafse Republiek) formeel geen enkele religie meer bevoorrechtte? Het probleem was dat zowel onder de verlichte Bataven als onder de Oranjes (met name onder Willem I) de staat zich de hoeder der beschaafde religie achtte, die met behulp van de godsdienst morele burgerzin moest kweken. En wat was ’beschaafde religie’ anders dan christelijke, lees niet-katholieke godsdienst?

De scheiding van kerk en staat, schrijft De Rooy, leidde tot ’meer bemoeienis van de staat met de religieuze overtuiging van burgers’ dan ooit. Welbeschouwd kwam het erop neer dat Nederland officieel geen calvinistisch land meer was, maar dat de modelburger gesneden moest worden uit degelijk en betrouwbaar protestants hout. En mocht de overheid dit een moment vergeten, dan was er altijd wel een Groen van Prinsterer of een Abraham Kuyper om deze daar aan te herinneren. De katholiek bleef zich een tweederangs burger voelen, levend, zoals de katholiek historicus L.J. Rogier schreef, in het voortdurende bewustzijn ’niet protestants te zijn’.

Dat een en ander niet leidde tot warmere onderlinge relaties, mag duidelijk zijn. Het kwam pas goed tussen de twee godsdiensten toen het feitelijk te laat was. Pas op het moment dat het georganiseerde bolwerk van de katholieken en later dat van de protestanten op instorten stond, toen in de late jaren zestig eerst de kerken leegliepen en later de verzuilde clubjes akelig klein werden, gingen de volgelingen van Rome en Genève van elkaar houden. Voor die tijd hadden ze naast elkaar geleefd als kat en hond.

Die historische werkelijkheid dreigt dus uit onze herinnering te verdwijnen. Vergeten wordt daarmee wellicht ook, schrijft De Rooy, „hoe een multireligieuze samenleving doorgaans niet beschouwd moet worden als een plaats vol interessante ontmoetingen, maar als een arena waarin verschillende openbaringen vechten om een plek in de openbaarheid, zo niet om de hegemonie”.

Nederland als een arena, in plaats van het afgezaagde beeld van Nederland als een harmonieuze polder. Het is een leerzaam beeld, maar wat betekent het voor het heden? De historicus laat de conclusie aan de lezer. De geschiedenis levert geen eenvoudige lessen, maar stemt tot nadenken. Zo kennen we De Rooy, als fijnzinnig en prettig eigenwijs tegenspeler.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden