Opinie

Geen brons, geen ijzer deed de vrouwen bloeden

Toneelmaskers waar het gezicht van de acteur wel tien keer of meer in past: daarmee speelt Toneelgroep Amsterdam de 'Bakchanten' van de Griekse tragediedichter Euripides. In diens tijd kreeg een dichter de beschikking over slechts drie van staatswege betaalde acteurs. Ook gastregisseur Jürgen Gosch zet maar drie acteurs in: Pierre Bokma is de god Dionysus in de sterfelijke vermomming van een knappe jongeman uit Azië die, om verleidelijkheid uit te stralen, uit de zon blijft en een witte, vrouwelijke teint heeft. Hans Kesting is de piepjonge koning, 16, 17 jaar, maar in deze voorstelling een stevig gebruinde dertiger. Een van de vele rollen die Joop Admiraal speelt, is die van soldaat die de in een net gevangen god het toneel op sleept. Zijn boerse masker ziet groen van angst.

Vorige week was ik bij een repetitie van de eerste scènes. In een grote witte ruimte staat het staketsel van het koninklijk paleis dat door een blikseminslag van oppergod Zeus in de as werd gelegd. Tegen de muren staat het koor gedrukt: vijf vrouwen met een veel korter, spierwit masker. Over wat de voorstelling zal worden, is nog geen zinnig woord te zeggen. Maar waarover gaat het stuk eigenlijk, het enige van Euripides waarin een god optreedt als mens tussen mensen?

'Bakchanten' werd pas na de dood van de schrijver in de regie van zijn zoon in Athene opgevoerd. Het is Euripides' indrukwekkendste tragedie, waarin hij de vraag 'wat is het schrandere denken?' - dit thema beheerste zijn hele leven - thuis brengt in het beangstigende en dramatische conflict tussen een god en een mens.

Een nieuwe god, Dionysus, komt naar de stad Thebe om die te straffen. Zijn moeder Semele was een Thebaanse prinses, maar toen zij vertelde dat ze zwanger was van de oppergod Zeus, lachten haar zusters haar uit en smaalden dat ze kennelijk een misstap had begaan met een of andere man. Semele bad daarop tot Zeus in zijn volle heerlijkheid als god van donder en bliksem aan haar te verschijnen, en Zeus deed dat. Semele liet het leven onder de blikseminslag, en Zeus redde het onvoldragen kind door het in zijn dij te naaien en zo de zwangerschap te voltooien. De zusters zagen in de gebeurtenis de bevestiging van hun vermoeden: Zeus had de blasfemie van Semele bestraft.

Dionysus straft op zijn beurt de stad door alle vrouwen, de zussen van Semele voorop, in verstandsverbijstering de bergen in te jagen. Zelf neemt hij deel aan de handeling in de vermomming van de knappe jongeman over wie weldra het gerucht gaat dat hij met de vrouwen op de berg de bosjes induikt. Zijn tegenspeler, koning Pentheus, deelt het ongeloof van zijn moeder Agaue en zijn tantes in de nieuwe god met vanzelfsprekendheid. Op hem rust de taak de ernstig verstoorde verhoudingen in de stad te herstellen.

Tot zover lijkt het verhaal een amusante vertelling over een politie-agent en een slimme dief, maar het stuk leert anders. Al in het eerste lied van het koor, een groep vrouwen die met de vreemdeling mee is gekomen naar Europa, worden de rituelen van Dionysus genoemd: 'sparagmos', het levend aan stukken rijten van een gemzebok, en de 'omofagia', het vervolgens verslinden van het rauwe vlees. De handeling die daarop volgt, is het beklemmende spel van de god met zijn slachtoffer: hij laat zich gevangen nemen en bevrijdt zich weer met een spectaculaire aardbeving.

De gebeurtenissen nemen een grimmiger wending, als een herder uit de bergen komt vertellen dat de vrouwen van Thebe runderen levend aan stukken scheuren en kinderen uit dorpen roven. Pentheus kan niet anders doen dan proberen de vrouwen met geweld naar de stad te halen. De god ziet zich genoodzaakt opnieuw zijn wapen van de waanzin in stelling te brengen. In de beklemmendste scène van alle Griekse tragedies maakt hij zich meester van de geest van Pentheus. De koning wordt van zijn wil beroofd, en vertrekt in travestie, ritueel aangekleed als een bakchante, met de vreemdeling naar de berg. Daar wordt hij, op aanwijzingen van de god, door de waanzinnige vrouwen aan stukken gescheurd. Agaue keert zegevierend met het hoofd van haar zoon, denkend dat het een leeuwenkop is, terug naar Thebe. Vóór de paleispoort komt zij onder leiding van haar vader Kadmos weer bij zinnen, en keert zich verbitterd van de Dionysusdienst af. De god verschijnt in een triomfantelijke epifanie boven het paleis.

De 'Bakchanten' is als drama heel veel misverstaan, door classici én door toneelmakers. Wat de laatsten betreft, de raarste golf was wel die van de jaren zestig en zeventig, toen Dionysus als een flower-power-god op het toneel de kluisters van de seksuele moraal verbrak en louter vreugde en vrede onder de mensen bracht. Pentheus was een akelige puritein, die zijn verdiende loon kreeg. Maar het zaad voor dit soort uitwassen is gezaaid door vele schrijvers van commentaren op de Griekse tekst.

Die tekst hangt dan ook aan een zijden draadje. In het begin van de 14e eeuw is het overgeschreven in het schrijflokaal van de Byzantijnse geleerde Triclinius. Helaas breekt de tekst van de 'Bacchanten' halverwege af. Dit manuscript kwam kort daarna naar Italië en ligt al eeuwen veilig in de bibliotheek van Florence. Een ander handschrift bevat wél de hele tekst, behalve de lacunes die in het voorbeeld van de afschrijver al gezeten moeten hebben. Maar deze afschrijver was buitengewoon slordig: zijn kopie wemelt van de fouten.

Nu staat juist op de plek waar het eerste handschrift afbreekt, een stukje onbegrijpelijk Grieks. We zijn op het punt dat de vrouwen kinderen uit de dorpen roven en dan staat er ineens: 'geen brons, geen ijzer'. De wetenschap heeft de meest onwaarschijnlijke verklaringen bedacht: doorgaans verbindt men de woorden met de voorgaande zin en veronderstelt men dat de vrouwen behalve kinderen ook bronzen en ijzeren potten en pannen roofden, die net als de kinderen niet van hun schouders vielen. Dat is natuurlijk grote onzin: Dionysus is een god van de wilde natuur, die fonteinen van water en melk uit de rotsen laat ontspringen voor zijn volgelingen de bakchanten, honing van sparren voor ze laat druipen; verder eten ze rauw vlees. Pannen hebben ze niet nodig, kinderen wel. In de vroegste versie van de mythe werden knapen aan Dionysus geofferd.

Euripides laat de herder in zijn verhaal de kindermoord slechts aanstippen, bang als de man volgens de conventies van het bodeverhaal in de tragedie is, dat híj de schuld krijgt. De woorden 'geen brons, geen ijzer' zijn in de tekstoverlevering enkele verzen te vroeg geschreven. Ze horen te staan op de plaats waar de herder vertelt dat de dorpelingen pijlen afschoten op de vrouwen, maar hen niet verwondden.

Deze tekstverbetering is te danken aan een Britse boer, John Jackson, die in Oxford klassieke talen had gestudeerd en in de avonduren zo ongeveer de hele Griekse literatuur van aantekeningen heeft voorzien. De herder benadrukt dat de vrouwen geen schrammetje opliepen, maar enkele verzen later zegt hij dat de vrouwen bij een bron 'het bloed afwasten, terwijl slangen de druppels van hun wangen likten'. Zou dat het bloed zijn geweest van de runderen die ze bij het aanbreken van de dag hadden verscheurd? Nee, natuurlijk: Euripides doet geen huishoudelijke mededelingen. Het is het bloed van de kinderen, die aan stukken zijn gescheurd en verslonden.

Jacksons geniale verbetering werd drie jaar na zijn dood gepubliceerd in 1955. Maar geen van de vele uitgevers van de Griekse tekst in de jaren daarna heeft het gewaagd zijn voorstel over te nemen, wat wel een van de meest verbazingwekkende kortzichtigheden is van de filologische wetenschap uit de afgelopen decennia. Ook Gerard Koolschijn laat in zijn vertaling voor Toneelgroep Amsterdam 'geen brons, geen ijzer' staan op de plaats waar het in het handschrift staat.

Pentheus begrijpt, in tegenstelling tot de moderne vertalingen en verklaringen van de tekst, uitstekend wat de herder te zeggen heeft. 'Dit gaat werkelijk te ver', zegt hij, en beveelt zijn leger uit te rukken. En d n grijpt Dionysus met zijn wapen van de waanzin in. Het zijn de vrouwen op de berg, die met daden, en de vrouwen die het koor vormen, die met woorden de macht van de meute laten zien. De morele legitimatie van het geweld wordt uitgesproken door het koor: meer dan in welke tragedie ook, zijn de koorliederen het hart van het stuk, waarvan geen regel gemist kan worden - bij Toneelgroep Amsterdam gebeurt dat tot mijn grote schrik op uitgebreide schaal wél. Euripides laat in twee koorrefreinen van de 'Bakchanten' de vernietiging van de tegenstander uitroepen tot een daad van schoonheid die respect afdwingt, en van rechtvaardigheid. Dat is een harde omkering van de norm van de filosoof Sokrates, met wie Euripides zo verwant is. Voor Sokrates is niet 'leven' van belang, maar 'leven dat respect afdwingt en rechtvaardig is'.

Het is beslist niet zo dat Euripides aan het eind van zijn leven ging geloven in de almacht van de goden. Zoals in heel zijn werk zijn de goden uitdrukking van datgene wat mensen drijft. Het is keer op keer de irrationaliteit van het menselijk handelen, die hij in zijn stukken onder de loupe legde. In dit stuk heeft Euripides een monumentale studie verricht naar de massa en haar macht, naar het religieuze en ideologische kleed waarin de angst zich hult: de angst voor het denken, de angst voor de vrijheid, en daaruit voortvloeiend de massale aanbidding van de slavernij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden